III. SIEGFRIEDS DOOD.

Tien jaar verliepen; toen wist Brunehilde, die er zich over

verwonderde, dat Siegfried, als leenman, nooit aan het hof verscheen,

Gunther over te halen een gezantschap af te zenden om hem en zijn vrouw

naar Worms te noodigen. Gaarne gaven dezen aan de uitnoodiging gehoor;

ook de oude koning Siegmund reed meê in het gevolg.

Te Worms volgde het eene feest op het andere. De ridders oefenden zich

dagelijks op het burchtplein in het wapenspel, en de beide vorstinnen

zagen daarbij toe. Eens roemde Chriemhilde haar gemaal, hoe hij boven

allen uitmuntte en de dapperste en schoonste was. Brunehilde bleef met

Gunthers lof niet achter. Maar haar schoonzuster somde al maar nieuwe

deugden van Siegfried op, tot Brunehilde antwoordde, dat hij zich met

koning Gunther toch niet meten kon, omdat hij immers slechts diens

leenman was. Dat trof Chriemhilde diep, en zij nam zich voor metterdaad

te bewijzen, dat het anders was.

Dien avond begaven, als gewoonlijk, beide vorstinnen zich naar de kerk

om er den vesperdienst bij te wonen. Maar, anders dan gewoonlijk,

gingen zij niet samen; met een groot gevolg van dienaressen schreed

ieder afzonderlijk op het kerkgebouw toe. Brunehilde was het eerst aan

den ingang van het bedehuis; zij wachtte Chriemhilde af en beval haar

te wachten tot zij zelve binnen zou zijn gegaan. Toen ried Chriemhilde

haar aan zich wat minder trotsch te toonen; zij zou haar bewijzen, dat

niet Gunther, maar Siegfried haar had overwonnen! En fier schreed zij

met haar gevolg Brunehilde voorbij, die gegriefd en toornig, met tranen

van spijt in de oogen, als verlamd was door den slag, die haar zoo

plotseling werd toegebracht. Na de godsdienstoefening bleef zij weer

bij den ingang staan en verlangde van Chriemhilde het bewijs van haar

woorden. En dat bewijs werd haar geleverd! Toen klaagde en jammerde

Brunehilde, en de trouwe Hagen besloot de smart van zijn meesteres op

Siegfried te wreken.

Allereerst diende men te weten, waar de wondbare plek aan Siegfrieds

lichaam was. Hagen liet het gerucht verspreiden, dat Ludegeer en

Ludegast, die men vrij had gelaten, opnieuw met oorlog dreigden.

Siegfried bood zich, zooals hij verwacht had, ook aan voor den tocht.

Toen de toerustingen gereed waren, nam Hagen afscheid van Chriemhilde.

Zij, wat angstig door alles wat er gebeurd was, verzocht hem op

Siegfried te letten in het strijdgewoel; en opdat hij des te beter hem

zou kunnen beschermen, gaf zij met een klein kruis op den wapenrok de

plaats aan, waar haar man alleen wondbaar was. Daarom was het Hagen te

doen geweest; hijzelf had haar den raad gegeven zóó te handelen. Nu was

de veldtocht niet meer noodig; boden kwamen en spraken de vroegere

geruchten tegen. In plaats van ten oorlog zou men nu ter jacht gaan.

Maar weenend trachtte Chriemhilde Siegfried van de jacht terug te

houden; zij had gedroomd dat twee wilde zwijnen hem najoegen over de

heide en dat de bloemen rood werden gekleurd van bloed, dat twee bergen

over hem heen vielen en hem voor altijd aan haar oog onttrokken. Maar

in het argelooze hart van Siegfried was voor wantrouwen jegens zijn

verwanten geen plaats, en welgemoed reed hij uit ter jacht.

Juist toen voor den maaltijd werd geblazen, kreeg Siegfried een grooten

beer in het oog. Hij sprong van zijn paard, ving het dier levend en

bond het op zijn zadel. Zóó kwam hij op de plaats waar gegeten zou

worden. Daar liet hij den beer los, die een groote ontsteltenis

veroorzaakte en een geweldige verwarring stichtte, maar ten slotte door

Siegfried met zijn zwaard werd afgemaakt.

Toen kon dus eindelijk de maaltijd beginnen; eten was er genoeg, maar

aan drinken was gebrek. Hagen wendde voor dat de lastdieren met den

wijn bij vergissing naar een ander gedeelte van het woud waren

gezonden. Maar hij wist in de nabijheid een heldere bron; hij sloeg een

wedloop daarheen voor: de vlugge Siegfried kon dan meteen de snelheid

van zijn voeten doen bewonderen. Siegfried nam de uitdaging aan; hij

legde niet eens zijn wapenrusting af. En toch kwam hij het eerst aan

het doel; hij wachtte echter tot Gunther was aangekomen en had

gedronken; toen bukte ook hij zich over het water. Op dit oogenblik

greep Hagen Siegfried’s scherpe speer en joeg haar op de gemerkte plek

den held diep in den schouder. Siegfried sprong op en wierp zoo forsch

zijn schild naar Hagen, dat deze ter aarde stortte. Toen echter begaven

hem de krachten en stervend viel hij neer, Chriemhilde in de zorgen van

haar broeder aanbevelend. Hagen beroemde zich openlijk op zijn daad;

hij liet den vermoorde in den nacht voor Chriemhilde’s kamer leggen,

zoodat zij hem den volgenden morgen, als zij ter mis ging, moest zien.

Groot was haar jammer, toen zij haar verlies bemerkte; geheel de burcht

en de stad deelden in haar smart. ’s Morgens werd het lijk in den dom

tentoongesteld. Gunther verzekerde Chriemhilde dat roovers Siegfried

hadden gedood, maar toen Hagen de baar naderde begon de wond van den

vermoorde opnieuw te bloeden.

Koning Siegmund trok in diepen rouw naar Xanten terug; Chriemhilde

evenwel bleef daar, waar haar Siegfried was begraven. Drie jaren lang

verwaardigde zij Gunther met geen woord, Hagen met geen blik.

Om hun zuster te verzoenen, lieten de broeders den schat der Nibelungen

naar Worms overbrengen en in gewelven en torens bewaren. Nu schonk de

treurende vrouw mild daarvan weg aan allen, die nood leden. Hagen zag

dat met wantrouwen en maakte Gunther erop opmerkzaam dat zij op die

wijze een heel leger aanwierf. De sleutels werden haar afgenomen en

toen zij zich daarover diep beklaagde, liet Hagen den ganschen schat in

den Rijn zinken.

Van den tijd af dat de schat der Nibelungen in handen der Bourgondiërs

was gekomen, werden deze laatsten zelven gewoonlijk de Nibelungen

genoemd.

Goden- en Heldensagen · 第 73 / 74 题