Tien jaar verliepen; toen wist Brunehilde, die er zich over
verwonderde, dat Siegfried, als leenman, nooit aan het hof verscheen,
Gunther over te halen een gezantschap af te zenden om hem en zijn vrouw
naar Worms te noodigen. Gaarne gaven dezen aan de uitnoodiging gehoor;
ook de oude koning Siegmund reed meê in het gevolg.
Te Worms volgde het eene feest op het andere. De ridders oefenden zich
dagelijks op het burchtplein in het wapenspel, en de beide vorstinnen
zagen daarbij toe. Eens roemde Chriemhilde haar gemaal, hoe hij boven
allen uitmuntte en de dapperste en schoonste was. Brunehilde bleef met
Gunthers lof niet achter. Maar haar schoonzuster somde al maar nieuwe
deugden van Siegfried op, tot Brunehilde antwoordde, dat hij zich met
koning Gunther toch niet meten kon, omdat hij immers slechts diens
leenman was. Dat trof Chriemhilde diep, en zij nam zich voor metterdaad
te bewijzen, dat het anders was.
Dien avond begaven, als gewoonlijk, beide vorstinnen zich naar de kerk
om er den vesperdienst bij te wonen. Maar, anders dan gewoonlijk,
gingen zij niet samen; met een groot gevolg van dienaressen schreed
ieder afzonderlijk op het kerkgebouw toe. Brunehilde was het eerst aan
den ingang van het bedehuis; zij wachtte Chriemhilde af en beval haar
te wachten tot zij zelve binnen zou zijn gegaan. Toen ried Chriemhilde
haar aan zich wat minder trotsch te toonen; zij zou haar bewijzen, dat
niet Gunther, maar Siegfried haar had overwonnen! En fier schreed zij
met haar gevolg Brunehilde voorbij, die gegriefd en toornig, met tranen
van spijt in de oogen, als verlamd was door den slag, die haar zoo
plotseling werd toegebracht. Na de godsdienstoefening bleef zij weer
bij den ingang staan en verlangde van Chriemhilde het bewijs van haar
woorden. En dat bewijs werd haar geleverd! Toen klaagde en jammerde
Brunehilde, en de trouwe Hagen besloot de smart van zijn meesteres op
Siegfried te wreken.
Allereerst diende men te weten, waar de wondbare plek aan Siegfrieds
lichaam was. Hagen liet het gerucht verspreiden, dat Ludegeer en
Ludegast, die men vrij had gelaten, opnieuw met oorlog dreigden.
Siegfried bood zich, zooals hij verwacht had, ook aan voor den tocht.
Toen de toerustingen gereed waren, nam Hagen afscheid van Chriemhilde.
Zij, wat angstig door alles wat er gebeurd was, verzocht hem op
Siegfried te letten in het strijdgewoel; en opdat hij des te beter hem
zou kunnen beschermen, gaf zij met een klein kruis op den wapenrok de
plaats aan, waar haar man alleen wondbaar was. Daarom was het Hagen te
doen geweest; hijzelf had haar den raad gegeven zóó te handelen. Nu was
de veldtocht niet meer noodig; boden kwamen en spraken de vroegere
geruchten tegen. In plaats van ten oorlog zou men nu ter jacht gaan.
Maar weenend trachtte Chriemhilde Siegfried van de jacht terug te
houden; zij had gedroomd dat twee wilde zwijnen hem najoegen over de
heide en dat de bloemen rood werden gekleurd van bloed, dat twee bergen
over hem heen vielen en hem voor altijd aan haar oog onttrokken. Maar
in het argelooze hart van Siegfried was voor wantrouwen jegens zijn
verwanten geen plaats, en welgemoed reed hij uit ter jacht.
Juist toen voor den maaltijd werd geblazen, kreeg Siegfried een grooten
beer in het oog. Hij sprong van zijn paard, ving het dier levend en
bond het op zijn zadel. Zóó kwam hij op de plaats waar gegeten zou
worden. Daar liet hij den beer los, die een groote ontsteltenis
veroorzaakte en een geweldige verwarring stichtte, maar ten slotte door
Siegfried met zijn zwaard werd afgemaakt.
Toen kon dus eindelijk de maaltijd beginnen; eten was er genoeg, maar
aan drinken was gebrek. Hagen wendde voor dat de lastdieren met den
wijn bij vergissing naar een ander gedeelte van het woud waren
gezonden. Maar hij wist in de nabijheid een heldere bron; hij sloeg een
wedloop daarheen voor: de vlugge Siegfried kon dan meteen de snelheid
van zijn voeten doen bewonderen. Siegfried nam de uitdaging aan; hij
legde niet eens zijn wapenrusting af. En toch kwam hij het eerst aan
het doel; hij wachtte echter tot Gunther was aangekomen en had
gedronken; toen bukte ook hij zich over het water. Op dit oogenblik
greep Hagen Siegfried’s scherpe speer en joeg haar op de gemerkte plek
den held diep in den schouder. Siegfried sprong op en wierp zoo forsch
zijn schild naar Hagen, dat deze ter aarde stortte. Toen echter begaven
hem de krachten en stervend viel hij neer, Chriemhilde in de zorgen van
haar broeder aanbevelend. Hagen beroemde zich openlijk op zijn daad;
hij liet den vermoorde in den nacht voor Chriemhilde’s kamer leggen,
zoodat zij hem den volgenden morgen, als zij ter mis ging, moest zien.
Groot was haar jammer, toen zij haar verlies bemerkte; geheel de burcht
en de stad deelden in haar smart. ’s Morgens werd het lijk in den dom
tentoongesteld. Gunther verzekerde Chriemhilde dat roovers Siegfried
hadden gedood, maar toen Hagen de baar naderde begon de wond van den
vermoorde opnieuw te bloeden.
Koning Siegmund trok in diepen rouw naar Xanten terug; Chriemhilde
evenwel bleef daar, waar haar Siegfried was begraven. Drie jaren lang
verwaardigde zij Gunther met geen woord, Hagen met geen blik.
Om hun zuster te verzoenen, lieten de broeders den schat der Nibelungen
naar Worms overbrengen en in gewelven en torens bewaren. Nu schonk de
treurende vrouw mild daarvan weg aan allen, die nood leden. Hagen zag
dat met wantrouwen en maakte Gunther erop opmerkzaam dat zij op die
wijze een heel leger aanwierf. De sleutels werden haar afgenomen en
toen zij zich daarover diep beklaagde, liet Hagen den ganschen schat in
den Rijn zinken.
Van den tijd af dat de schat der Nibelungen in handen der Bourgondiërs
was gekomen, werden deze laatsten zelven gewoonlijk de Nibelungen
genoemd.