Dertien jaren nog bleef Chriemhilde te Worms. Toen zond de Hunnenkoning
Etzel (Atilla) den markgraaf Rudigeer en dong naar haar hand. Eerst
weigerde zij het aanbod, maar toen Rudigeer haar de hoop voor
spiegelde, dat zij zich met de hulp der Hunnen op haar vijanden zou
kunnen wreken, ontkiemde bij haar het plan om langs dezen weg de
moordenaars van Siegfried te straffen. Zij stemde toe en trok, zeer
tegen den zin van Hagen, met een groot geleide naar de Etzelnburcht om
er de vrouw van den grooten Hunnenkoning te worden.
Weer verliepen dertien jaren; toen liet Chriemhilde door haar gemaal de
Bourgondiërs tot een bezoek uitnoodigen. Hagen, die het plan der
koningin doorzag, ried den tocht af. Maar toen men hem van vrees
beschuldigde, dreef hij, in zijn trots gekrenkt, de reis zelf door en
beval zijn leenmannen zich gereed te houden. Sierlijk uitgerust brak
het leger op. Den twaalfden dag kwam men aan den Donau, die sterk
gezwollen was, terwijl brug noch schip den overtocht mogelijk maakte.
Hagen maakte zich op om een veerman te zoeken. Plotseling hoorde hij
geplas in het water en toen hij naderbij kwam, zag hij een paar
nymphen, die zich baadden in een heldere bron. Hij nam haar kleeren
weg; om die terug te krijgen, beloofden zij hem den afloop van den
tocht te voorspellen. Een voorspoedige reis stelde de eerste in het
vooruitzicht; maar toen hij daarop de kleederen had teruggegeven,
waarschuwde de tweede hem ernstig voor de onderneming; alleen Gunther’s
kapelaan zou behouden naar huis terugkeeren; alle anderen zouden den
dood vinden in het Hunnenland.
Spoedig daarop vond Hagen een veerman, die echter weigerde de
Nibelungen over te zetten. Hagen sloeg hem dood, sprong in zijn
vaartuig en roeide zelf zijn makkers naar den overkant. Toen zijn oog
op den kapelaan viel, bekroop hem de lust de proef te nemen omtrent de
betrouwbaarheid van de voorspelling, die de nymphen hem gedaan hadden.
Hij wierp den niets vermoedende overboord; maar behouden bereikte die
weer den oever. Toen begreep Hagen, dat de ondergang der Nibelungen
onafwendbaar was; hij vernietigde het schip en deelde zijn
tochtgenooten meê, wat hun boven het hoofd hing. Een benauwde vrees
maakte zich van hun harten meester, maar het was nu niet meer de tijd
om terug te keeren.
Bijna een week lang vertoefden de Bourgondiërs bij markgraaf Rudigeer;
Giselheer verloofde zich met diens dochter. Daarop werd de reis
vervolgd. Toen men in de nabijheid van de burcht van Etzel was
aangekomen, kwam Diederik van Bern, die met zijn Goten bij de Hunnen
leefde, de gasten tegemoet; hij waarschuwde de Bourgondiërs, want nog
altijd, vertelde hij hun, treurde Chriemhilde om het verlies van
Siegfried. De koningin zelve stond verlangend op den uitkijk en
verheugde zich in haar hart erover, dat het uur van de wraak nu spoedig
zou zijn aangebroken. Niet allen begroette zij even hartelijk; voor
Hagen was dat weer een teeken van het gevaar, dat dreigde. Zij vroeg
hem naar den schat der Nibelungen; hij had aan schild en harnas, aan
zwaard en helm genoeg te dragen gehad, antwoordde hij bitter. En
weenend keerde Chriemhilde in haar paleis terug. Toen plaatste zich
Hagen met zijn vriend Volker op een steenen bank, juist tegenover de
kamer van de koningin. Uit het venster zag deze haar doodsvijand
zitten. Vurig smeekte zij haar getrouwen hèm te straffen, die zóóveel
jammer over haar had gebracht. Dadelijk wapenden zich vierhonderd
Hunnen en aan hun hoofd betrad de koningin het slotplein. Maar kalm
bleef Hagen voor de vertoornde Chriemhilde zitten, Siegfrieds zwaard
vóór zich op de knie. Toen zij hem verweet, dat hij haar man vermoord
had, bekende hij luide en openlijk zijn daad en tartte wie maar wilde,
wraak op hem te nemen. Maar de Hunnen, bang voor een held als Hagen,
trokken zwijgend af.
Door Etzel werden de Bourgondiërs gastvrij ontvangen en feestelijk in
de groote ridderzaal onthaald. Maar met bange vrees begaven de gasten
zich ter ruste en uit voorzorg hielden Hagen en Volker de wacht. De
laatste speelde zijn makkers in slaap; toen maakte hij zich tot
bijstand van Hagen gereed. In het holle van den nacht zagen zij helmen
flikkeren in de diepe duisternis; het waren Hunnen, door Chriemhilde
gezonden om de wraak te voltrekken. Maar toen zij aan de deur de
dappere wachters zagen, keerden zij stil terug en lieten de slapenden
ongemoeid.
Den volgenden dag werd een tournooi gehouden, waarbij Volker een
Hunnenridder doodde met zijn speer. Woedend over dien smaad, snelden
dreigend de Hunnen toe, maar Etzel kwam tusschenbeide en gebood met
forsche stem vrede: de daad was immers niet opzettelijk geschied.
Vóór men aan tafel ging trachtte Chriemhilde Diederik van Bern tot een
overval van de Bourgondiërs over te halen; maar hij wees met
verontwaardiging een dergelijke schending van de gastvrijheid af.
Blodelijn, een broeder van Etzel, liet door groote beloften zich
eindelijk overreden met de slachting een begin te maken. Terwijl in de
ridderzaal de maaltijd werd gebruikt, trad hij met een schaar
gewapenden het gebouw binnen, waar Dankwaart met een aantal ridders
gehuisvest was. Vriendelijk trad de maarschalk op hem toe; maar
Blodelijn eischte strijd. Toen sprong Dankwaart op hem toe en hieuw den
Hun met een enkelen slag het hoofd af. Een woedend gevecht ontspon zich
daarop tusschen de Hunnen en de Nibelungen, die allen omkwamen.
Dankwaart alleen sloeg zich door de vijanden heen en bereikte al
vechtend Etzels eetzaal. Met het blanke zwaard in de vuist vertoonde
hij zich op den drempel en riep Hagen toe: „Te lang reeds zit ge hier
en weet niet van onzen nood; de ridders en ruiters liggen verslagen in
hun zaal!” Hagen stond op en beval hem den uitgang goed te bewaken; nu
was de tijd aangebroken om aan Chriemhilde den vriendschapsdronk te
wijden. Zoo sprekend doodde hij door een slag met zijn zwaard Etzels
zoon Ortlieb, en gaf daardoor het sein tot een algemeen gevecht. Moord
en doodslag vervulden de zaal. Aan Dankwaarts zijde trad Volker om aan
den binnenkant de vlucht der Hunnen te verhinderen; „thans is de zaal
goed gesloten,” riep hij den Nibelungen toe, „want vier heldenvuisten
winnen het van duizend grendels.”
In doodsangst vroeg Chriemhilde Diederik van Bern om hulp. Hij sprong
op een tafel en wenkte om stilte; toen gebood Gunther stilstand van
wapenen. Diederik eischte nu, dat men hem en de zijnen vrijheid zou
geven zich uit het strijdgewoel te verwijderen. Toen Gunther zijn
verzoek inwilligde, verliet hij met Chriemhilde en Etzel de zaal,
gevolgd door nog zeshonderd andere ridders; ook Rudigeer met de zijnen
kregen verlof om ongehinderd heen te gaan. Nauwelijks echter waren zij
weg of opnieuw ontvlamde de krijg, en niet lang duurde het of alle
Hunnen binnen de zaal lagen verslagen ter aarde. De Bourgondiërs
rustten op de lijken uit van het gevecht en verlangden vrijen aftocht;
die werd hun toegestaan op voorwaarde dat Hagen aan Chriemhilde zou
worden uitgeleverd. Met verontwaardiging echter werd dat geweigerd.
Toen liet Chriemhilde alle uitgangen van het paleis door krijgers
bezetten en het gebouw aan de vier hoeken in brand steken. Rook en
hitte en de van het dak neerstortende balken brachten de Bourgondiërs
in grooten nood; toch sloegen zij moedig elken nieuwen aanval van de
Hunnen af.
Toen de morgen aanbrak, eischte Etzel Rudigeer op, om tegen de
Nibelungen te strijden; deze echter weigerde en wilde liever alle hem
geschonken leenen teruggeven. Nu herinnerde Chriemhilde hem aan den
vroeger gedanen eed, om haar tegen al haar vijanden bij te staan.
Treurig wapende zich nu de held en mengde zich met zijn mannen in den
strijd. Hagen toonde hem het schild, dat hij eens uit de handen van
Rudigeer’s vrouw ten teeken van gastvriendschap had ontvangen en sprak:
„Zie hoe het uit elkaar hangt; het kan mij niet meer beschutten!” Toen
nam Rudigeer zijn eigen schild van den arm en reikte het den held.
Hagen en Volker zwoeren beiden den edelen markgraaf in het gevecht te
zullen sparen; maar door den stervenden Geernot doodelijk getroffen,
stortte hij neer bij de lijken van al zijn getrouwen. Stuk voor stuk,
in verbitterden kamp, werden de Bourgondische helden door hun vijanden
afgemaakt; Hagen en Gunther alleen bleven over. Maar ook de Hunnen
leden geweldige verliezen en van de mannen van Diederik van Bern, die
ten slotte ook hadden ingegrepen in den strijd, restte weldra alleen
nog Diederik’s wapenmeester Hildebrand. Toen bood Diederik vrede, als
Hagen en Gunther zich aan hem wilden overgeven; de helden weigerden.
Zwaar gewond werd daarop Hagen door den Gotenvorst gevangen genomen en
naar de koningin gebracht. Ook Gunther werd door Diederik bedwongen en
geboeid in een kerker geworpen.
Chriemhilde beloofde Hagen het leven te zullen schenken, wanneer hij
haar zeide, waar de schat verborgen lag; hij echter antwoordde, dat hij
had gezworen het geheim te bewaren, zoolang een van zijn meesters nog
in leven was. Toen zond zij mannen af naar Gunthers kerker en liet haar
broeder onthoofden. „Thans,” sprak echter Hagen, „zult gij nooit de
plaats vernemen, die buiten mij slechts God nog kent!” Toornig hief nu
Chriemhilde Siegfrieds zwaard op en sloeg den weerlooze het hoofd af.
Maar de oude Hildebrand kon het niet verdragen, dat een vrouw den
dappersten der helden had verslagen; woedend sprong hij op haar toe en
doodde haar met een slag van zijn geweldig zwaard. Haar lijk lag naast
dat van haar doodsvijand. Zoo eindigde het feest; uit vreugde was diepe
rouw geboren.