[Het Nibelungenlied.] Te Worms aan den Rijn, in het rijk der
Bourgondiërs, groeide de schoone Chriemhilde op; zij was een zuster van
de koningen Gunther, Geernot en Giselheer. Beroemde helden leefden aan
het hof: Hagen van Tronje en zijn broeder Dankwaart, de maarschalk; ook
de zanger Volker van Alzey, die speer en schild even vaardig wist te
hanteeren als het speeltuig. Eens droomde Chriemhilde dat een mooie
valk, dien zij zelve had groot gebracht, door twee arenden gegrepen
werd; dat zou wijzen op een edelen man, dien zij vroeg zou verliezen.
Maar Chriemhilde nam zich voor ongetrouwd te blijven en velen dongen
vergeefs naar haar hand.
Toen Siegfried van de schoone Chriemhilde hoorde, wilde ook hij een
kans wagen. Met schitterend gevolg reed hij naar Worms; maar langer dan
een jaar vertoefde hij aan het hof zonder de prinses te zien. Toen brak
strijd uit met de koningen Ludigeer van Saksenland en Ludegast van
Denemarken. Siegfried bood aan in Gunthers leger meê ten oorlog te
trekken. Hij overwon de beide vorsten en bracht hen gevankelijk naar
Worms. Een groot feest werd aangericht om de overwinning te vieren;
daarbij zou Siegfried voor het eerst de mooie jonkvrouw aanschouwen.
Op IJsland woonde koningin Brunehilde; wie haar man wilde worden, moest
haar overwinnen in het slingeren van de speer, het werpen met den
steen, en in den sprong; leed hij de nederlaag, dan verloor hij zijn
leven. Reeds menige held had zoo den dood gevonden. Toch besloot koning
Gunther naar Brunehilde’s hand te dingen en beloofde aan Siegfried zijn
zuster Chriemhilde, als hij hem in zijn pogingen wilde helpen.
Siegfried ging op dit voorstel in; prachtig uitgerust voeren Gunther,
Siegfried, Hagen en Dankwaart op een schip den Rijn af naar zee, en
bereikten in twaalf dagen IJsland. Bij den intocht op de burcht
begroette Brunehilde Siegfried het eerst; hij echter verklaarde dat
deze eer aan Gunther toekwam, voor wiens leenman hij zich uitgaf.
Daarop maakte hij haar met ’s konings voornemen bekend en Brunehilde
rustte zich toe tot den strijd. Zij greep haar schild, dat vier mannen
met moeite aan konden dragen, en wierp een geweldig zware speer met
zooveel kracht tegen dat van Gunther, dat hij en Siegfried, die,
onzichtbaar door zijn tarnkappe, den koning bijstond, struikelden en
beiden dreigden te vallen. Maar met grooter kracht nog wierp Siegfried
de speer naar de koningin terug, de punt naar achteren, opdat hij haar
niet zou kwetsen. Brunehilde stortte ter aarde, maar onmiddellijk
sprong zij weer op, wierp den zwaren steen twaalf roeden ver, en deed
daarop een forschen sprong, het werptuig na, zoodat helm en pantser
dreunend weerklonken. Maar Siegfried wierp den steen nog verder en
droeg den koning in den sprong ver voorbij de plaats, waar Brunehilde
was neergekomen. Zoo was de overwinning bevochten en de bruid gewonnen;
op denzelfden dag werden beide huwelijken voltrokken, dat van Gunther
met Brunehilde en dat van Siegfried met Chriemhilde. Maar Brunehilde
was treurig op den dag van het feest; het deed haar pijnlijk aan, dat
Chriemhilde de vrouw werd van den dapperen Siegfried, dien zij zoozeer
bewonderde. Eenigen tijd nog vertoefde Siegfried met zijn jonge gemalin
aan het hof der Bourgondische koningen; toen keerde hij met haar naar
Xanten terug, waar zijn vader de regeering aan hem overdroeg.