I. SIEGFRIED.

Te Xanten in de Nederlanden woonde koning Siegmund met zijn vrouw

Siegelinde; zij hadden een zoon Siegfried genaamd. De knaap was

angstwekkend sterk, en daarom zond zijn vader hem de wereld in. Al

zwervend kwam hij bij een smid, die hem als leerling aannam. Hij bleek

echter onbruikbaar; hij deed zijn hamer zoo forsch op het aanbeeld

neerkomen, dat dit in den grond werd gedreven als een spijker in week

hout. Toen grepen schrik en ontzetting zijn meester aan en hij wenschte

den al te sterken gast zoo spoedig mogelijk weer kwijt te raken. Hij

zond hem naar een bosch om houtskool te branden; maar in dat bosch

huisde een draak, die, hoopte hij, Siegfried zou verslinden. De

jongeman echter doodde en verbrandde het monster; met het gesmolten

hoorn van zijn huid bestreek hij zich het lichaam en werd zoo

onkwetsbaar, behalve op één plaats tusschen de schouders, waarop een

lindeblad was neergekomen.

’s Avonds keerde Siegfried naar de smidse terug, drukte de deur in

omdat men hem niet opendeed, en versloeg zijn meester. Daarop rakelde

hij het vuur op, trok den blaasbalg en smeedde zich een goed zwaard.

Toen toog hij verder.

Na menig lotgeval kwam Siegfried in het land der „Nibelungen.” Daar

leefden de twee zonen van den gestorven koning in twist over de

verdeeling van den schat, door hun vader nagelaten. Deze schat, uit

louter goud en edelgesteenten bestaande, lag in een bergholte en werd

door den dwerg Alberik bewaakt.

Zoodra Siegfried was aangekomen, verlangden de koningszonen, dat hij

den schat eerlijk zou verdeelen, en gaven hem bij voorbaat het beroemde

zwaard Balmung tot belooning. Maar zij waren met zijn uitspraak niet

tevreden en overvielen hem met twaalf reuzen. Hij echter versloeg ze

alle twaalf, benevens de beide koningszonen. Met den dwerg Alberik

bleef hij nog in een langdurig gevecht, waarvan het einde was dat hij

hem een onzichtbaar makende mantel, de „Tarnkappe”, ontroofde en hem

ten slotte overwon.

Voordat Siegfried van dit land scheidde om naar zijn vaderland terug te

keeren, liet hij den overwonnene, die hem trouw had gezworen, als

wachter bij den schat achter; de tarnkappe echter nam de held meê.

Goden- en Heldensagen · 第 71 / 74 题