Te Xanten in de Nederlanden woonde koning Siegmund met zijn vrouw
Siegelinde; zij hadden een zoon Siegfried genaamd. De knaap was
angstwekkend sterk, en daarom zond zijn vader hem de wereld in. Al
zwervend kwam hij bij een smid, die hem als leerling aannam. Hij bleek
echter onbruikbaar; hij deed zijn hamer zoo forsch op het aanbeeld
neerkomen, dat dit in den grond werd gedreven als een spijker in week
hout. Toen grepen schrik en ontzetting zijn meester aan en hij wenschte
den al te sterken gast zoo spoedig mogelijk weer kwijt te raken. Hij
zond hem naar een bosch om houtskool te branden; maar in dat bosch
huisde een draak, die, hoopte hij, Siegfried zou verslinden. De
jongeman echter doodde en verbrandde het monster; met het gesmolten
hoorn van zijn huid bestreek hij zich het lichaam en werd zoo
onkwetsbaar, behalve op één plaats tusschen de schouders, waarop een
lindeblad was neergekomen.
’s Avonds keerde Siegfried naar de smidse terug, drukte de deur in
omdat men hem niet opendeed, en versloeg zijn meester. Daarop rakelde
hij het vuur op, trok den blaasbalg en smeedde zich een goed zwaard.
Toen toog hij verder.
Na menig lotgeval kwam Siegfried in het land der „Nibelungen.” Daar
leefden de twee zonen van den gestorven koning in twist over de
verdeeling van den schat, door hun vader nagelaten. Deze schat, uit
louter goud en edelgesteenten bestaande, lag in een bergholte en werd
door den dwerg Alberik bewaakt.
Zoodra Siegfried was aangekomen, verlangden de koningszonen, dat hij
den schat eerlijk zou verdeelen, en gaven hem bij voorbaat het beroemde
zwaard Balmung tot belooning. Maar zij waren met zijn uitspraak niet
tevreden en overvielen hem met twaalf reuzen. Hij echter versloeg ze
alle twaalf, benevens de beide koningszonen. Met den dwerg Alberik
bleef hij nog in een langdurig gevecht, waarvan het einde was dat hij
hem een onzichtbaar makende mantel, de „Tarnkappe”, ontroofde en hem
ten slotte overwon.
Voordat Siegfried van dit land scheidde om naar zijn vaderland terug te
keeren, liet hij den overwonnene, die hem trouw had gezworen, als
wachter bij den schat achter; de tarnkappe echter nam de held meê.