[V.] Door tegenwind werd Aeneas genoodzaakt nog eens op Sicilië te
landen. Ter viering van de nagedachtenis van Anchises werden hier
groote spelen gehouden. Nadat het offer gebracht was en de
feestgenooten verzameld waren, opende een roeiwedstrijd de reeks van
vermaken. Toen volgde de wedloop, daarna het vuistgevecht. Ook in het
boogschieten werd de vaardigheid beproefd; aan een langen mast werd een
duif gebonden, die, losgeraakt door een welgemikt schot, hoog in de
wolken door den laatsten schutter toch nog werd getroffen. Een aantal
caroussel-figuren, door de jongere Trojanen onder het bewonderend oog
van hun ouders sierlijk gereden, besloten het feest.
Toen werd de vreugde plotseling verstoord. Want Juno zond Iris in de
gedaante van een Trojaansche onder de andere vrouwen, om haar te
overreden de schepen in brand te steken, opdat er nu eindelijk een
einde aan de omdolingen zou komen. Een hevige regen, op Aeneas’ gebed
door Jupiter gezonden, bluschte het vuur, maar vier schepen waren door
de vlammen verteerd. Niet allen zouden de reis nu kunnen vervolgen; de
zwakkeren moesten op Sicilië achtergelaten worden.
Toen dien nacht Aeneas, vermoeid van den veelbewogen dag, in rustigen
slaap neerlag, verscheen hem de schim van zijn vader Anchises en
noodigde hem uit om, als hij in Italië zou zijn gekomen, allereerst hèm
in de onderwereld op te zoeken. Nadat voor wie achtergelaten werden een
nieuwe stad was gesticht, stak men in zee. Op Venus’ voorspraak effende
Neptunus de golven en over het kalme watervlak voer men nu eindelijk op
Italië toe.
[VI.] Bij Cumae werd geland. Daar vernam Aeneas van een Sibylle wat hij
te doen had om zich toegang tot de onderwereld te verschaffen. Een
gouden tak moest dienen tot een geschenk voor Prosèrpina; duiven wezen
hem den weg en de twijg werd geplukt. Nadat ook nog het vereischte
offer was gebracht, werd onder geleide van de Sibylle de tocht
aanvaard. In het voorportaal van Hades’ woning troffen zij vele sombere
gedaanten aan: rouw en vrees en allerlei zorgen, ziekten en ouderdom,
honger en gebrek; ook monsters als de Gorgonen en de Harpyen. Aan den
oever van den Styx zweefden in onrustige warreling de schimmen van
onbegravenen, aan wie de toegang tot de onderwereld was ontzegd. Door
Charon, in vieze, slordige plunje, werden zij overgezet; door een
slaapmiddel werd Cerberus tot rust gebracht. Schimmen van jonggestorven
kinderen, van onschuldig ter dood gebrachten, van wie door eigen hand
omgekomen waren, ontmoetten zij eerst. Ook Dido troffen zij hier aan;
onbewogen luisterde zij naar de verontschuldigende woorden van den man,
die haar verlaten had, en vluchtte van hem weg in het schaduwrijke
woud, waar Sychaeus haar troostte over de geleden smart. Zij kwamen
langs den ingang van den Tartarus, omgeven door een vuurstroom en een
drievoudigen muur, afgesloten door een stevige poort, die door een
ijzingwekkende furie werd bewaakt; de Sibylle lichtte haar tochtgenoot
in over het lijden van Tantalus, Sisyphus, de Danaïden en zoovele
anderen, die hier boetten voor vroeger bedreven kwaad. Eindelijk werden
de Elyseesche velden, de verblijven der zaligen, bereikt. Hier voerde
Anchises zijn bezoekers naar een hoogte, van waar hij Aeneas de lange
reeks van zijn nakomelingen toonde, de Romeinsche koningen en daarnaast
Augustus, wiens roemrijke daden reeds nu werden voorzegd; ook de groote
mannen uit den tijd van de republiek, een Caesar en een Pompejus. Nu
voorspelde Anchises zijn zoon de moeite en den strijd, die hem in
Italië wachtten, maar wees hem als troost op de wereldheerschappij, die
het Romeinsche volk zich zou verwerven. Toen was het tijd om te
scheiden, en samen met zijn geleidster keerde Aeneas vol goeden moed
tot de zijnen terug.