[VII–XII.] Men zette nu koers naar den mond van den Tiber en landde in
Latium. Daar regeerde koning Latinus, gehuwd met Amata. Zij hadden een
dochter Lavinia; voorteekenen hadden haar vader beduid, dat zij voor
een vreemdeling, die zou komen, bestemd was, maar door toedoen van haar
moeder was zij met Turnus, den vorst der Rutuliërs, verloofd. Na de
landing begonnen de Trojanen met den bouw van een versterkte stad.
Latinus ontving hen gastvrij en bood Aeneas de hand van zijn dochter;
maar door Juno alweer werden de volken tot vijandschap opgeruid en
rustten zich tot krijg. Aeneas zocht toen hulp bij den Arkadischen
vorst Euander, die zich in Italië had neergelaten; vriendelijk ontving
hem de hoogbejaarde koning en aan het hoofd van een kleinen hulptroep
gaf hij hem zijn eenigen zoon Pallas meê. Evenals eens Achilles, kwam
ook Aeneas in het bezit van een schitterende wapenrusting, door
Vulcanus, op Venus’ bede, voor hem gemaakt.
Intusschen had Turnus herhaaldelijk vergeefsche aanvallen op de
versterking der Trojanen gedaan. Nu naderde Aeneas, die ook een deel
der Etruriërs bereid had gevonden om met hem op te trekken. Turnus
deelde zijn leger, en een heftige strijd ontspon zich na de landing van
Aeneas’ troepen. Pallas sneuvelde in een gevecht met Turnus, en in zijn
droefheid over den dood van den jongen man, die hem maar noode door
zijn grijzen vader was toevertrouwd, woedde Aeneas met groote
verbittering onder zijn tegenstanders en zocht den vorst der Rutuliërs,
om op hem den dood van zijn bondgenoot te wreken. Maar door Juno’s
tusschenkomst werd Turnus ditmaal nog gered. Een wapenstilstand werd
gesloten; van weerskanten werden de dooden begraven en Pallas’ lijk
werd naar Euander teruggebracht; troosteloos en gebroken was de oude
man toen hij zoo zijn eenigen zoon, op wien al zijn hoop voor de
toekomst was gevestigd, uit den strijd zag terugkeeren. Toen men het
gevecht zou hervatten, werd een tweekamp tusschen Aeneas en Turnus
voorbereid; maar door Juno’s toedoen vielen de Rutuliërs op hun
tegenstanders aan en werd de worsteling weer algemeen. Aeneas werd
gewond en Turnus maakte groote vorderingen; toen echter de aanvoerder
der Trojanen zich weer mengde in den slag, keerde de kans, en om den
nood der zijnen bood Turnus zich nu tot een tweestrijd aan. Juno liet
zich eindelijk met den loop der zaken verzoenen door de belofte dat de
Latijnen, ook als Aeneas overwon, hun taal en hun zeden zouden mogen
behouden. Toen was het lot van den Rutuliër beslist. Aeneas’ speer, met
geweldige kracht geslingerd, trof hem in de dij en zwaar gewond zonk
hij neer op den bodem. Op zijn smeekende woorden aarzelde echter de
Trojaan, die zijn zwaard reeds had getrokken. Toen zag hij over den
schouder van den gevallene den riem met gouden knoppen, dien hij zoo
vaak den jeugdigen Pallas had zien dragen; het medelijden week,
doodelijk trof het scherpe staal, en met zijn laatsten zucht vluchtte
Turnus’ leven naar het rijk der schimmen.
Lavinia werd nu Aeneas’ vrouw; de stad, die hij bouwde, werd naar haar
Lavinium genoemd. Van hier uit stichtte Ascanius Alba Longa en van Alba
Longa uit legden Romulus en Remus de grondslagen voor het beroemde
Rome.