VII. DE MOORD DER VRIJERS.

[XVII.] Den volgenden morgen maakte Telèmachos het eerst zich op naar

het koninklijk paleis, waar hij door Penèlope met tranen van blijdschap

werd begroet. Hij moest haar alles vertellen wat hij op zijn tocht had

ervaren en gehoord. Iets later verscheen toen ook Odysseus, een oude

bedelaar weer, door niemand herkend. Alleen een hond, een jong dier nog

toen hij Ithaca verliet, nu oud en verwaarloosd en aan het einde van

zijn leven, herkende zijn meester en kwispelde zwakjes met den staart.

Met smaad werd hij door de minnaars bejegend; Antìnoös, de

onbeschaamdste, wierp zelfs met een voetenbank naar hem en trof hem aan

den schouder. Penèlope echter, die medelijden had met den grijzen

zwerver, liet hem bij zich ontbieden; misschien ook had hij op zijn

omdolingen van Odysseus iets gehoord! Maar uit angst voor de vrijers,

liet hij zeggen, durfde hij niet komen. Een blijder ontmoeting stond

voor de deur.

[XVIII.] Nog een andere bedelaar was gewoon bij de vrijers aalmoezen in

te zamelen. Zelfs hij smaadde Odysseus, door afgunst gedreven, en

tartte hem tot een gevecht. Dat was een nieuwe vermakelijkheid voor de

minnaars, die zich haastig schaarden in een kring en het tweetal daar

binnen post deden vatten. Het kostte Odysseus moeite zich in te houden,

maar hij wilde zich nog niet in zijn volle kracht openbaren. Met één

kaakslag echter deed hij zijn tegenstander neertuimelen in het stof en

legde hem voor langen tijd het stilzwijgen op. Ook tot Penèlope drong

het gerucht van dien wonderlijken tweestrijd door. Zij daalde af uit

haar bovenvertrek en vertoonde zich te midden der vrijers. Niet zóó,

sprak zij, placht men een vrouw zich te winnen. Rijke geschenken werden

dan gegeven, maar haar goed werd niet al bij voorbaat verbrast! „Rijke

geschenken zullen u geworden,” was het antwoord der vrijers, en zij

stuurden dienaren naar hun woningen om ze te halen. Odysseus intusschen

genoot van den aanblik van zijn vrouw, verheugde zich over haar

slimheid en de fierheid van haar houding en verlangde te sterker naar

het oogenblik, dat hij zich aan haar kenbaar zou kunnen maken. Maar

nieuwen hoon had hij eerst nog te verduren toen het maal weer werd

aangericht en de vrijers hem weer tot het mikpunt van hun moedwil

maakten.

[XIX.] De dag echter, waarop hij zich wreken zou, was nu aanstaande.

Toen de zaal na den maaltijd was leeggeloopen, bracht Telèmachos,

geholpen door Odysseus, alle wapens weg, opdat de vrijers weerloos

zouden zijn als het strafgericht zou beginnen. Nog eens daalde toen

Penèlope af uit haar bovenvertrekken; de gedachte, dat de vreemde

zwerver iets van haar echtgenoot kon hebben gehoord, liet haar geen

rust. Tegenover haar neergezeten, vertelde hij haar nu hoe hij, jaren

geleden, Odysseus op zijn heenreis naar Troje in het land van zijn

vader had ontmoet, en gaf haar de verzekering, dat hij terug zou keeren

en wraak zou nemen voor alles, wat zij had geleden. Haar trouwste

dienares gaf zij order den bedelaar met zorg te verplegen en zij, zijn

voedster, herkende haar pleegkind aan een litteeken, dat zij zag. Maar

hij legde haar streng het stilzwijgen op en zij beloofde het geheim te

bewaren.

[XX.] Een onrustige nacht volgde. Penèlope, die meende dat zij niet

lang meer aan het doen van een keuze zou kunnen ontsnappen, sliep laat

pas in en was vroeg al weer wakker. En ook Odysseus kon den slaap niet

vatten; fel brandde de toorn in zijn hart en allerlei wraakplannen

warrelden vaag in zijn hoofd dooreen. De morgen brak aan, en van alle

kanten dreven herders hun beesten aan voor het maal van de vrijers.

Duchtig werd er gegeten en gedronken; dapper werd weer de arme bedelaar

beschimpt en bespot en van Telèmachos werd geëischt, dat hij zijn

moeder aan zou sporen nu eindelijk dan toch de keuze te doen.

[XXI.] Toen verscheen plotseling Penèlope in de zaal, gevolgd door haar

dienaressen, en sprak: „Welaan, mannen, ik ben bereid één van u als

vrouw te volgen. Begint den wedstrijd, opdat ik zie wie onder u mijn

hand het meest verdient. Hier is de boog, waarvan eens Odysseus zich

bediende; wie uwer daarmeê een pijl kan schieten door de openingen van

twaalf achter elkaar geplaatste bijlen, dien zal ik kiezen tot man.”

Terwijl zij zoo sprak, bracht de zwijnenhoeder boog en pijlen aan, en

sloeg Telèmachos op een rij achter elkaar de bijlen in den grond en

riep de vrijers tot den wedstrijd op. De een na den ander beproefde nu

den geweldigen boog te spannen; maar hoe zij zich inspanden, het wilde

niemand gelukken, ofschoon zij hem ten laatste met vet insmeerden en,

om hem leniger te maken, nog boven het vuur hielden. Terwijl dit in de

mannenzaal voorviel, bleef Odysseus niet werkeloos. Hij wendde zich tot

den trouwen zwijnenhoeder en den koeherder, die niet minder

aanhankelijkheid aan zijn geslacht had betoond, maakte zich aan hen

kenbaar en beval hen de naar de achterzalen voerende deur en de

buitenpoort der burcht zorgvuldig te sluiten. Daarop keerde hij in de

zaal terug, waar de vrijers, mismoedig en slecht geluimd over het

vruchtelooze van hun inspanning, reeds hadden besloten verdere pogingen

tot den volgenden dag uit te stellen. Nu trad Odysseus vooruit en

smeekte als gunst ook eens een poging te mogen doen om den boog te

spannen. De vrijers stonden verstomd over zooveel onbeschaamdheid, maar

Penèlope beval hem den boog te reiken, en beloofde hem, voor het geval

dat hem het proefstuk gelukte, sierlijke kleederen, een speer en een

zwaard; toen verliet zij, op verzoek van Telèmachos, met haar

dienaressen de zaal. Odysseus sloeg nu de hand aan den boog; met

geringe moeite spande hij het reusachtige wapen, en fluitend vloog de

pijl door de twaalf openingen.

[XXII.] Nu was het laatste uur voor de vrijers geslagen; de held stond

in zijn ware gedaante voor zijn vijanden en riep: „De wedstrijd is wel

afgeloopen; maar nu kies ik mij een ander doel, dat geen schutter nog

getroffen heeft!” Zoo dreigende, schoot hij Antinoös een pijl door den

strot, zoodat de beker hem uit de hand viel en hij, ter aarde zinkend,

de tafel met spijzen en wijn omverwierp. Een groote schrik maakte zich

van de vrijers meester: zij zochten naar hun wapens, maar vonden die

niet. Toen namen zij tot verzoenende woorden hun toevlucht en boden

vergoeding voor al de schade, die zij hadden aangericht. Maar Odysseus

wees elk aanbod van de hand; tusschen vluchten en weerstand bieden liet

hij hun de keus en de vlucht zou hun bovendien niet baten, zoo

verzekerde hij hun. Met de tafels als schilden en met getrokken zwaard

drongen de vrijers op hem aan; maar die het waagden waren gedood, voor

ze hem hadden bereikt. Telèmachos haalde schilden en helmen en scherp

gepunte speren, en met de beide trouwe herders plaatste hij zich naast

Odysseus om hem te helpen bij ’t verweer. De pijlen raakten op en de

toestand werd hachelijk, toen de geitenhoeder Melanthios met wapens

voor de vrijers aan kwam dragen.

Athene echter liet haar beschermeling ook nu niet in den steek; zij

sprak hem moed in en deed de speren, die naar het viertal geslingerd

werden, naast hen in deurpost en wanden boren zonder hen te schaden.

Maar van Odysseus en zijn makkers was iedere worp raak. Toen greep

wilde verbijstering de vrijers aan en als runderen, door stekende

horzels vervolgd, als kleine vogels, door gieren opgejaagd, vlogen zij

in alle richtingen door de zaal. Twee van hen slechts spaarde Odysseus,

op voorspraak van Telèmachos, omdat zij tegen hun zin aan de gelagen

hadden deelgenomen. Al de anderen werden geveld; als visschen,

neergeworpen uit het net op het strand van de zee, lagen zij te hoop op

den vloer van de zaal.

Het werk der vergelding was nu voleindigd; de lijken werden naar buiten

gebracht, de tafels gereinigd, de lucht door het branden van zwavel

gezuiverd. Ook werd nog streng gericht gehouden over de dienaressen,

die gemeene zaak met de vrijers hadden gemaakt; de andere werden naar

de zaal ontboden en begroetten met blijde woorden hun teruggekeerden

meester.

[XXIII.] Intusschen had de trouwe voedster, die ’t eerst Odysseus had

herkend, Penelope gewekt uit den rustigen slaap, waarin Athene haar

gedompeld had. Zij wilde het blijde nieuws niet gelooven, zij werd er

boos om dat men haar wekte uit den sluimer, waarin zij al haar ellende

had vergeten. Maar ’t was geen verzinsel, verzekerde haar de voedster.

Toen sloeg zij haar armen om den hals van de oude, die alles moest

vertellen wat zij had gehoord en gezien; hoe had Odysseus alleen

zoovelen kunnen verslaan? En Eurykleia verhaalde hoe zij hem gezien

had, bebloed en bevuild, maar fier als een leeuw te midden van de

verslagenen. Toch kwam weer de bange twijfel boven; zou het geen god

geweest zijn, die de vrijers had gedood? Zij liet zich echter meêtronen

naar de zaal en zette zich tegenover Odysseus neer, altijd nog huiverig

om het gehoopte te gelooven. Maar langzamerhand, door verschillende

teekenen, kwam het zekere herkennen; toen maakte onzeggelijke

blijdschap zich van haar meester en gaf zij eindelijk zich over aan

haar herwonnen geluk. Veel hadden zij elkaar te vertellen, zij over al

wat zij had geleden tijdens zijn afwezigheid, hij over zijn

omzwervingen en zijn verlangen naar huis. En toen de morgen aanbrak,

maakte Odysseus zich op om ook zijn ouden vader te bezoeken en hem in

persoon de blijde tijding van zijn terugkomst mede te deelen.

[XXIV.] Hij vond den ouden man in verwaarloosde kleeding bezig in den

boomgaard. Schertsend trad hij op hem toe, prees hem om zijn vlijt,

laakte de weinige zorg, die hij aan zijn uiterlijk besteedde en vroeg

of hij werkelijk op Ithaca was beland en of hij Odysseus daar kon

vinden. Maar toen Laërtes nu in luide jammerklachten uitbrak over het

verlies van zijn zoon, werd het hem onmogelijk zijn rol nog langer te

spelen; de blijde herkenning volgde, het rouwkleed werd afgelegd en na

lange jaren tooide zich de oude weer met vorstelijk gewaad.

Inmiddels hadden de verwanten der vrijers het volk in beroering

gebracht en trokken op tegen Odysseus, om van hem en de zijnen den zoen

te nemen voor de vermoorden. Reeds was men handgemeen geworden toen

Athene, met goedvinden van Zeus, tusschenbeide kwam. Zij bracht de

gemoederen tot rust en weldra was de eendracht hersteld tusschen koning

en volk.

Goden- en Heldensagen · 第 63 / 74 题