(AESCHYLUS: AGAMEMNON, CHOËPHOREN, EUMENIDEN).
[Agamemnon.] Minder blijde dan de thuiskomst van Odysseus was de
terugkeer van Agamemnon. Veel was er sedert zijn vertrek in het
koninklijk paleis veranderd. Boos over het gebeurde in Aulis, leefde
Clytaimnestra er vroolijk samen met haar neef Aigisthos, den zoon van
Thyestes; hij troonde er als heer en meester, onbekommerd over de
mogelijke terugkomst van Agamemnon.
Tijden lang had de wachter op het hooge burchtdak uitgezien naar het
seinvuur, dat van eiland tot eiland en van bergtop tot bergtop den val
van Troje aan Griekenland zou melden. Eindelijk kleurde in de verte de
hemel zich rood van den lang verwachten gloed, en haastig werd aan
Clytaimnestra de blijde boodschap van Troje’s ondergang bericht. De
burgers twijfelden en durfden haar mededeeling nauwelijks gelooven;
vrouwenpraat, meenden zij, gesproten uit lichtgeloovigheid. Maar een
heraut bevestigt het bericht, door de seinvuren overgebracht, en
Clytaimnestra maakt zich gereed om waardig haar terugkeerenden man te
ontvangen.
Hoog op zijn wagen nadert Agamemnon. Naast hem zit Cassandra, Priamos’
dochter. Luide wordt hij toegejuicht; hartelijk wordt hij welkom
geheeten door Argos’ burgers, hartelijk ook door Clytaimnestra begroet.
Zoo bitter had zijn lange afwezigheid haar gesmart; zij had zich zoo
verlaten, zoo onveilig gevoeld; uit angst, dat hem iets kwaads mocht
overkomen, had zij zelfs hun zoon, den kleinen Orestes, naar elders
doen voeren en in het verre land der Phocenzen werd hij opgevoed!
Onuitputtelijk is zij in vleiende bijnamen; zij noodigt hem uit, den
wagen te verlaten, en aan haar dienaressen geeft zij last purperen
kleeden over den bodem uit te spreiden, opdat zijn voet den grond niet
zou beroeren. Langs dat bloedroode pad schrijdt Agamemnon argeloos op
zijn woning toe.
Ook Cassandra wordt uitgenoodigd het paleis binnen te treden. Maar zij
aarzelt; in haar geest ziet zij den moord gebeuren, die voorbereid
wordt, ziet zij in het bad den weerloozen Agamemnon, nadat hem een
mantel over het hoofd is geworpen, door bijlslagen gedood. En zij ziet
ook zich zelve, deelende in het lot van haar Griekschen meester. Lang
blijft zij aarzelen in stomme verbijstering, maar eindelijk daalt zij
van den wagen af en gaat, zich haar lot volkomen bewust, de
koningsburcht binnen.
Weldra klinken doordringende kreten naar buiten, en kort daarop
vertoont zich Clytaimnestra, de bloedige bijl nog in de hand. Dat was
recht doen, juicht zij zegevierend, recht doen over Iphigeneia, de
onschuldig geslachte.
Maar moord om moord, wordt haar voorspeld.
Zij echter jubelt voort: Aigisthos zal haar een schild zijn en een
beschermer, nu de man, die Chryseïs beminde en Cassandra met zich
meêvoerde, samen met die Cassandra, gedood daar neerligt.
Ook Aigisthos komt nu te voorschijn en geeft luide uiting aan zijn
vreugde. Hij was het, die alles had uitgebroed; alleen de uitvoering
had hij aan vrouwenlist overgelaten! En als dreigende stemmen zich
tegen hem verheffen, als wordt gezinspeeld op de wraak van Orestes en
het uitbarsten van een strijd, bij de wederzijdsche verbittering, haast
onvermijdelijk schijnt, treedt Clytaimnestra bemiddelend tusschenbeide
en voert Aigisthos binnen het paleis, waar zij nu voorgoed het rijk
alleen zullen hebben.
[De Choëphoren.] Niet ongestoord echter zou de vreugde blijven. Op last
van Apollo, den god ook van de bloedwraak, trok Orestes uit het land
der Phocenzen naar Argos. Zijn trouwe vriend Pylades vergezelde hem op
zijn tocht. Samen richtten zij zich naar het grafteeken van Agamemnon
en Orestes offerde daar een lok van zijn haar aan de nagedachtenis van
zijn vader. Toen naderde, uit het vrouwenvertrek, een stoet van in het
zwart gekleede dienaressen de plaats, waar Orestes zich ophield; ook
Electra, zijn zuster, was onder het getal. De vrienden traden terug en
verborgen zich achter het grafteeken.
Het was de angst van Clytaimnestra, door droomen gewekt, die de
dienaressen had uitgezonden. Door offers moesten zij trachten de schim
van Agamemnon tot rust te brengen. Maar anders dan haar was opgedragen,
roept Electra, door haar omgeving bovendien daartoe aangespoord,
Agamemnon als beschermer op voor zich en Orestes tegen het geweld van
haar moeder, die ook haar niet beter dan een slavin behandelt. Mocht
Orestes toch wederkeeren en wraak nemen over al het kwaad, dat geschied
was!
Dan ontdekt Electra den haarlok op het graf. Zou het een geschenk van
Orestes zijn, een offer aan den doode? En ook de sporen van voetstappen
ziet zij nu in het zand. Zij durft nog niet hopen; maar plotseling
treedt Orestes te voorschijn en maakt zich aan haar bekend. Als zij op
zijn woord hem niet wil gelooven, toont hij haar zijn kleed, door haar
zelve geweven. En ook deelt hij haar meê, dat hij is gekomen om op
Apollo’s bevel den dood van haar vader op de moordenaars te wreken.
Even later klopt hij, onkenbaar voor de zijnen, aan de poort van het
paleis en zegt, dat hij een gewichtige tijding heeft te melden.
Clytaimnestra zelve treedt hem tegemoet. Hij vertelt haar, dat hij uit
Phocis is gekomen. Onderweg ontmoette hij een man, die, toen hij hoorde
dat zijn weg naar Argos voerde, hem opdroeg aan Orestes’ ouders de
tijding van diens dood te brengen. Hij moest hun vragen of zijn asch
naar Argos moest worden overgebracht, of dat zij wilden dat hij in het
verre land, waar hij gestorven was, ook begraven zou worden. Een knecht
krijgt last Orestes naar de mannenzaal te voeren en te zorgen, dat het
hem daar aan niets ontbreekt; Clytaimnestra zal intusschen met
Aigisthos overleggen.
Weldra richt deze zich zelf naar de plaats, waar Orestes vertoeft. Dan
kondigen luide kreten aan, dat de wraakoefening is begonnen; een knecht
stormt naar buiten en meldt den dood van Aigisthos. Clytaimnestra snelt
toe en begrijpt, wat gebeurd is. En als ook Orestes naar buiten komt en
haar hoort jammeren om Aigisthos, den moordenaar van zijn vader,
schijnt het hem weinig moeite te zullen kosten, zijn taak tot het einde
toe te volbrengen. Maar Clytaimnestra, in haar doodsangst, doet een
beroep op wat hij als zoon voor zijn moeder moet gevoelen. Dan aarzelt
Orestes en vraagt Pylades om raad. Die herinnert hem echter aan de
opdracht van Apollo; alle aarzeling wijkt en ook Clytaimnestra boet met
den dood het wreede welkom, dat zij Agamemnon had bereid.
Het werk van de wraak is dus volbracht. Maar een doodelijke angst komt
nu over Orestes; met folterende onzekerheid kwelt hem de vraag, of hij
goed gedaan heeft of niet. Hij ziet de Erìnyen op zich aanstormen,
zwart gesluierd, met slangen in de haren. Hij kàn niet blijven op de
plaats, die getuige was van den doodslag. En ondanks de geruststellende
woorden van zijn omgeving, die hem tracht te beduiden, dat hij goed
heeft gehandeld en zijn plicht heeft gedaan, ijlt hij weg, als in een
bui van waanzin.
[De Eumeniden.] Wij vinden hem terug aan het altaar van Apollo’s tempel
te Delphi. Om hem heen, in een breeden kring, bevinden zich de Erìnyen,
in diepen slaap nu verzonken. De god zelf reinigt hem van mogelijke
schuld en raadt hem aan naar de stad van Pallas Athene te vluchten,
smeekend daar haar beeld te omvatten, en haar om uitspraak te vragen in
zijn zaak. Aan Hermes draagt hij op, hem veilig te geleiden.
Als Orestes weg is, vertoont zich de schim van Clytaimnestra en wekt de
Erìnyen. Jammerend roepen zij om hun gevluchte prooi, maar Apollo
verjaagt ze uit zijn heiligdom.
Intusschen heeft Orestes Athene bereikt. Terwijl hij aan het altaar
vertoeft dagen de Erìnyen op, doodelijk vermoeid van de snelle jacht.
Dreigend eischen zij zijn bloed, zijn dood. Angstig vlucht Orestes de
trappen op van het altaar tot vlak aan het godenbeeld; en in een kring
weer om hem heen legeren zich de vreeselijke wraakgodinnen.
Dan komt Pallas Athene en hoort beide partijen. Ook zij vindt het
moeielijk een beslissing te nemen; zij draagt dat op aan een rechtbank
van gezworenen, den areopagus, dien zij tot dit doel instelt. Als alle
rechters gestemd hebben, werpt ten slotte de godin zelve ten gunste van
Orestes nog een steentje in de urn; voor en tegen blijken nu bij de
telling gelijk, en dus is Orestes vrijgesproken.
De Erìnyen worden met moeite door Athene met deze beslissing verzoend;
de vereering van de landstreek stelt zij haar in het vooruitzicht, en
als weldoende godinnen, als Eumeniden, houden zij er voortaan verblijf.
[Euripides: Iphigeneia in Tauris.] Volgens een andere lezing lieten de
Erìnyen zich echter niet allen verzoenen; een gedeelte bleef Orestes
vervolgen en nogmaals wendde deze zich tot Apollo. Die geeft hem nu de
opdracht het beeld van zijn zuster uit Tauris te halen en naar Attica
te brengen. Met Pylades weer begeeft Orestes zich op weg en komt met
zijn schip bij Tauris aan. De vrienden besluiten zich te verbergen en
den nacht af te wachten om het beeld te rooven uit den tempel, waarin
Iphigeneia als priesteres voor Artemis dienst doet.
Agamemnon’s dochter had dien nacht gedroomd, dat Orestes was gestorven.
Juist is zij bezig met haar gezellinnen voor hem een doodenoffer te
brengen, als een herder haar komt melden, dat een paar vreemdelingen,
Hellenen, gevangen genomen zijn en nu, naar de gewoonte van de streek,
aan Artemis geofferd moeten worden; zij had dus alles voor die
plechtigheid in gereedheid te brengen. Geboeid worden de mannen
aangebracht. Al vragend en vorschend verneemt Iphigeneia van Orestes,
dat hij uit Mycene kwam, hoort wat aan zoovele Grieken, die naar Troje
waren getrokken, was overkomen, en wat er met Agamemnon bij zijn
terugkeer was gebeurd. Ook verneemt zij, dat Orestes nog leeft; dan
belooft zij hem de vrijheid, als hij een brief voor haar aan haar
moeder wil overbrengen. Orestes weigert; hij zal blijven en Pylades de
boodschapper zijn. Mocht bij een schipbreuk de brief soms omkomen, dan
moest hij mondeling aan Orestes mededeelen, dat ook Iphigeneia, de dood
gewaande, nog in leven is. Driftig vraagt Orestes, waar zij zich dan
bevindt, en als de priesteres zich daarop aan den vreemdeling bekend
maakt, bewijst ook hij haar wie hij is en roept haar hulp in om de
opdracht van Apollo te volbrengen. Dan wordt overlegd, hoe men weg zal
vluchten en het beeld van Artemis met zich meê zal voeren. Als koning
Thoas komt om het offeren van de vreemdelingen bij te wonen, vertelt
Iphigeneia hem dat zij, den tempel betredend, het godenbeeld verwijderd
vond van het voetstuk, waarop het placht te staan. Toen zij de
gevangenen ondervroeg, bleek haar dat beiden aan moedermoord schuldig
waren. Het beeld, door hen aangeraakt, moest nu door zeewater gereinigd
worden en ook de vreemdelingen moesten van hun schuld zoo worden
gezuiverd. Geboeid, opdat zij niet zouden ontvluchten, moest hij ze
haar meêgeven naar het strand en zelf bij den tempel blijven tot zij
weer zou keeren. Zoo doet hij; maar weldra komt een dienaar hem melden,
dat de vreemdelingen op het punt zijn met de priesteres en het beeld in
zee te steken, en als Thoas zich tot de vervolging gereed wil maken,
verschijnt Pallas Athene en gebiedt hem dat na te laten. Hij schikt
zich naar dat bevel en laat de vrienden met Iphigeneia ongehinderd
vertrekken.