VI. HET WEDERZIEN.

[XIII.] De Phaiaken waren in verrukking over al het gehoorde. Nog één

dag vertoefde Odysseus te midden van zijn gastvrienden, hakend naar den

avond, die voor het vertrek was bepaald. Toen die viel, ging hij

scheep. De krachtige, jonge mannen, die hem tot roeiers zouden dienen,

zetten zich aan de riemen, en vlug als een vogel scheerde de lichte

galei over het effen zeevlak. Odysseus zonk in diepen slaap. De dappere

held, die zooveel groote daden had verricht, zooveel lijden had

doorstaan, lag nu, een doode gelijk, en sliep gerust alsof alle

beproevingen slechts een droom waren geweest. Juist toen de morgenster

opging, landde het vaartuig in een bocht van Ithaca. Zelfs de forsche

stoot van den voorsteven op den zandigen oever wekte den held niet uit

zijn vasten slaap en de jongelingen, die den armen zwerver in zijn rust

niet wilden storen, vatten zachtjes de uiteinden aan van het kleed,

waarop hij lag uitgestrekt, en droegen hem voorzichtig aan land. Ook de

geschenken droegen zij uit het ruim en plaatsten ze naast hem onder een

olijfboom, opdat hij ze zou zien zoodra hij ontwaakte. Daarop zetten

zij zich weer op de roeibanken en keerden vroolijk huiswaarts. Maar zij

zouden de hunnen niet terugzien. Door het geleide, aan Odysseus

gegeven, hadden zij Poseidon vertoornd; reeds in het gezicht van

Scheria, het eiland der Phaiaken, raakte hij het vaartuig aan en

veranderde het in een steenklomp. Ook gaat het verhaal, dat het geheele

eiland verzonk in de diepte van de zee.

Ondertusschen sloeg Odysseus de oogen op en zag rond. Overal hing een

dichte nevel en de ongelukkige herkende zijn vaderland niet.

Troosteloos doolde hij rond op de kust en onderzocht den naasten

omtrek. Toen naderde hem Athene in de gedaante van een herdersknaap, de

werpspeer in de hand en sandalen aan den voet. Verheugd bemerkte

Odysseus den knaap en vernam van hem met onuitsprekelijke blijdschap,

dat hij terug was gekeerd in het dierbare, lang verbeide vaderland. Nu

maakte Athene zich aan den held bekend en zette zich met hem neer onder

een ouden olijfboom, om verder raad te plegen. Ofschoon zij hem haar

bijstand beloofde, beval zij hem toch de grootste voorzichtigheid aan,

omdat de vrijers velen in aantal waren. In geen geval, meende zij,

mocht iemand eenig vermoeden koesteren van zijn aankomst, voordat hij

zijn vrienden had leeren kennen en eenige aanhangers heimelijk om zich

had verzameld. Daarom wilde zij zijn voorkomen veranderen, en hem een

kleeding verschaffen, waarin niemand op het geheele eiland den grooten

koning zou vermoeden. Zij beroerde hem met haar staf en terstond

schrompelde het krachtige vleesch ineen, de huid werd stram en vol

rimpels, de trotsche nek boog zich, het bruine, weelderige haar viel

uit en mat keken de oogen, die even te voren nog schitterden van

jeugdig vuur. De lange, schitterende kleedij, die in breede plooien

sierlijk zijn lichaam omgaf, werd tot een gelapte, vuile kiel, en als

mantel hing een oud, versleten schaapsvel over zijn schouders. Ter

voltooiing van het bedelaarspak schonk zij hem nog een viezen, met

moeite samengehouden knapzak en gaf hem een knoestigen stok in de hand.

In deze uitrusting beval zij hem den zwijnenhoeder op te zoeken, die

een der trouwste aanhangers van het koninklijk huis en een aartsvijand

van de vrijers was; van hem zou hij spoedig meer vernemen; zelve wilde

de godin intusschen den jongen Telèmachos tegemoet snellen, die juist

Sparta zou verlaten, en op wiens verderf de vrijers loerden. Zij zou

hun lagen verijdelen en hoopte weldra den jongen man in ’s vaders armen

te kunnen voeren.

[XIV.] Zoo scheidden zij en Odysseus besteeg het steile, ruwe pad over

de boschachtige hoogten in de richting, waarin hem Athene de woning van

den braven zwijnenhoeder Eumaios had gewezen. Gastvrij werd hij daar

ontvangen, voedsel werd hem rijkelijk verstrekt en veel werd gesproken

over den afwezigen meester, den jammerlijk zeker omgekomen Odysseus.

Een lang verhaal van verzonnen avonturen dischte de bedelaar zijn

gastheer op, toen deze hem vroeg naar zijn afkomst en zijn verleden. En

eindelijk, toen de avond daalde, legde Odysseus zich ter ruste, warm

gedekt door een mantel, dien Eumaios hem geleend had.

[XV.] Intusschen spoedde Pallas Athene zich naar Lacedaemonië, om

Telèmachos tot terugkeeren aan te sporen. Zij vond hem wakend in de

voorgalerij van Menelaos’ woning, vlijde zich naast hem neer, noopte

hem de terugreis te aanvaarden en waarschuwde hem voor de hinderlaag,

door de vrijers hem gelegd. Den volgenden morgen al werd afscheid

genomen en den tweeden dag reeds Pylus bereikt. Zonder zelfs het paleis

van Nestor te bezoeken, scheepte Telèmachos zich in. In den stillen

nacht zeilde hij met zijn makkers naar Ithaca terug, terwijl Odysseus

vriendelijk door Eumaios werd onderhouden, die hem nu ook zijn

levensloop verhaalde: hoe Phoenicische kooplieden zijn voedster hadden

overgehaald met hen weg te zeilen, hoe zij hem, toen nog een kind, op

het schip had gelokt, en hoe Laërtes hem had gekocht en in zijn dienst

had gehouden. Tot diep in den nacht praatte de herder door, en toen de

morgen daagde, was ook Telèmachos met zijn makkers behouden op Ithaca

geland. Naar de woning van Eumaios richtte Odysseus’ zoon zijn

schreden.

[XVI.] Vroolijk sprongen de wachthonden hem tegemoet en met groote

hartelijkheid werd hij door den trouwen herder welkom geheeten.

Odysseus kon nauwelijks zijn vreugde bedwingen, toen hij zijn zoon, zoo

kloek en zoo fier, zag binnentreden. Met de nederigheid van een armen

zwerver stond hij op van zijn zetel om den jongen vreemdeling zijn

plaats af te staan, maar de bescheiden Telèmachos weerhield hem en

sprak: „Blijf zitten, vriend, ik zal hier of daar wel een plekje

vinden.” Odysseus zette zich weer neer en de zwijnenhoeder maakte

terstond een nieuw leger gereed van rijs en bokkevellen, waarop

Telèmachos plaats nam. Daarop droeg hij de overblijfselen van den

laatsten maaltijd aan en zette die Telèmachos voor, mengde den wijn

voor zijn gasten en bood vrijgevig alles wat hij bezat. Gedurende den

maaltijd vroeg de jongeling den zwijnenhoeder, welken gast hij daar

gekregen had en hoe die hier was verzeild geraakt. Eumaios antwoordde:

„Hij zegt, dat hij uit Creta stamt en vele reizen heeft gedaan, en

daarbij vele rampen heeft geleden; nu wacht hij op verder geleide: ik

draag hem aan u op; reeds heb ik hem van uw hulpvaardigheid gesproken.”

Spoedig daarop verwijderde zich de herder en ging naar Penèlope, om

deze den gelukkigen terugkeer van haar zoon te melden. Nog oogde

Odysseus door de halfgeopende deur hem na, toen daarbuiten een

jonkvrouw verscheen, die hem tot zich wenkte. De honden kropen

stilletjes weg, maar Telèmachos zag de verschijning niet. Odysseus ried

onmiddellijk de nabijheid van zijn goddelijke beschermster en ging

onder een voorwendsel de deur uit. Nu gebood hem Athene zich aan zijn

zoon bekend te maken, en op hetzelfde oogenblik veranderde hij weer in

den vroegeren Odysseus. Met koninklijke waardigheid trad hij de hut

binnen, die hij kort te voren in lompen had verlaten. Telèmachos

staarde verstomd de heldengestalte aan en het werd hem bang om het

hart; hij dacht, dat een god hem op de proef kwam stellen.

„Vreemdeling,” zoo richtte hij zich tot hem, „hoe anders verschijnt gij

mij thans in kleeding en voorkomen! Ik voel het, mij nadert een god.

Spaar mij, en wees mij genadig; gaarne geef ik u de offers, die u

toekomen.” „Neen!”, riep Odysseus, „ik ben geen god; hoe zou ik aan

onsterfelijken gelijk zijn? Uw vader ben ik, om wien gij zoo lang reeds

treurt, om wien gij zooveel smaad hebt moeten verdragen van overmoedige

mannen. Ik ben Odysseus!” En nu stroomden de tranen en gaven vader en

zoon zich over aan de weelde van het wederzien. Vergeten was in deze

ééne omarming alle ellende van vervlogen jaren, alle tegenspoed en

gevaar, alle smart over zoo dikwijls teleurgestelde hoop; verdwenen was

ook de vrees voor de bezwaren, die wachtten.

Met Telèmachos beraamde nu Odysseus nog de maatregelen, die zij nemen

zouden om de vrijers te straffen, en daarop, toen Eumaios terug was

gekeerd en de avondmaaltijd was gebruikt, legden zij zich allen ter

ruste.

Goden- en Heldensagen · 第 62 / 74 题