Aiolos (Aeolus)

den beheerscher der winden, die ons vriendelijk opnam en ons bij de

afreis een zak meêgaf, waarin de winden, stormen en orkanen waren

opgesloten, opdat zij ons geen letsel zouden kunnen doen. Maar na een

vaart van negen dagen, toen slaap mij bevangen had, openden mijn

gezellen, in het gezicht reeds van de kust van Ithaca, den zak in de

meening dat hij zilver en goud bevatte. De gevangen winden stormden

eruit en zweepten ons vaartuig op de golven rond; wij werden

teruggeslagen in de richting vanwaar wij kwamen en landden ten slotte

weer op het eiland van Aeolus. Uitgeput van vermoeienis en

teleurstelling gingen wij aan wal, en nadat wij ons een weinig met

spijs en drank hadden verkwikt, maakte ik mij opnieuw op naar Aeolus’

paleis. Ik vond den god in den huiselijken kring bezig met den maaltijd

en hij was niet weinig verbaasd, toen hij mij de zaal zag binnentreden.

Hij vroeg vanwaar ik kwam en wat mij overkomen was. Ik verhaalde hem de

onvergefelijke dwaasheid van mijn vrienden en bad om nieuwen bijstand

voor den verderen tocht. Maar Aeolus verhief zich vol ontzetting van

zijn zetel en riep met vreeselijke stem mij toe: „Pak u weg uit mijn

woning! Ik herberg geen man, dien de toorn der goden vervolgt en bied

geen bijstand aan hem, die hun wraak treft!” Met deze barsche woorden

joeg hij mij uit het paleis. Ik snelde naar buiten en keerde diep

bedroefd naar mijn makkers terug. Weer moesten wij het woest geweld der

golven trotseeren en mijn vrienden ontzonk de moed. Zes dagen roeiden

wij rusteloos voort, eindelijk, op den zevenden dag, landden wij bij de

Laistrygonen,

een menschenetend reuzenvolk, dat mij en de mijnen te lijf ging en al

de vaartuigen op één na vernielde. Met dat eene ontkwam ik gelukkig en

bereikte een eiland, dat door de schoone halfgodin

Goden- en Heldensagen · 第 59 / 74 题