[VI.] Toen Odysseus ontwaakte, werd zijn aandacht getrokken door
vroolijke, jeugdige stemmen, niet ver van hem af. Opeens vloog een bal,
blijkbaar verdwaald, tot dicht in zijn nabijheid, terstond gevolgd door
eenige jonge meisjes, die lachend en stoeiend den vluchteling trachtten
te achterhalen. Verbaasd rees Odysseus op; maar de angstige kreten van
de verschrikte meisjes, die op het zien van die woest uitziende en
vervallen gedaante zich snel uit de voeten maakten, bewezen hem maar al
te zeer hoe lijden en ontbering zijn krachtig lichaam hadden gesloopt.
Hij trad vooruit, buiten het geboomte, en zag toen voor zich een
jonkvrouw, die alleen van de velen moedig had stand gehouden. Zij
scheen hem een godin, zoo stralend van jeugd en schoonheid stond zij
daar voor hem.
Het was Nausìcaä, de koningsdochter. Vroeg in den morgen was zij met
haar slavinnen naar het strand gegaan om het linnen te wasschen.
Terwijl de schitterende, rijk geborduurde kleeren lagen te drogen,
hadden de meisjes zich vermaakt met het balspel en een der ballen was
in de nabijheid van Odysseus neergevallen. Vol medelijden schonk
Nausìcaä den moeden zwerver een passend gewaad. Terwijl hij dit
omsloeg, nadat hij eerst op een eenzame plek zich van het vuile
zeewater had gereinigd, gaf Athene haar beschermeling zijn vroegere
kracht en zijn mannelijke houding terug. Vol verbazing zag Nausìcaä
voor de tweede maal den vreemdeling naderen, zooeven nog in zoo
vervallen staat en nu schitterend van hooge waardigheid, een vorst
gelijk.
Toen het tijd was geworden voor de meisjes om naar haar woning terug te
keeren, laadden zij de kleederen en het linnen op den wagen en reden
stadwaarts. Tot de poort vergezelde Odysseus haar, toen echter zonderde
hij zich af en sloeg alleen den weg in naar het paleis van Nausìcaä’s
vader; zoo had de jonkvrouw zelve het van hem begeerd, want zij vreesde
den spot van haar stadgenooten als zij met den schoonen, krachtigen
vreemdeling door de straten ging.
[VII.] Weldra bereikte Odysseus het paleis van Alkìnoös, den koning der
Phaiaken, in wier land hij zich thans bevond. In de rijke koningszaal
vond hij gastvrije opname. Spijs en drank werd hem voorgezet, en daar
intusschen de nacht was gevallen, werd hem een zacht leger gespreid,
opdat zoete slaap hem zou verkwikken. Nog was hem niet gevraagd naar
zijn naam; slechts zijn wedervaren sedert hij het eiland van Calypso
had verlaten, had hij aan zijn gastvrouw verhaald.
[VIII.] Met het krieken van den dag gingen Alkìnoös en zijn gast naar
de markt en zetten zich neer op twee der steenen zetels, welke in een
kring voor de Phaiakische grooten waren aangebracht, die hier ter
beraadslaging plachten samen te komen. Weldra verschenen ook de vorsten
en namen hun plaatsen in, terwijl het volk nieuwsgierig zich verdrong
om den vreemdeling te zien, over wiens uitgeleide heden zou worden
beraadslaagd. Als een god troonde daar de zoon van Laërtes, forsch van
gestalte en bloeiend van jeugd door de zorg van Athene; met bewondering
sloegen de Phaiaken hem gade.
Toen allen verzameld waren, nam de koning het woord. „Hoort naar mij,”
zoo sprak hij, „gij roemrijke vorsten van het Phaiakenland! Deze
vreemdeling—ik ken hem niet, en weet niet of hij van oost of van west
tot ons is gekomen—kwam als smeekeling in mijn huis en verlangt van ons
een verder geleide. Op dus, jongelingen, vereenigt u, trekt een goed
uitgerust schip in zee en maakt al het vereischte gereed! Gij echter,
vorsten, staat mij een andere bede toe! Volgt mij in mijn ruime zaal,
opdat wij den vreemdeling passend onthalen; en roept, opdat aan onze
vreugde ook het lied niet ontbreke, den goddelijken zanger Demodokos
hierheen.”
Toen het maal bereid was, verscheen de uitgezonden dienaar met den
ouden zanger, wiens taak het zou zijn, het feest te vervroolijken.
Demodokos was blind; maar in zijn geheugen zetelden wonderschoone
verhalen, die hij welsprekend wist voor te dragen, terwijl zijn hand
ter begeleiding de lier bespeelde. De heraut voerde den zanger
voorzichtig tot midden in de zaal, naar een zetel, die in den kring der
feestvierende vorsten voor hem was neergezet. Boven zijn hoofd, aan een
knop, hing de dienaar daarop de lier en bracht zachtjes de hand van den
blinde daarheen, opdat hij later het speeltuig zou kunnen vinden. Toen
zette hij een tafel voor hem neer, overvloedig voorzien van vleesch,
plaatste den broodkorf naast hem, mengde zijn wijn en bediende op
dezelfde wijze de overige gasten.
Toen de aanwezigen zich allen hadden verzadigd aan spijs en drank,
greep Demodokos naar de lier. En nu klonk ook zijn lied. Hij
verheerlijkte den strijd der roemruchtige helden Odysseus en Achilles
en zong hoe der mannen vorst Agamemnon in zijn hart zich verheugde over
de tweespalt onder de besten der Achaëers. Immers, reeds vóór het begin
van den oorlog had de godspraak hem voorspeld, dat de val van Troje
nabij zou zijn, als er twist zou zijn uitgebroken onder de krachtigste
helden.
Met ingehouden adem luisterde elk naar de machtige woorden van den
zanger; maar als een dolksteek trof de herinnering aan dat alles het
hart van Odysseus, de oude wonden werden weer opengereten, weenend trok
hij zich den mantel over het hoofd en verborg zijn gelaat, opdat de
Phaiaken zijn tranen niet zouden zien. Aan Alkìnoös echter was de smart
van zijn gast niet ontgaan. Met groote kieschheid verheelde hij zijn
ontdekking, vatte het woord op toen de zanger een oogenblik ophield, en
sprak:
„Hoort vrienden, we hebben nu, geloof ik, genoeg van het maal en van
den zang. Laat ons naar buiten gaan en ons wijden aan het kampspel,
opdat onze gast de vaardigheid der Phaiaken aanschouwe en roemend
daarvan zijn vrienden thuis verhale.” Allen stonden op en volgden den
koning naar de markt. Ook de blinde zanger ging mede, nadat de trouwe
dienaar hem de lier had afgenomen en aan den knop had gehangen, hem
zelven leidend bij de hand. De marktplaats vulde zich met woelige
scharen; de vorsten namen hun zetels weer in, rondom stond het volk, en
naar het midden van den ruimen kring traden de jongelingen, die hun
vaardigheid wilden toonen in worsteling, vuistkamp, wedloop en worp. De
strijd werd geopend door drie zonen van den koning, die elkaar de
overwinning in den wedloop betwistten. Daarop volgde de worstelstrijd,
waarin de dappere Eurỳales overwinnaar bleef. En toen nu ook de overige
wedstrijden waren gehouden, werd Odysseus tot het kampspel
uitgenoodigd. Hij aarzelde; hij was niet in een stemming om deel te
nemen aan den strijd. Maar toen een der jonge mannen met smalende
woorden hem weer tartte tot den kamp, stond hij op van zijn zetel, nam
de zwaarste der metalen schijven, die tot den worp gereed lagen,
zwaaide haar met groote snelheid rond en slingerde haar toen hoog in de
lucht, zoodat zij ver achter de reeds geplaatste teekens neerviel. In
de gedaante van een man merkte Athene de plek, waar de schijf was
neergekomen en riep luide uit: „Dat teeken vindt op den tast zelfs een
blindeman wel, zoover staat het van al de andere af. In dezen wedstrijd
kunt ge gerust zijn; dat doet niemand u na!” En al de Phaiaken zwegen;
niemand verstoutte zich meer den held de handschoen toe te werpen. De
koning sloeg echter in de vergadering voor, dat ieder der twaalf
Phaiakische vorsten den gast een geschenk in goud en een schoon bewerkt
opper- en onderkleed zou geven; zelf wilde hij daaraan nog een
buitengewone gift toevoegen en zoo zou men hem dan laten gaan. Allen
juichten dit voorstel toe en zonden herauten naar hun woningen om de
geschenken te halen.
Intusschen was de avond gevallen. De dienaren kwamen met de geschenken
terug op de markt, legden ze bijeen en droegen ze naar het koninklijk
paleis. Daarheen volgde het geheele gezelschap en de vorsten namen in
de groote zaal hun zetels weer in. Nadat de honger was gestild, wendde
Odysseus zich tot den zanger en verzocht hem, daar hij toch alle
gebeurtenissen uit den Trojaanschen oorlog kende, nog de geschiedenis
van het houten paard voor te dragen. Toen zong de grijsaard bij de
tonen der lier van de wondervolle list, weinig vermoedend dat de held,
die de hoofdpersoon was van zijn zang, als toehoorder naast hem zat.
Odysseus werd aangegrepen door de waarheid van de voorstelling; het was
hem of hij die dagen opnieuw doorleefde, die zoo roemrijk, maar ook zoo
verschrikkelijk waren geweest. Zijns ondanks werd zijn oog weer vochtig
en zware zuchten ontsnapten aan zijn borst. Wederom bemerkte Alkìnoös
de ontroering van zijn gast en opnieuw gebood hij den zanger het
stilzwijgen. Maar thans weerhield hij niet langer de vraag, die reeds
eenigen tijd hem op de lippen had gebrand: „Vreemdeling, wie zijt gij
toch en welk land ter aarde noemt gij uw vaderland?”
[IX.] Allen zaten in gespannen verwachting, het oog op den onbekende
gericht. Toen
verhaalde Odysseus aan de Phaiaken zijn lotgevallen.
Eerst maakte hij den gastheer zijn naam bekend: „Odysseus ben ik, de
zoon van Laërtes, door list en schranderheid beroemd onder de
menschen.” En daarop vervolgde hij:
„Met mijn vloot, bestaande uit twaalf schepen, had ik na mijn vertrek
van Troje reeds de zuidpunt van Griekenland bereikt, toen een
vreeselijke storm zich verhief, die ons in volle zee terugsloeg. Nadat
de schepen negen dagen lang hadden rondgezworven, landden wij eindelijk
aan het strand der
Lotophagen.
Dit volk voedt zich alleen met de vruchten van den lotosboom, die zóó
zoet zijn dat, wie ze eens heeft geproefd, het land niet meer wil
verlaten en eigen vaderland en vrienden vergeet. Met groote moeite
gelukte het mij mijn makkers weer aan boord te krijgen; toen lichtten
wij het anker en kwamen na eenige dagen aan een klein, onbewoond eiland
in de nabijheid van het land der
Cyclopen,
monsterreuzen, met een enkel oog midden in het voorhoofd, onbekend met
de beschouwing van het land en oneerbiedig jegens goden en menschen. Ik
besloot op verkenning uit te gaan; met één schip stak ik over en na de
landing verborg ik mijn vaartuig in een afgelegen en weinig
toegankelijke baai. In de nabijheid van het strand bemerkte ik een
ontzettend groot hol, van reusachtige rotsblokken als van een muur
omgeven; hier woonde, zooals wij tot ons ongeluk, te laat ervoeren, een
der wreedste reuzen, Polyphèmos, een zoon van Poseidon. Een twaalftal
makkers koos ik mij uit tot tochtgenooten; aan de overigen beval ik het
schip te bewaken. Een leeren zak vol kostelijken wijn en ook een korf
met mondvoorraad voerden wij met ons meê. Wij traden de grot binnen en
keken nieuwsgierig rond, toen de vreeselijke eigenaar in den ingang
verscheen. Hij dreef zijn schapen en bokken binnen de stallen, sloot de
opening van het hol met een ontzaggelijken steen en nadat hij de
schapen en geiten had gemolken, stak hij een groot vuur aan om zijn
avondeten te koken. Bij het heldere schijnsel van de opflikkerende
vlammen werd hij ons spoedig gewaar, ofschoon wij in doodsangst
getracht hadden ons in de uiterste hoeken van de grot te verbergen. Op
zijn vragen, wie wij waren en of soms roofzucht ons tot hem had
gevoerd, antwoordde ik dat wij door een storm op dit eiland waren
geworpen, maar paste wel op een juist antwoord te geven op de vraag van
het monster, waar zich dan ons schip bevond; want ik merkte heel goed,
dat de Cycloop geen ander plan koesterde dan zich van het vaartuig
meester te maken. Ik maakte hem daarom wijs, dat het op de rotsklippen
was uiteengeslagen en dat ik met mijn makkers alleen het leven had
gered; ik smeekte den reus, ons gastvrijheid te betoonen. Als eenig
antwoord greep hij twee van mijn ongelukkige vrienden beet, smakte ze
tegen den rotsigen grond, bereidde hen tot zijn avondmaal en verslond
ze voor onze oogen met huid en haar. Toen legde hij zich te slapen
neer. Met getrokken zwaard trad ik nu op hem toe, maar ik bedacht nog
bijtijds, dat ik door hem te dooden ons allen den ondergang zou
berokkenen; immers, wij zouden niet bij machte zijn het rotsblok te
verwijderen, dat den uitgang afsloot. Dus nam ik tot een ander plan
mijn toevlucht. Zoodra de Cycloop den volgenden morgen met zijn kudde
de grot had verlaten en weer met den vervaarlijken steen had gesloten,
gingen wij over tot de uitvoering ervan. Een boomstam, die het monster
tot knods zou moeten dienen, maakten wij aan den eenen kant spits en
stopten hem toen weg. Tegen den avond keerde de reus terug; weer een
tweetal van mijn makkers moest het ontgelden. Toen reikte ik hem van
mijn wijn; die bleek hem te smaken, tot driemaal toe liet hij den beker
zich vullen en hij vroeg mij naar mijn naam om mij, zijn gast,
wederkeerig te eeren. „Niemand” noemt men mij, was mijn antwoord.
„Welnu, mijn vriend Niemand, laat dan dit uw gastgeschenk zijn, dat ik
u van allen het laatst opeet!” Intusschen miste de zware wijn zijn
uitwerking niet; de cycloop raakte al gauw in een diepen slaap. Nu was
het gewenschte oogenblik gekomen; snel maakten wij den gepunten paal
gloeiend in het vuur en dreven hem toen in het gesloten oog van het
monster. Met een ontzettend gebrul sprong de Cycloop van zijn leger op
en vervulde de lucht met zijn geschrei. Uit hun slaap gewekt, naderden
de cyclopen uit de naburige holen en schreeuwden door den gesloten
ingang naar binnen wat hem toch scheelde, dat hij zoo tierde in den
nacht, en wie hem kwaad had gedaan. Polyphèmos schreeuwde terug, dat
Niemand hem wilde vermoorden. Toen twijfelden de anderen aan zijn
verstand en rieden hem aan een god om genezing te vragen van de
verbijstering, die hem blijkbaar had bevangen.
Razend van pijn tastte de reus maar al om zich heen, maar het lukte ons
aan zijn greep te ontkomen. Het moeilijkste echter wachtte ons nog; wij
moesten trachten het hol uit te komen, en dit scheen ondoenlijk. Want
toen ’s morgens de cycloop zijn kudde door de half geopende deur naar
buiten liet, voelde hij zorgvuldig met de handen rond, opdat geen onzer
bij deze gelegenheid zou ontsnappen. Maar ook nu redde ons een
gelukkige inval. Ik koppelde telkens drie groote rammen aan elkaar en
onder de middelste van elk drietal bond ik één mijner makkers; daarop
pakte ik zelf een verbazend grooten ram in de dikke wol en hield mij
stevig onder zijn lichaam vast. Wat ik vermoed had gebeurde. Toen de
cycloop den volgenden morgen opnieuw zijn beesten naar de weide dreef,
werden wij behouden meê naar buiten gedragen en waren dus weer vrij!
Vlug dreven wij de geheele kudde naar ons schip, gingen aan boord en
stieten af van den oever. Toen het vaartuig zich een eind van het land
had verwijderd, kon ik mij het genot niet ontzeggen den reus met luider
stem zijn schanddaad te verwijten en hem in te lichten omtrent mijn
waren naam. In zijn woede greep de Cycloop vervaarlijke rotsblokken en
slingerde die uit alle macht in de richting, waaruit hij mijn stem
vernam. Maar de rotsblokken, die anders het brooze vaartuig zouden
hebben verpletterd, stortten voor en achter het schip in de hoog
deinende zee en behouden bereikten wij het kleine eiland, waar de
achtergebleven makkers ons met luid gejubel ontvingen. Na ons door den
slaap te hebben gesterkt, zetten wij den tocht voort; maar vele gevaren
stonden ons nog te wachten.
[X.] Allereerst kwamen wij bij