[XI.] een toovenares, werd bewoond. Nadat wij een paar dagen aan het
strand hadden vertoefd om te bekomen van al de doorgestane ellende,
zond ik een deel van mijn mannen op kondschap uit. Zij keerden niet
terug; zij werden door Circe in zwijnen veranderd. Alleen de leider van
het troepje ontkwam en berichtte mij, dat onze makkers in de woning der
toovenares verdwenen waren en niet meer te voorschijn waren gekomen.
Toen maakte ik mij op om hen te redden. Op weg naar Circe’s woning kwam
Hermes mij tegemoet in de gedaante van een jongen man; hij gaf mij een
kruid, dat mij zou beveiligen tegen alle tooverkunsten der godin. Het
deed uitnemend zijn werking. Zoo ontkwam ik zelf aan het gevaar en
dwong Circe bovendien mijn makkers hun vroegere gedaante te hergeven.
Vroolijk werd nu maaltijd gehouden in de sierlijke zaal van het
tooverpaleis; toen liet Circe ons ongehinderd gaan. Zij had mij als
naaste taak een bezoek aan de Hades aangewezen, waar ik den ziener
Teiresias omtrent het vervolg van mijn tocht moest ondervragen. Een
gunstigen wind zond ons nu de godin, die het schip snel voorwaarts
dreef, en nauwelijks was de zon in zee ondergegaan, of wij waren reeds
aan den grooten Oceaan gekomen, aan de kust der
Cimmeriërs,
die in eeuwige duisternis is gehuld en nooit door de stralen der zon
wordt verlicht. Hier brachten wij het offer, door Circe ons
voorgeschreven; zoodra uit de kelen der schapen, die wij daar
slachtten, het bloed in de groeve vlood, die ik er gemaakt had, doken
uit de diepte der onderwereld de schimmen der afgestorvenen naar de
rotskloof op, waarin wij ons ter zijde van den machtigen stroom
bevonden. Jongelingen en grijsaards, vrouwen en kinderen snelden aan;
in dichte scharen, met afgrijselijke kreten, omfladderden zij den
offerkuil, zoodat een vreeselijke ontzetting zich van mij meester
maakte. Snel beval ik mijn volgelingen, naar Circe’s raad, de geofferde
schapen te verbranden en gebeden te richten tot de onsterfelijke goden.
Zelf trok ik het zwaard van mijn zijde en verhinderde de schimmen van
het offerbloed te drinken, vóór ik Teiresias had ondervraagd. Aan de
schim van onzen vriend Elpènor, die vóór het vertrek van Circe’s eiland
door een val van het dak den dood had gevonden en in de haast
onbegraven was gebleven, beloofde ik voor een eervolle begrafenis te
zorgen. Weldra naderde nu ook de Thebaansche ziener, een gouden staf in
de rechterhand. Onmiddellijk herkende hij mij en begon: „Edele zoon van
Laërtes, wat dreef u het zonnelicht te verlaten en dit oord van
verschrikking op te zoeken? Trek thans uw zwaard van den kuil weg,
opdat ik neme van het offerbloed, en zóó in staat worde gesteld u uw
lot te voorspellen.” Ik week van den kuil en stiet mijn zwaard in de
scheede; toen nam de schim van het bloed en onthulde mij de toekomst.
„Op een blijden terugkeer, Odysseus, hoopt ge; maar een god zal u dien
bemoeilijken en aan de hand van den Aardschudder kunt gij niet
ontkomen. Zwaar hebt gij hem beleedigd, omdat gij zijn zoon Polyphèmos
van zijn oog hebt beroofd. Toch zal u de thuiskeer niet geheel zijn
afgesneden; houd slechts uw eigen hart en dat van uw makkers in toom.
Eerst zult gij landen op het eiland Trinacrië. Wanneer gij daar de
heilige runderen en schapen van den Zonnegod ongedeerd laat, zal uw
reis gelukkig afloopen; maar doet gij hun leed, dan voorspel ik uw
schip en uw vrienden verderf. Al ontsnapt gij zelf aan den ondergang,
ge zult dan toch pas laat, ellendig en eenzaam, op een vreemd vaartuig,
uw vaderland bereiken. Ook daar zult ge slechts jammer vinden:
overmoedige mannen, die uw goed verbrassen en naar de hand dingen van
uw vrouw Penèlope. Hebt gij dezen hetzij met geweld of met list,
bedwongen of gedood, heeft daarna geruimen tijd kalm geluk u
toegelachen, neem dan, maar eerst wanneer ge oud zijt geworden, een
roeispaan op de schouders en loop steeds door tot ge aan menschen komt,
die de zee niet kennen, geen schepen hebben en niet met zout hun
spijzen kruiden. En wanneer in dat verre, vreemde land een wandelaar u
tegenkomt en u zegt dat ge een korenschop draagt op uw rug, steek dan
den riem in den grond, breng Poseidon een offer en keer weder
huiswaarts. Eindelijk zal, terwijl uw rijk bloeit, een zachte dood van
uit zee u wegnemen.” Dit was de inhoud van zijn voorspelling. Ik dankte
den ziener; en toen mijn oog viel op de schim van mijn moeder, die
zwijgend neerzat bij den offerkuil, vroeg ik hem hoe ik het aan moest
leggen om te maken, dat ook zij mij herkende. „Vergun haar slechts van
het offerbloed te nemen,” antwoordde Teiresias. Toen week ik met het
zwaard weer terug van den kuil en mijn moeder nam van het bloed.
Dadelijk herkende zij mij en vroeg naar de reden van mijn komst. Ik
deelde haar meê, wat zij wenschte te weten, en ondervroeg haar op mijn
beurt over haar dood, want levend had ik haar achtergelaten toen ik
tegen Troje optrok. Ook hoe het thans bij ons thuis toeging vroeg ik
haar met angstig kloppend hart; en de schim antwoordde: „uw vrouw, naar
wie gij zoo angstig vraagt, vertoeft in uw huis, u onwankelbaar trouw,
en treurt dag en nacht om u. Geen ander voert uw scepter, maar uw zoon
Telèmachos bestuurt uw goed. Uw vader Laërtes heeft zich naar het land
teruggetrokken en komt niet meer in de stad; daar slaapt hij niet in
een vorstelijk vertrek, niet op een zacht gespreid leger; als een slaaf
ligt hij naast het haardvuur op stroo, in een slecht kleed gehuld, den
ganschen winter door; in den zomer vindt hij op een hoop rijs onder den
vrijen hemel zijn bed. En dat doet hij uit droefheid over uw lot. Ik
zelf ben bezweken door verdriet over u, mijn dierbaar kind, en geen
ziekte heeft mij weggeraapt.”
Zoo klonk haar woord en mij greep onweerstaanbaar heimwee aan naar mijn
geboortegrond; in mijn armen wilde ik haar sluiten, maar zij zweefde
weg als een droombeeld. Andere schimmen kwamen, vrouwen van beroemde
helden en helden zelf, vóór allen Agamemnon, wiens aanblik mij het hart
in den boezem roerde; verder Achilles, Patroclos en al de helden, die
voor Troje, op de terugvaart of in hun woning hun einde hadden
gevonden. Zij dronken van het offerbloed en verhaalden mij hun lot.
Slechts de schim van Ajax, den zoon van Tèlamon, dien ik eens in den
strijd om de wapenrusting van Achilles had overwonnen en die daarom
zelfmoord had gepleegd, hield zich op een afstand, en zelfs toen ik hem
bad toch niet verder te toornen, antwoordde hij niets, maar vluchtte in
het duister onder de andere schimmen. Ook lang reeds gestorvenen zag ik
verschijnen: den doodenrechter Minos en den overmoedigen Tàntalos, die
smachtend van dorst midden in het water stond en hongerend de schoonste
vruchten onder zijn bereik had. Ook Sìsyphos zag ik, die met
vergeefsche moeite een reusachtig rotsblok tegen een berg opwentelde,
dat telkens aan zijn handen ontglipte als hij den top genaderd was.
Naast hem stond de schim van Heracles; maar ’t was slechts zijn
schaduw, want hij zelf leidde als Hebe’s echtgenoot een zalig leven bij
de goden. Zijn schim echter stond daar, duister als de nacht, hield den
pijl op de boogpees en zag dreigend rond, als wilde hij een vijand
bestoken. Gaarne had ik ook Theseus en zijn vriend Peirìthoös gezien,
maar bij het spookachtig gewemel der ontelbare schimmenscharen overviel
mij plotseling een beklemmende angst, als werd het hoofd van Medusa mij
voorgehouden. IJlings verliet ik met mijn makkers de rotskloof en begaf
mij weder naar het strand van den Oceaan.
[XII.] Daarop zeilden wij, volgens de belofte aan Elpènor gegeven, naar
Circe terug. Hier verbrandden wij het gebeente van onzen dooden vriend,
begroeven de asch, wierpen een grafheuvel op en plaatsten daarop een
gedenkzuil. Toen voeren wij heen, door Circe nog voor allerlei gevaren
gewaarschuwd, en rijkelijk van levensmiddelen voorzien. Vele avonturen
wachtten ons nog. Allereerst dat van de
Sirenen.
Deze nymfen, die, aan het strand gezeten, alle voorbijvarenden door
haar betooverende zangen tot zich lokten om ze dan te verpletteren
tegen de rotsen, beproefden ook ons met haar lied te bekoren. Ik stopte
echter, zooals Circe mij had aangeraden, de ooren van mijn makkers vol
was en liet mij zelf aan den mast vastbinden. Zoo ontkwamen wij aan dit
gevaar; maar dadelijk weder wachtte ons een ander. Want wij bevonden
ons nu in de onmiddellijke nabijheid van
de Scylla en de Charybdis,
de eerste een blaffend monster, dat in een grot tegenover de Charybdis
huisde, de laatste een draaikolk, die dagelijks driemaal tot op den
bodem toe het water wegzoog en het dan bruisend en met vervaarlijk
geweld weer terugwierp. Wilde men het eene gevaar vermijden, dan
verviel men in het andere; ook ons kostte de doortocht zes onzer
mannen, die door de Scylla gegrepen en verslonden werden. Overigens
liepen wij gelukkig vrij en zetten koers naar Trinacrië, waar mijn
makkers, trots het verbod, eenige van de