IV. DE SCHIPBREUK.

Snel gleed hij voort over de rustige golven en op den achttienden dag

kreeg hij de somber getinte bergen van het Phaiakenland in het gezicht;

als een schild lag het eiland op de donkerblauwe zee.

Thans echter werd hij opgemerkt door Poseidon, die juist van een reis

naar Aethiopië terugkeerde. Hij had de laatste raadsvergadering der

goden niet bijgewoond en zag, dat dezen zijn afwezigheid hadden benut

om Odysseus uit zijn gevangenschap te bevrijden. Maar zoo gemakkelijk

zou dat niet gaan! Hij verzamelde de wolken en riep van alle kanten de

stormen op. Zee en aarde werden in duisternis gehuld; gierend floot de

wind om het vlot; huiverende angst maakte zich van Odysseus meester;

beter voor Troje roemrijk gevallen, dan hier in eenzaamheid om te

komen! En toch scheen het daarop uit te zullen loopen. Een geweldige

golf rolde dreigend aan; het vlot raakte in een maalstroom; hij zelf

werd over boord geslagen. De stevige mast brak midden door; het zeil

werd met de ra ver weg geslingerd en Odysseus, door de bruisende

branding overstelpt en door de natte kleederen in zijn bewegingen

belemmerd, zonk dieper en dieper. Maar eindelijk kwam hij, al

worstelend, weer boven en zwom met de uiterste krachtsinspanning naar

de overblijfselen van het vlot. Toen hij nu op de weinig betrouwbare

balken rondzwalkte, werd hem de zeegodin Leucothea gewaar en ontfermde

zich over den armen zwerver. Als een waterhoen vloog zij op uit de zee,

zette zich neer op het vlot en sprak: „Laat u raden, Odysseus! Trek uw

kleed uit en laat dat hout in den steek; neem dezen sluier, bind hem om

uw borst en trotseer zoo alle verschrikkingen der zee.” Odysseus nam

den sluier: de godin verdween en ofschoon hij de verschijning

wantrouwde, volgde hij den raad. Terwijl Poseidon golf op golf op hem

loszond, zoodat het overschot van het vlot geheel uiteen werd geslagen,

zette hij zich, ruiter te paard, op een enkelen balk, trok het lange,

zware kleed, dat Calypso hem geschonken had, uit en sprong, met den

sluier omgord, in den vloed. Twee dagen en twee nachten nog dreef hij

rond; toen eindelijk bedaarde de wind, de zee werd kalmer en dicht bij

zag hij de reddende kust. Maar rotsig en steil verhief zij zich uit zee

en donderend beukte de branding de klippen. Terwijl hij nog zocht naar

een vlakke plaats, waar hij zou kunnen landen, nam een hooge golf hem

op en droeg hem, zijns ondanks, het eiland tegemoet. Met beide handen

omklemde hij een vooruitstekende rotspunt. Maar het terugvloeiende

water sleurde hem weer meê en slingerde hem in het ruime sop terug.

Opnieuw zocht hij in het zwemmen zijn heil en vond ten laatste een

genaakbaren oever, juist daar waar een kleine rivier zich in zee

stortte. Vurig bad hij tot den god van den stroom, die hem verhoorde,

het water tot rust bracht, en hem in staat stelde zwemmende het land te

bereiken. Ademloos zonk hij neer op den grond, uit mond en neus

stroomde hem het zeewater, en uitgeput door de vreeselijke inspanning,

viel hij in een diepe onmacht. Toen hij weer bijkwam en zijn bewustzijn

langzamerhand terugkeerde, maakte hij den sluier der godin Leucothea

los en slingerde hem dankbaar weer in de golven, opdat de goede

geefster hem terug zou kunnen nemen. De koude beving hem, want uit het

Oosten woei de frissche morgenlucht over de vlakte. Daarom besloot hij

den naasten heuvel te beklimmen en daar, in het kreupelhout, een

beschut plekje te zoeken. Hij vond werkelijk een schuilplaats onder

twee samengegroeide olijfstruiken, waarvan het dichte gebladerte wind,

regen noch zonnestraal doorliet. Van de gevallen bladeren maakte

Odysseus zich een leger, legde zich neer, en dekte zich weder met

bladeren toe. Een verkwikkelijke slaap sloot weldra zijn oogen en deed

hem alle doorgestane leed vergeten.

Goden- en Heldensagen · 第 57 / 74 题