Snel gleed hij voort over de rustige golven en op den achttienden dag
kreeg hij de somber getinte bergen van het Phaiakenland in het gezicht;
als een schild lag het eiland op de donkerblauwe zee.
Thans echter werd hij opgemerkt door Poseidon, die juist van een reis
naar Aethiopië terugkeerde. Hij had de laatste raadsvergadering der
goden niet bijgewoond en zag, dat dezen zijn afwezigheid hadden benut
om Odysseus uit zijn gevangenschap te bevrijden. Maar zoo gemakkelijk
zou dat niet gaan! Hij verzamelde de wolken en riep van alle kanten de
stormen op. Zee en aarde werden in duisternis gehuld; gierend floot de
wind om het vlot; huiverende angst maakte zich van Odysseus meester;
beter voor Troje roemrijk gevallen, dan hier in eenzaamheid om te
komen! En toch scheen het daarop uit te zullen loopen. Een geweldige
golf rolde dreigend aan; het vlot raakte in een maalstroom; hij zelf
werd over boord geslagen. De stevige mast brak midden door; het zeil
werd met de ra ver weg geslingerd en Odysseus, door de bruisende
branding overstelpt en door de natte kleederen in zijn bewegingen
belemmerd, zonk dieper en dieper. Maar eindelijk kwam hij, al
worstelend, weer boven en zwom met de uiterste krachtsinspanning naar
de overblijfselen van het vlot. Toen hij nu op de weinig betrouwbare
balken rondzwalkte, werd hem de zeegodin Leucothea gewaar en ontfermde
zich over den armen zwerver. Als een waterhoen vloog zij op uit de zee,
zette zich neer op het vlot en sprak: „Laat u raden, Odysseus! Trek uw
kleed uit en laat dat hout in den steek; neem dezen sluier, bind hem om
uw borst en trotseer zoo alle verschrikkingen der zee.” Odysseus nam
den sluier: de godin verdween en ofschoon hij de verschijning
wantrouwde, volgde hij den raad. Terwijl Poseidon golf op golf op hem
loszond, zoodat het overschot van het vlot geheel uiteen werd geslagen,
zette hij zich, ruiter te paard, op een enkelen balk, trok het lange,
zware kleed, dat Calypso hem geschonken had, uit en sprong, met den
sluier omgord, in den vloed. Twee dagen en twee nachten nog dreef hij
rond; toen eindelijk bedaarde de wind, de zee werd kalmer en dicht bij
zag hij de reddende kust. Maar rotsig en steil verhief zij zich uit zee
en donderend beukte de branding de klippen. Terwijl hij nog zocht naar
een vlakke plaats, waar hij zou kunnen landen, nam een hooge golf hem
op en droeg hem, zijns ondanks, het eiland tegemoet. Met beide handen
omklemde hij een vooruitstekende rotspunt. Maar het terugvloeiende
water sleurde hem weer meê en slingerde hem in het ruime sop terug.
Opnieuw zocht hij in het zwemmen zijn heil en vond ten laatste een
genaakbaren oever, juist daar waar een kleine rivier zich in zee
stortte. Vurig bad hij tot den god van den stroom, die hem verhoorde,
het water tot rust bracht, en hem in staat stelde zwemmende het land te
bereiken. Ademloos zonk hij neer op den grond, uit mond en neus
stroomde hem het zeewater, en uitgeput door de vreeselijke inspanning,
viel hij in een diepe onmacht. Toen hij weer bijkwam en zijn bewustzijn
langzamerhand terugkeerde, maakte hij den sluier der godin Leucothea
los en slingerde hem dankbaar weer in de golven, opdat de goede
geefster hem terug zou kunnen nemen. De koude beving hem, want uit het
Oosten woei de frissche morgenlucht over de vlakte. Daarom besloot hij
den naasten heuvel te beklimmen en daar, in het kreupelhout, een
beschut plekje te zoeken. Hij vond werkelijk een schuilplaats onder
twee samengegroeide olijfstruiken, waarvan het dichte gebladerte wind,
regen noch zonnestraal doorliet. Van de gevallen bladeren maakte
Odysseus zich een leger, legde zich neer, en dekte zich weder met
bladeren toe. Een verkwikkelijke slaap sloot weldra zijn oogen en deed
hem alle doorgestane leed vergeten.