III. CALYPSO.

[V.] Ook Athene was niet geheel gerust over het lot van Telèmachos, en

de rampspoeden van Odysseus troffen haar smartelijk. Na allerlei

avonturen was deze ten slotte beland op het eiland Ogygia, bij de nimf

Calypso. Zij had den zwerver gastvrij ontvangen en wilde hem niet weer

laten gaan, daar zij hem tot echtgenoot begeerde. Hij echter bleef zijn

op Ithaca achtergelaten Penèlope getrouw en zou gaarne zijn gevlucht;

maar hij had geen schip. Door een ontzaggelijk heimwee werd hij

gekweld; dagelijks ging hij de zeven jaren lang, die hij bij Calypso

doorbracht, naar het strand der zee en tuurde in de richting, waarin

zijn vaderland lag. Op de bede van Athene werd nu Hermes naar Ogygia

gezonden; hij moest Calypso boodschappen, dat het de wil van Zeus was

dat Odysseus naar zijn vaderland terug zou keeren. In snelle vaart

daalde de bode der goden van den Olympus neer tot op het zeevlak, vloog

als een meeuw over de golven en kwam weldra op het eiland aan. Hij vond

de schoone nimf in de grot, die haar tot woning diende. Vroolijk vlamde

het vuur op den haard en ver in den omtrek was de lucht doortrokken van

den zoeten geur van het brandende cederhout. Zelve, zingend met

zilveren stem, weefde zij met gouden weefspoel het sierlijke kleed.

Populieren en cypressen omschaduwden de grot met hun welig loover;

bontkleurige vogels nestelden in de takken. In dichte ranken slingerde

zich de wingerd om de gewelfde spelonk; door de bladeren heen

schemerden in dikke trossen de sappige druiven. Vier beekjes kronkelden

met vroolijk geklater door de groenende weiden, met viooltjes en

welriekende kruiden begroeid. In bewondering bleef Hermes een oogenblik

staan; toen betrad hij de grot, door de schoone Calypso onmiddellijk

herkend. Odysseus was afwezig; hij zat, als gewoonlijk, aan den oever

der zee en staarde vol heimwee over het onafzienbare water. Toen

Calypso nu de boodschap van Zeus vernam, werd zij pijnlijk getroffen en

beklaagde zich heftig over de wreedheid der goden, die niet duldden,

dat een onsterfelijke zich een sterfelijk man tot echtgenoot koos. Maar

tegen den uitdrukkelijken wil van den opperste der goden durfde ook zij

zich niet verzetten; zij zou hem dan laten gaan; zij zou hem helpen

zóó, dat hij veilig zijn tocht zou kunnen vervolgen. En toen Hermes was

heengegaan, begaf zij zich naar het zeestrand, waar Odysseus treurig

nederzat, vlijde zich naast hem neer en sprak: „Arme man, niet langer

mag uw leven hier in droefheid vergaan. Op! Vel stevige stammen, voeg

ze samen tot een vlot en omgeef dat met hooge planken! Verkwikkend

voedsel en water en wijn zal ik zelve u brengen, ik zal u van kleeding

voorzien en een gunstigen wind zal ik voor u doen waaien. Veilig zult

ge, zoo de goden het willen, in uw vaderland terugkeeren.”

Maar kwalijk vertrouwde Odysseus de woorden der godin; pas toen zij

onder een duren eed hem de verzekering van haar oprechtheid had

gegeven, schonk hij haar geloof. Reeds den volgenden morgen begon hij

met den bouw van het vlot; op den vijfden dag was het gereed en kon de

reis een aanvang nemen. Moedig greep Odysseus het roer; zacht blies een

gunstige wind in het zeil; nauwlettend bespiedde de schipper de

gesternten en zorgvuldig koerste hij in de richting, die hem door

Calypso was aangewezen.

Goden- en Heldensagen · 第 56 / 74 题