[V.] Ook Athene was niet geheel gerust over het lot van Telèmachos, en
de rampspoeden van Odysseus troffen haar smartelijk. Na allerlei
avonturen was deze ten slotte beland op het eiland Ogygia, bij de nimf
Calypso. Zij had den zwerver gastvrij ontvangen en wilde hem niet weer
laten gaan, daar zij hem tot echtgenoot begeerde. Hij echter bleef zijn
op Ithaca achtergelaten Penèlope getrouw en zou gaarne zijn gevlucht;
maar hij had geen schip. Door een ontzaggelijk heimwee werd hij
gekweld; dagelijks ging hij de zeven jaren lang, die hij bij Calypso
doorbracht, naar het strand der zee en tuurde in de richting, waarin
zijn vaderland lag. Op de bede van Athene werd nu Hermes naar Ogygia
gezonden; hij moest Calypso boodschappen, dat het de wil van Zeus was
dat Odysseus naar zijn vaderland terug zou keeren. In snelle vaart
daalde de bode der goden van den Olympus neer tot op het zeevlak, vloog
als een meeuw over de golven en kwam weldra op het eiland aan. Hij vond
de schoone nimf in de grot, die haar tot woning diende. Vroolijk vlamde
het vuur op den haard en ver in den omtrek was de lucht doortrokken van
den zoeten geur van het brandende cederhout. Zelve, zingend met
zilveren stem, weefde zij met gouden weefspoel het sierlijke kleed.
Populieren en cypressen omschaduwden de grot met hun welig loover;
bontkleurige vogels nestelden in de takken. In dichte ranken slingerde
zich de wingerd om de gewelfde spelonk; door de bladeren heen
schemerden in dikke trossen de sappige druiven. Vier beekjes kronkelden
met vroolijk geklater door de groenende weiden, met viooltjes en
welriekende kruiden begroeid. In bewondering bleef Hermes een oogenblik
staan; toen betrad hij de grot, door de schoone Calypso onmiddellijk
herkend. Odysseus was afwezig; hij zat, als gewoonlijk, aan den oever
der zee en staarde vol heimwee over het onafzienbare water. Toen
Calypso nu de boodschap van Zeus vernam, werd zij pijnlijk getroffen en
beklaagde zich heftig over de wreedheid der goden, die niet duldden,
dat een onsterfelijke zich een sterfelijk man tot echtgenoot koos. Maar
tegen den uitdrukkelijken wil van den opperste der goden durfde ook zij
zich niet verzetten; zij zou hem dan laten gaan; zij zou hem helpen
zóó, dat hij veilig zijn tocht zou kunnen vervolgen. En toen Hermes was
heengegaan, begaf zij zich naar het zeestrand, waar Odysseus treurig
nederzat, vlijde zich naast hem neer en sprak: „Arme man, niet langer
mag uw leven hier in droefheid vergaan. Op! Vel stevige stammen, voeg
ze samen tot een vlot en omgeef dat met hooge planken! Verkwikkend
voedsel en water en wijn zal ik zelve u brengen, ik zal u van kleeding
voorzien en een gunstigen wind zal ik voor u doen waaien. Veilig zult
ge, zoo de goden het willen, in uw vaderland terugkeeren.”
Maar kwalijk vertrouwde Odysseus de woorden der godin; pas toen zij
onder een duren eed hem de verzekering van haar oprechtheid had
gegeven, schonk hij haar geloof. Reeds den volgenden morgen begon hij
met den bouw van het vlot; op den vijfden dag was het gereed en kon de
reis een aanvang nemen. Moedig greep Odysseus het roer; zacht blies een
gunstige wind in het zeil; nauwlettend bespiedde de schipper de
gesternten en zorgvuldig koerste hij in de richting, die hem door
Calypso was aangewezen.