II. TELEMACHOS IN PYLUS EN SPARTA.

[III.] Den volgenden morgen reeds bereikten zij, onder Athene’s

geleide, de haven van Pylus, in het landschap Messenië, op de westkust

van den Peloponnesus. Hier woonde Nestor, die onder de helden voor

Troje voornamelijk om zijn jaren en zijn wijsheid in hoog aanzien had

gestaan. De vriendelijke grijsaard ontving den zoon van Odysseus met

groote hartelijkheid, vertelde hem van de helden voor Troje al wat hij

had ervaren, maar van Odysseus wist hij niets, daar hij vroeger dan

deze was weggereisd. Hij ried hem echter naar Sparta te gaan, waar

Menelaos en Hèlena woonden, die hem misschien meer inlichtingen omtrent

zijn vader zouden kunnen geven. Paarden en een wagen zou hij hem

verschaffen, als hij de reis over land wilde maken, en een van zijn

zonen zou hem tot geleider strekken. En zoo geschiedde. Nadat in den

vroegen morgen van den volgenden dag een plechtig offer was gebracht,

werd de wagen ingespannen. Telèmachos en Peisìstratos, een zoon van

Nestor, namen er op plaats. De laatste hanteerde de teugels en spoorde

de paarden aan tot spoed; zoo kwamen zij weldra bij Menelaos.

[IV.] Juist was daar bruiloft; Menelaos huwde tegelijk een zoon en een

dochter uit. Vroolijk feestgewoel, zang en dans, vervulden de zaal.

Toen meldde een dienaar het voorrijden van den wagen. Menelaos liet

dadelijk de paarden uitspannen en aan de krib binden, terwijl hij de

beide vreemdelingen gastvrij in zijn prachtige woning opnam. Toen nu de

gastheer in den kring van zijn gasten van zijn tochten begon te

verhalen, en den naam van Odysseus daarbij vermeldde, bedekte

Telèmachos weenend zijn gelaat met den purperen mantel en Menelaos, die

hem nog niet naar zijn afkomst had gevraagd, vermoedde wie hij was. Op

dat oogenblik trad Hèlena, de vrouw, die alle rampen over Troje had

gebracht, binnen, en herkende onmiddellijk Odysseus’ zoon. Veel werd

nog gepraat over de voortreffelijke eigenschappen, over de dappere

daden van den zoon van Laërtes; toen maande de vallende avond tot rust.

Den volgenden morgen vroeg Menelaos zijn gast naar de oorzaak van zijn

komst. En toen nu Telèmachos hem vertelde, hoe de vrijers huis hielden

in zijn paleis, riep hij toornig uit: „waarlijk, als een leeuwin, die

bij haar terugkeer de jonge reeën vaneen rijt, die zij in haar leger

vindt, zoo zal Odysseus de nietelingen verscheuren, als hij

terugkeert!” Van dezen zelf wist hij echter niets anders te verhalen,

dan wat hem eens een Aegyptische zeegod had voorspeld: Odysseus zou, na

tien jaar rondzwerven, zonder een enkelen makker, zijn vaderland

terugzien. Met deze mededeeling moest de jonge Telèmachos zich tevreden

stellen; maar zij was gewichtig genoeg om hem dadelijk aan zijn moeder

te doen denken en te doen verlangen naar de terugreis, hoezeer ook

Menelaos en Hèlena er op aandrongen dat hij nog wat bij hen zou

blijven.

Het vertrek van Telèmachos was intusschen voor de vrijers niet

verborgen gebleven. Bang voor de gevolgen van zijn reis, beraamden zij

een aanslag op zijn leven; een galei werd uitgerust en in zee gebracht

om op den terugweg Odysseus’ zoon te overvallen. Toen maakte groote

angst zich van Penèlope meester; maar in den droom werd de veel

beproefde vrouw gerustgesteld.

Goden- en Heldensagen · 第 55 / 74 题