I. PENELOPE.

(HOMEROS: ODYSSEE).

[Boek I.] Tot de helden, die eerst na lange rondzwervingen en

ontzettenden tegenspoed hun vaderland terugzagen, behoorde Odysseus

(Ulysses), de koning van Ithaca. Een god had hem zooveel rampen

beschoren. Poseidon, de beheerscher der zeeën, was op den held

vertoornd, want zwaar was hij door hem beleedigd. Daarom joeg hij hem

voort over het wijde watervlak, van noord naar zuid, van oost naar

west, verbrijzelde zijn schepen, doodde zijn makkers en dreef hem door

maalstroom en branding naar volken, wier taal en zeden hem vreemd

waren.

Terwijl Odysseus door Poseidon’s toorn werd rondgeslingerd op de zee en

tegenspoed moest dulden van allerlei aard, werd ook zijn trouwe vrouw

Penèlope met haar zoon Telèmachos, dien hij eens als knaapje op moeders

schoot had achtergelaten, op Ithaca door zware rampen bezocht. Bijna

twintig jaren waren verstreken sedert Odysseus het vaderland had

verlaten; alle andere vorsten en helden waren lang teruggekeerd; hij

alleen zwierf nog rond. Men hield hem voor dood en had alle hoop op

zijn behoud verloren. Penèlope was de eenige, die nog altijd vertrouwde

op zijn terugkeer. Elke reiziger, die het eiland aandeed, werd

ondervraagd; maar alle navraag was vergeefsch. Toch bleef zij den

vriend van haar jeugd met onwankelbare trouw liefhebben. Meer dan

honderd vrijers hadden zich in haar paleis verzameld en hielden daar op

de onbeschaamdste wijze huis. Zij slachtten de runderen van Odysseus,

zijn bokken en zijn zwijnen en dwongen zijn slaven en slavinnen hen te

bedienen. Dag aan dag leefden zij in een roes van feestvreugde en

wilden Penèlope dwingen een van hen tot man te kiezen. Laërtes,

Odysseus’ vader, was den overmoed der vrijers ontvlucht en woonde

eenzaam in het binnenland; zijn vrouw was van verdriet gestorven en

Penèlope treurde dag en nacht om haar echtgenoot. Toen begaf zich

Pallas Athene, de godin, die Odysseus steeds als helpster ter zijde

stond, in menschelijke gedaante naar Ithaca, gaf den jongen Telèmachos

nieuwen moed en wekte bij hem het voornemen de helden te gaan bezoeken,

die met zijn vader Troje hadden belegerd. De vrijers waren verbaasd

over de fiere taal, waarmeê Odysseus’ zoon hen nu tegemoet trad; maar

zelf verzonk hij, toen dien avond de deur van zijn slaapkamer zich

achter hem gesloten had, in droef gepeins, en dien ganschen nacht door

overwoog hij de woorden, die Athene tot hem gesproken had.

[II.] Den volgenden morgen riep hij een volksvergadering bijeen. Heftig

beklaagde hij zich daar over het gedrag van de vrijers; zij zwegen op

het krasse verwijt van zijn woorden. Alleen Antìnoös nam het woord en

wierp alle schuld op Penèlope, die list op list verzon om aan het

opgedrongen huwelijk te ontkomen. Nu weer was ze bezig met het weven

van een kleed en had beloofd, zoodra dit af was, zich een uit de velen

tot gemaal te kiezen. Maar ’s nachts, bij het schijnsel der toortsen,

rafelde zij weer uit wat zij over dag had gewerkt. Zoo kwam zij nooit

klaar, maar zoo zou ook nooit het geweld der minnaars ophouden. Neen,

het zou toenemen, verzekerde een ander, ondanks voorteekenen en

verzekeringen van zieners, totdat door Penèlope een keuze zou zijn

gedaan! En de vergadering ging uiteen, zonder dat ook aan Telèmachos

het schip en de makkers, waarom hij voor zijn voorgenomen reis had

gevraagd, waren toegestaan. Toch kreeg hij, door Athene’s bemoeiingen,

een vaartuig en roeiers. Diep in den avond kwamen allen aan het strand

bijeen; de witte zeilen werden geheschen, de riemen ter hand genomen en

vlug doorkliefde het schip de golven.

Goden- en Heldensagen · 第 54 / 74 题