XIII. PRIAMOS LOST HET LIJK VAN HECTOR.

[XXIV.] Twaalf dagen lang lag het lijk van den ongelukkigen Hector voor

Achilles’ tent in het stof, en elken dag sleurde deze hem, aan zijn

wagen gebonden, om den grafheuvel van zijn vriend; maar de goden

beschermden met liefderijke zorg den doode tegen verderf en verminking.

Eindelijk geboden zij Achilles het lichaam aan de bloedverwanten uit te

leveren en bevalen Prìamos zich met een wagen, beladen met rijke

geschenken, naar de legerplaats der Grieken te begeven om het lijk van

zijn zoon los te koopen. Door nachtelijke duisternis beschut en veilig

geleid door Hermes, kwam hij bij Achilles’ tent aan. Deze had juist

zijn avondmaaltijd geëindigd en zat nog aan tafel op eenigen afstand

van zijn vrienden; toen trad de oude koning ongemerkt binnen, wierp

zich plotseling voor den verbaasden jongeling op de knieën en kuste de

handen, die hem zooveel leed hadden toegevoegd.

„Achilles,” zoo sprak hij, „o, gedenk uw vader, die, door ouderdom

gekromd, misschien door vijandelijke naburen wordt bedreigd, en

hulpeloos is als ik. Maar hem blijft de hoop over, dat hij eens zijn

geliefden zoon behouden naar huis ziet terugkeeren; ik echter mis elken

troost. Vijftig zonen bezat ik, toen de Grieken in mijn land kwamen; de

meesten daarvan heeft de oorlog mij ontroofd, en den eenigen, die in

staat was de stad te beschermen, mijn Hector, hebt gij me verslagen!

Hem kom ik thans lossen tegen rijkelijk losgeld. Eer de goden,

Achilles, heb medelijden met mij, gedenk uw eigen vader! Ik ben uw

medelijden nog meer waard dan hij, want ik lijd wat geen sterveling

leed: ik druk de hand aan mijn lippen, die mijn zonen heeft gedood.”

De jonge held, voor wien de zwaar beproefde grijsaard klagend in het

stof lag, was diep geroerd; met afgewend gelaat weende hij om zijn

vader, dien hij nimmer zou terugzien, maar ook om Patroclos, den

gestorven vriend. Plotseling sprong hij op, hief den ouden man uit het

stof en sprak: „Arme ongelukkige, waarlijk veel leed hebt gij

ondervonden. Hoe echter hebt gij het durven wagen hierheen te komen

onder het oog van hem, die uw zoon heeft verslagen! Gij hebt nog stalen

moed! Thans echter, zet u neer en laat ons het verdriet vergeten;

weeklacht baat toch niet meer. Zoo is nu eenmaal het lot der menschen;

twee vaten staan in de woning van Zeus, het eene met onheil gevuld, het

andere met de zegeningen van het geluk; wien de goden hun gaven

dooreengemengd schenken, die heeft nu eens ramp- dan voorspoed; maar

wien zij slechts ongeluk toedeelen, dien stooten zij in een poel van

jammer en ellende. Zoo schonken de goden aan Peleus, mijn vader,

heerlijk geluk; toch deelde een godheid ook hem groote rampen toe, want

hij kreeg slechts een eenigen zoon, die hem de dagen van zijn ouderdom

niet kan verlichten, want ver weg zit ik hier voor Troje en breng

droefheid over u en uw kinderen. En ook u, grijsaard, prezen de

menschen eens gelukkig om uw macht en uw rijkdom en uw bloeiende zonen,

maar thans hebben de onsterfelijke goden u grievend leed beschoren.

Draag het manlijk en jammer niet zoo; de weeklacht wekt de dooden

niet!”

„Noodig mij niet tot zitten,” antwoordde de grijsaard, „zoolang Hector

in uw tent onbegraven ligt. Lever hem mij uit, en neem onmetelijk

losgeld!” Met droeven blik sprak de jongeling: „Wees gerust, eerwaarde

oude; ik zelf toch heb het voornemen hem u af te staan. Zeus heeft het

mij bevolen.” Daarop snelde hij naar buiten, liet de geschenken afladen

en het lijk van Hector op den wagen leggen, nadat het was gewasschen,

gezalfd en in lijnwaad gewikkeld. Teruggekeerd in de tent, zette hij

zich weder tegenover den koning en sprak: „Uw zoon is losgekocht;

morgen, zoodra Eoos aan den hemel verschijnt, kunt gij hem zien en naar

huis voeren; nu evenwel willen wij den maaltijd gedenken.” Na het maal

sprak Prìamos: „Laat mij nu gaan rusten, edele held; want sedert mijn

zoon in uw handen viel, hebben mijn oogen zich niet gesloten, maar,

gefolterd door smart, heb ik mij gewenteld in het stof van mijn hof en

eerst heden kwam weer vleesch en wijn over mijn lippen.” Achilles liet

zijn gast buiten in de hal een leger bereiden, opdat hij in het vroege

morgenuur zou kunnen vertrekken. Daarop stond hij hem voor de

begrafenis van zijn zoon nog een wapenstilstand van elf dagen toe, nam

toen de rechterhand van den grijsaard in de zijne en liet hem ter ruste

gaan. De jonge held, in zijn toorn zoo wreed en onmenschelijk, was na

de hevige ontroering van de laatste dagen, door den aanblik van den

ongelukkigen grijsaard en door de herinnering aan zijn eigen vader,

achtergebleven in het verre vaderland, zacht en vriendelijk geworden;

zijn ziel was gelouterd en had zich weer geopend voor zachtere

aandoeningen. Hij waardeerde nu den heldenmoed van zijn vijand en

leverde hem uit ter eervolle begrafenis.

Pas daagde het in het Oosten, toen Prìamos met het lijk van zijn zoon

naar de stad terugkeerde. Reeds vóór de poort kwamen de Trojanen hem

tegemoet; Andròmache en Hécabe snelden op den wagen toe, en legden

weeklagend haar handen op het hoofd van den doode. En spoedig verdrong

van alle zijden het volk zich om de treurige groep, zoodat het voertuig

slechts langzaam en met moeite zich voortbewoog naar het koninklijk

paleis. Daar werd het lijk op een prachtig rustbed neergelegd; terzijde

stonden zangers en hieven den treurzang aan, waarin zich de

jammerkreten der klaagvrouwen mengden.

Negen dagen lang voerden de Trojanen een onmetelijke hoeveelheid hout

aan uit de bosschen en bouwden in de vlakte voor de stad een

torenhoogen brandstapel. Den tienden dag was alles gereed, en onder

luide weeklachten werd Hector’s lijk op de houtmijt gelegd en verbrand.

Daarop verzamelden broeders en strijdmakkers het onverteerde gebeente

en borgen het in een gesloten, gouden kist, die met purperen lijnwaad

omwikkeld in het gedolven graf werd neergelaten. Reusachtige

steenblokken dekten de groeve, terwijl bovendien een grafheuvel werd

opgeworpen. Hierna keerde de volksmenigte naar de stad terug en een

feestelijk lijkmaal in het paleis van Prìamos was het laatste eerbewijs

aan den edelen Hector bewezen.

Goden- en Heldensagen · 第 51 / 74 题