[XVII.] Een heftige strijd ontspon zich om het lijk van Patroclos.
Hector en Ajax vuurden aan weerszijden de scharen aan, en pas na een
lange worsteling lukte het den Grieken hun gesneuvelden makker weg te
dragen van het slagveld.
[XVIII.] Nu echter bereikte Achilles de mare van Patroclos’ dood, en
mateloos als zijn toorn was thans ook zijn smart. Jammerend wierp hij
zich ter aarde, bestrooide zich het hoofd, het gelaat en de handen met
stof, en weeklaagde zoo luid, dat diep in den schoot der zee zijn
goddelijke moeder de smartkreten vernam en opdook om hem te troosten.
Slechts één verlangen beheerschte hem thans; wraak te nemen op Hector,
die zijn vriend had gedood! Hij wilde terstond naar het strijdgewoel om
den gehaten vijand op te zoeken. Maar hij had geen wapens; Hector
pronkte zegevierend in zijn rusting! Dienzelfden nacht echter nog begaf
zijn moeder Thetis zich naar den Olympus, en wist Hephaistos te bewegen
een nieuwe, zeldzaam mooie wapenrusting te maken.
[XIX.] Den volgenden morgen verzoende Achilles zich plechtig, in het
bijzijn van alle Achaeërs, met Agamemnon. Daarop werd de maaltijd
gebruikt; alleen Achilles weigerde, rouwend over zijn makker; Athene
moest met nectar en ambrozijn hem laven, opdat niet de honger zijn
kracht zou verlammen. En toen, als sneeuwvlokken, voortgedreven door
een sterken noordenwind, kwamen van alle kanten de krijgers aanstormen
in stralenden glans van pantsers en schilden. Ook Achilles rustte zich
uit, besteeg zijn strijdwagen en schitterend als Helios, de zonnegod,
dreef hij zijn span naar het front der Grieken.
[XX.] In den strijd, die nu volgde, worstelden menschen en goden in
wilde warreling dooreen, want Zeus had dezen dag aan de hemelbewoners
verlof gegeven aan het gevecht deel te nemen en bij te staan, wien zij
wilden, opdat niet Achilles, door niets in zijn woede gestuit, de stad
Troje tegen de bedoeling van het lot zou veroveren. Van beide zijden
dreven de goden de scharen aan; Zeus donderde vreeselijk van den hoogen
Olympus en Poseidon schudde de aarde zoo heftig, dat zelfs Hades
verschrikt van zijn troon sprong uit vrees, dat de grond zou barsten,
en zijn afzichtelijk doodenrijk voor aller oogen bloot zou liggen.
[XXI.] Nadat Achilles tal van Trojanen had gedood, dreef hij hun
gansche leger in wilde vlucht voor zich uit; een deel werd door den
onweerstaanbaren held in de rivier de Scamander gejaagd en
meedoogenloos door hem verslagen, zoodat ten laatste de stroomgod zelf,
die de slachting niet langer kon aanzien, zijn wateren in opstand
bracht, ze over de oevers joeg en Achilles met den dood bedreigde.
Hephaistos echter wierp op Hera’s bevel zijn vlammen over de baren en
droogde het land. Toen werd de jacht voortgezet over de vlakte; in
drommen snelden de Trojanen naar de stad, waar zij redding zochten
binnen de poorten.
[XXII.] Hector was de eenige, die nog stand hield buiten den muur en
den vijand afwachtte. Hij sloeg geen acht op de wanhopige smeekbeden
van den grijzen Prìamos, die in zijn geest reeds heel zijn huis
verslagen zag en vol angst hem terugriep binnen de veste; hij lette
niet op de klagende verwijten van zijn treurende moeder; na een korte
aarzeling was hij vast besloten te overwinnen of te sterven. Toen hij
echter zijn vreeselijken tegenstander zag naderen, grepen schrik en
ontsteltenis hem aan en hij ging op de vlucht. Achilles stormde hem na,
en als een hond, die rusteloos een hertje vervolgt, joeg hij hem voor
zich uit, driemaal om de stadsmuren heen, zelf steeds aan den
binnenkant, opdat Hector niet van de muren af geholpen zou worden.
Eindelijk, door Athene daartoe overgehaald, hield de vervolgde stand;
maar vergeefs zond hij zijn speer, en toen hij met zijn zwaard nu op
den Pelide lostrok, trof diens spies hem voor in den hals, zoodat hij
stervend ineen zonk. Fluisterend sprak hij nog: „Bij uw leven,
Achilles, bij uw knieën, bij uw ouders bezweer ik u, geef mijn lijk
niet aan de honden prijs; neem van mijn vader koper en goud, zooveel ge
wilt, ten losprijs, maar zend mijn lichaam naar Troje, opdat het door
mijn vrienden begraven worde.”
Maar norsch antwoordde de snelvoetige Achilles: „Bezweer mij niet bij
mijn knieën, noch bij mijn ouders. Niemand zal van uw hoofd de honden
en gieren verjagen, zelfs niet wanneer men tien- of twintigvoudig
losgeld bracht en Prìamos aanbood tegen goud uw lichaam op te wegen.”
„Wel ken ik u,” steunde Hector, „uw hart is van staal; maar weet dat de
toorn der goden mij zal wreken op den dag, waarop Paris en Apollo u,
hoe dapper gij ook zijt, zullen dooden.” Zoo voorspelde hij Achilles
nog stervend zijn naderend einde, en blies den laatsten adem uit. De
Pelide echter riep, terwijl hij zijn speer uit het lijf rukte: „Sterf!
Mijn eigen noodlot zal ik afwachten wanneer Zeus en de andere
onsterfelijken het beschikt hebben!” Hierop doorboorde hij zijn
slachtoffer de voetpezen, trok er een riem doorheen, en bond het lijk
aan zijn strijdwagen om het naar zijn legerplaats te slepen, ten buit
aan honden en roofvogels. Luid jammerend stonden Prìamos en Hècabe, te
midden der Trojanen, op den muur der stad en zagen hoe hun zoon, de
beste van geheel het volk, smadelijk werd voortgesleurd.
[XXIII.] Een groote houtmijt werd in ’t Grieksche kamp opgestapeld en
plechtig werd daarop het lijk van Patroclos verbrand. Twaalf
Trojaansche jonge mannen, door Achilles gevangen genomen, gaf deze als
doodenoffer mede aan de vlammen prijs. Toen liet hij, om de
nagedachtenis van den gestorvene te eeren, een grooten wedstrijd
houden, waarvoor hij zelf vele kostbare prijzen had uitgeloofd; in den
wagenren, het vuistgevecht, de worsteling, den wedloop, den tweekamp
met de speer, het werpen met den kogel, het schieten naar de duif en
het slingeren van de lans werden behendigheid en kracht en volharding
beproefd en naar waarde beloond.