XIV. TROJE’S VERWOESTING.

Spoedig daarna sneuvelde ook Achilles. Onstuimig stormde hij,

overmoedig door zege op zege, aan de spits van het Grieksche leger op

Troje los; de Trojanen boden weinig weerstand en Achilles zou de stad

hebben ingenomen, ware het door de goden niet anders besloten geweest.

Reeds was men bezig de poortdeuren uit de hengsels te lichten, toen

Apollo van den hoogen Olympus af den bedreigden te hulp kwam en den

held toeriep af te laten van den strijd. Achilles echter sloeg de

vermaning van de godheid in de wind; toen nam deze de gestalte van

Paris aan, legde een pijl op zijn boog en schoot den held in de hiel,

de eenige wondbare plek aan zijn lichaam; met een zwaren slag stortte

hij ter aarde. Maar zoodra hij den pijl uit de wond had getrokken,

waaruit een donkerroode bloedstroom gutste, verhief hij zich met een

sprong van den grond en stortte zich weer op de vijandelijke drommen.

Vele Trojanen doorboorde nog zijn speer; toen echter verstijfden hem

langzamerhand de ledematen en stervend zonk hij ineen, zoodat de aarde

dreunde onder de metalen rusting. Zijn lijk werd na een heet gevecht

door de Grieken naar hun legerplaats gered en plechtig verbrand. Zooals

hij het gewenscht had, verzamelden zijn vrienden het overschot en

plaatsten dit, in een gouden urn, in het graf, waarin zij ook het

gebeente van Patroclos bijzetten.

[Virgilius: Aeneis II.] Eindelijk, nadat de krijg tien jaren lang had

gewoed, viel Troje door list in de handen der Grieken. Op raad van den

sluwen Odysseus velden zij op het woudrijke Idagebergte hoogstammige

dennen, waaruit een reusachtig paard werd vervaardigd. De dapperste

helden verborgen zich in de ruime holte; de overige Grieken echter

staken hun tenten en hun legertros in brand en zeilden over naar het

naburige eiland Tènedos, waar zij landden.

Toen de Trojanen den rook uit de legerplaats zagen opstijgen en de

schepen in zee steken, stormden zij vol vreugde de stad uit naar de

legerplaats der Grieken en aanschouwden hier het reusachtige houten

paard. Terwijl zij het er onder elkaar over oneens waren of ze het

wonderwerk in de stad zouden sleepen of aan de vlammen zouden prijs

geven, trad Laòcoön, een priester van Apollo, in hun midden op, en

riep: „Ongelukkigen, wat dwaasheid bezielt u? Meent gij dat de Grieken

werkelijk zijn heengegaan, of dat een geschenk uit hun hand geen bedrog

in zich sluit? Kent gij dan Odysseus zoo weinig? Eén van beide: òf in

dit paard schuilt gevaar, òf het is een oorlogswerktuig, dat door den

in den omtrek spiedenden vijand tegen onze stad zal worden aangewend.

Hoe het ook zij, ik voor mij vertrouw het volk van Danaos niet, zelfs

al komt het met geschenken!” Daarop stiet hij een machtige, ijzeren

speer in den buik van het paard; die boorde trillend in het hout en uit

de holte klonk een doffe dreun als uit een diepen kelder. Maar de

Trojanen bleven blind voor het naderend onheil.

Ondertusschen brachten eenige herders een geboeiden Griek aan, die uit

eigen beweging hun tegemoet was gekomen, om door een verdicht verhaal

de stedelingen gerust te stellen omtrent de bedoeling van het paard en

hen des te zekerder in het verderf te doen loopen. Voor koning Prìamos

gebracht, vertelde Sinon, zoo heette de Griek, dat het kolossale beeld

tot een wijgeschenk voor Athene was bestemd om deze godin te verzoenen.

Het was zoo groot gemaakt om de Trojanen te verhinderen het door hun

stadspoorten te brengen, daar in dat geval de godin zich van de Grieken

zou afwenden om Troje bij te staan. Mochten evenwel de Trojanen zich

aan het goddelijk geschenk vergrijpen, dan zou de stad onvermijdelijk

in het verderf worden gestort.

Prìamos en alle omstanders schonken den bedrieger geloof; zij werden

nog meer doordrongen van de waarheid van zijn woorden, toen op

hetzelfde oogenblik een voorval plaats greep, waarin zij een

bestraffing meenden te zien van den priester Laòcoön wegens zijn

twijfel aan de bestemming van het paard. Van het eiland Tènedos

namelijk naderden twee slangen; in reusachtige kronkelingen schoven zij

voort over de zee. Laòcoön stond juist met zijn zonen aan het strand en

offerde. Toen schoten de monsters op de knapen toe en omstrengelden hun

lichamen, het teere vleesch met hun giftige tanden verwondend. Met

opgeheven lans snelde de vader zijn kinderen te hulp; ook om hem

kronkelden de slangen zich heen. Vergeefsch waren alle pogingen zich

los te winden; alle drie werden zij te pletter gedrukt en met het gif

doortrokken. Daarop gleden de monsters in snelle vaart naar den tempel

van Athene en verborgen zich onder het schild der godin.

Nu was bij de Trojanen alle twijfel gebannen; zij haalden een deel van

den stadsmuur neer en trokken het noodlottige geschenk jubelend de stad

binnen. De taal van Cassandra, de eenige, die het dreigende verderf

voorzag, werd in den wind geslagen en bespot. Allen gaven zich over aan

opgewonden feestvreugde; muziek en zang weergalmden door de straten der

stad, en door wijn en vermoeidheid bevangen, verzonken de Trojanen in

diepen slaap. Een vuursignaal, op het admiraalschip gegeven, was nu

voor de Grieksche vloot het teeken om terug te keeren naar het bekende

strand, en voor Sinon om zijn landgenooten te bevrijden uit hun houten

kerker. Zij verspreidden zich door de straten en huizen der stad en

richtten een afgrijselijk bloedbad aan. Allerwege werd brand gesticht

en niet lang duurde het, of uit de daken der woningen stegen rosse

vlammen omhoog. Ook de troepen van Tènedos waren geland en drongen door

de geopende poorten der stad binnen, die thans het schouwspel werd van

een ontzettende ellende. Grieken zoo goed als Trojanen stierven in de

worsteling of werden geveld, door brandende balken en steenen

getroffen. Hun gewonden, stervenden en dooden vermeerderden den stapel

der slachtoffers; ouderdom, geslacht noch stand bleef bespaard; de

grijze Prìamos werd aan den voet van een altaar doorstoken, Hectors

zoon Astỳanax uit de armen van zijn moeder gescheurd en van den

torenmuur naar beneden geworpen. Alleen Aenèas ontkwam; hij nam zijn

ouden vader Anchìses op den rug, zijn zoontje Ascanius aan de hand en

vluchtte door de straten van de brandende stad naar het strand der zee.

Het gelukte hem na lang en moeitevol zwerven een nieuw vaderland te

vinden; hij, de dappere Trojaansche held, werd de stamvader van het

Romeinsche volk.

Menelaos stormde het paleis binnen van zijn gemalin Hèlena en zou haar

in zijn eerste woede misschien hebben gedood, als niet zijn broeder

Agamemnon tusschenbeide was gekomen. Lang nog brandden de puinhoopen

van het eens zoo machtige Troje, nu voor goed van den aardbodem

verdelgd. Wie van de inwoners nog in het leven was gespaard, werd door

de Grieken als slaaf medegevoerd.

Goden- en Heldensagen · 第 52 / 74 题