Spoedig daarna sneuvelde ook Achilles. Onstuimig stormde hij,
overmoedig door zege op zege, aan de spits van het Grieksche leger op
Troje los; de Trojanen boden weinig weerstand en Achilles zou de stad
hebben ingenomen, ware het door de goden niet anders besloten geweest.
Reeds was men bezig de poortdeuren uit de hengsels te lichten, toen
Apollo van den hoogen Olympus af den bedreigden te hulp kwam en den
held toeriep af te laten van den strijd. Achilles echter sloeg de
vermaning van de godheid in de wind; toen nam deze de gestalte van
Paris aan, legde een pijl op zijn boog en schoot den held in de hiel,
de eenige wondbare plek aan zijn lichaam; met een zwaren slag stortte
hij ter aarde. Maar zoodra hij den pijl uit de wond had getrokken,
waaruit een donkerroode bloedstroom gutste, verhief hij zich met een
sprong van den grond en stortte zich weer op de vijandelijke drommen.
Vele Trojanen doorboorde nog zijn speer; toen echter verstijfden hem
langzamerhand de ledematen en stervend zonk hij ineen, zoodat de aarde
dreunde onder de metalen rusting. Zijn lijk werd na een heet gevecht
door de Grieken naar hun legerplaats gered en plechtig verbrand. Zooals
hij het gewenscht had, verzamelden zijn vrienden het overschot en
plaatsten dit, in een gouden urn, in het graf, waarin zij ook het
gebeente van Patroclos bijzetten.
[Virgilius: Aeneis II.] Eindelijk, nadat de krijg tien jaren lang had
gewoed, viel Troje door list in de handen der Grieken. Op raad van den
sluwen Odysseus velden zij op het woudrijke Idagebergte hoogstammige
dennen, waaruit een reusachtig paard werd vervaardigd. De dapperste
helden verborgen zich in de ruime holte; de overige Grieken echter
staken hun tenten en hun legertros in brand en zeilden over naar het
naburige eiland Tènedos, waar zij landden.
Toen de Trojanen den rook uit de legerplaats zagen opstijgen en de
schepen in zee steken, stormden zij vol vreugde de stad uit naar de
legerplaats der Grieken en aanschouwden hier het reusachtige houten
paard. Terwijl zij het er onder elkaar over oneens waren of ze het
wonderwerk in de stad zouden sleepen of aan de vlammen zouden prijs
geven, trad Laòcoön, een priester van Apollo, in hun midden op, en
riep: „Ongelukkigen, wat dwaasheid bezielt u? Meent gij dat de Grieken
werkelijk zijn heengegaan, of dat een geschenk uit hun hand geen bedrog
in zich sluit? Kent gij dan Odysseus zoo weinig? Eén van beide: òf in
dit paard schuilt gevaar, òf het is een oorlogswerktuig, dat door den
in den omtrek spiedenden vijand tegen onze stad zal worden aangewend.
Hoe het ook zij, ik voor mij vertrouw het volk van Danaos niet, zelfs
al komt het met geschenken!” Daarop stiet hij een machtige, ijzeren
speer in den buik van het paard; die boorde trillend in het hout en uit
de holte klonk een doffe dreun als uit een diepen kelder. Maar de
Trojanen bleven blind voor het naderend onheil.
Ondertusschen brachten eenige herders een geboeiden Griek aan, die uit
eigen beweging hun tegemoet was gekomen, om door een verdicht verhaal
de stedelingen gerust te stellen omtrent de bedoeling van het paard en
hen des te zekerder in het verderf te doen loopen. Voor koning Prìamos
gebracht, vertelde Sinon, zoo heette de Griek, dat het kolossale beeld
tot een wijgeschenk voor Athene was bestemd om deze godin te verzoenen.
Het was zoo groot gemaakt om de Trojanen te verhinderen het door hun
stadspoorten te brengen, daar in dat geval de godin zich van de Grieken
zou afwenden om Troje bij te staan. Mochten evenwel de Trojanen zich
aan het goddelijk geschenk vergrijpen, dan zou de stad onvermijdelijk
in het verderf worden gestort.
Prìamos en alle omstanders schonken den bedrieger geloof; zij werden
nog meer doordrongen van de waarheid van zijn woorden, toen op
hetzelfde oogenblik een voorval plaats greep, waarin zij een
bestraffing meenden te zien van den priester Laòcoön wegens zijn
twijfel aan de bestemming van het paard. Van het eiland Tènedos
namelijk naderden twee slangen; in reusachtige kronkelingen schoven zij
voort over de zee. Laòcoön stond juist met zijn zonen aan het strand en
offerde. Toen schoten de monsters op de knapen toe en omstrengelden hun
lichamen, het teere vleesch met hun giftige tanden verwondend. Met
opgeheven lans snelde de vader zijn kinderen te hulp; ook om hem
kronkelden de slangen zich heen. Vergeefsch waren alle pogingen zich
los te winden; alle drie werden zij te pletter gedrukt en met het gif
doortrokken. Daarop gleden de monsters in snelle vaart naar den tempel
van Athene en verborgen zich onder het schild der godin.
Nu was bij de Trojanen alle twijfel gebannen; zij haalden een deel van
den stadsmuur neer en trokken het noodlottige geschenk jubelend de stad
binnen. De taal van Cassandra, de eenige, die het dreigende verderf
voorzag, werd in den wind geslagen en bespot. Allen gaven zich over aan
opgewonden feestvreugde; muziek en zang weergalmden door de straten der
stad, en door wijn en vermoeidheid bevangen, verzonken de Trojanen in
diepen slaap. Een vuursignaal, op het admiraalschip gegeven, was nu
voor de Grieksche vloot het teeken om terug te keeren naar het bekende
strand, en voor Sinon om zijn landgenooten te bevrijden uit hun houten
kerker. Zij verspreidden zich door de straten en huizen der stad en
richtten een afgrijselijk bloedbad aan. Allerwege werd brand gesticht
en niet lang duurde het, of uit de daken der woningen stegen rosse
vlammen omhoog. Ook de troepen van Tènedos waren geland en drongen door
de geopende poorten der stad binnen, die thans het schouwspel werd van
een ontzettende ellende. Grieken zoo goed als Trojanen stierven in de
worsteling of werden geveld, door brandende balken en steenen
getroffen. Hun gewonden, stervenden en dooden vermeerderden den stapel
der slachtoffers; ouderdom, geslacht noch stand bleef bespaard; de
grijze Prìamos werd aan den voet van een altaar doorstoken, Hectors
zoon Astỳanax uit de armen van zijn moeder gescheurd en van den
torenmuur naar beneden geworpen. Alleen Aenèas ontkwam; hij nam zijn
ouden vader Anchìses op den rug, zijn zoontje Ascanius aan de hand en
vluchtte door de straten van de brandende stad naar het strand der zee.
Het gelukte hem na lang en moeitevol zwerven een nieuw vaderland te
vinden; hij, de dappere Trojaansche held, werd de stamvader van het
Romeinsche volk.
Menelaos stormde het paleis binnen van zijn gemalin Hèlena en zou haar
in zijn eerste woede misschien hebben gedood, als niet zijn broeder
Agamemnon tusschenbeide was gekomen. Lang nog brandden de puinhoopen
van het eens zoo machtige Troje, nu voor goed van den aardbodem
verdelgd. Wie van de inwoners nog in het leven was gespaard, werd door
de Grieken als slaaf medegevoerd.