XI. PATROCLOS.

[XVI.] Toen eindelijk trad Patroclos de tent van Achilles binnen,

schreiend als een kind om al de ellende, die door de Grieken werd

geleden. Vol deernis stond de Pelide hem zijn verzoek toe, maar hij

waarschuwde hem tevens voor Hector; aan dezen moest hij zich niet

wagen, noch aan een god de hand slaan. Wel was de nood hoog gestegen en

redding dringend noodig; Ajax zelfs, de dappere, had ten laatste voor

Hector uit den weg moeten gaan, en deze had met de zijnen den brand in

een schip gestoken, zoodat de vlammen knetterend omhoog sloegen en ook

de overige schepen in groot gevaar verkeerden. Toen Achilles van zijn

tent uit de vlam uit het schip zag opstijgen, doortrilde diepe smart

het hart van den onbuigzame, en zelf spoorde hij zijn makker aan zich

te wapenen. Patroclos rustte zich haastig ten strijde en liet zijn

wagenmenner de paarden tuigen en aanspannen, terwijl Achilles zijn

manschappen in slagorde schaarde. Als hongerige wolven, vol onstuimigen

moed, stormden zij, Patroclos vooraan, op de Trojanen in. De schrik

sloeg hun om het hart en zij wendden zich ter vlucht; want zij

geloofden dat Achilles zijn toorn had laten varen en in eigen persoon

zijn troepen in het gevecht voerde. Tot aan de muren van de stad drong

Patroclos door, en hij zou ze bestegen hebben, als niet Apollo zelf hem

terug had gedreven. Toch woedde hij voort over het slagveld; tal van

krijgers waren reeds onder zijn slagen gevallen en nog steeds zocht hij

nieuwe slachtoffers. Toen naderde, in een nevel gehuld, Apollo hem van

achteren en ontrukte hem zijn wapenrusting; één der Trojanen trof hem

in den rug, juist tusschen de schouders, en toen hij, geknakt en

verbijsterd, terugweek onder zijn makkers, stormde Hector op hem los en

stiet den wankelenden held zijn speer in het lijf. Luid jubelde de

overwinnaar; maar stervend voorspelde nog Patroclos hem zijn naderend

einde; weldra zou ook hij vallen onder de handen van Achilles.

Goden- en Heldensagen · 第 49 / 74 题