[XVI.] Toen eindelijk trad Patroclos de tent van Achilles binnen,
schreiend als een kind om al de ellende, die door de Grieken werd
geleden. Vol deernis stond de Pelide hem zijn verzoek toe, maar hij
waarschuwde hem tevens voor Hector; aan dezen moest hij zich niet
wagen, noch aan een god de hand slaan. Wel was de nood hoog gestegen en
redding dringend noodig; Ajax zelfs, de dappere, had ten laatste voor
Hector uit den weg moeten gaan, en deze had met de zijnen den brand in
een schip gestoken, zoodat de vlammen knetterend omhoog sloegen en ook
de overige schepen in groot gevaar verkeerden. Toen Achilles van zijn
tent uit de vlam uit het schip zag opstijgen, doortrilde diepe smart
het hart van den onbuigzame, en zelf spoorde hij zijn makker aan zich
te wapenen. Patroclos rustte zich haastig ten strijde en liet zijn
wagenmenner de paarden tuigen en aanspannen, terwijl Achilles zijn
manschappen in slagorde schaarde. Als hongerige wolven, vol onstuimigen
moed, stormden zij, Patroclos vooraan, op de Trojanen in. De schrik
sloeg hun om het hart en zij wendden zich ter vlucht; want zij
geloofden dat Achilles zijn toorn had laten varen en in eigen persoon
zijn troepen in het gevecht voerde. Tot aan de muren van de stad drong
Patroclos door, en hij zou ze bestegen hebben, als niet Apollo zelf hem
terug had gedreven. Toch woedde hij voort over het slagveld; tal van
krijgers waren reeds onder zijn slagen gevallen en nog steeds zocht hij
nieuwe slachtoffers. Toen naderde, in een nevel gehuld, Apollo hem van
achteren en ontrukte hem zijn wapenrusting; één der Trojanen trof hem
in den rug, juist tusschen de schouders, en toen hij, geknakt en
verbijsterd, terugweek onder zijn makkers, stormde Hector op hem los en
stiet den wankelenden held zijn speer in het lijf. Luid jubelde de
overwinnaar; maar stervend voorspelde nog Patroclos hem zijn naderend
einde; weldra zou ook hij vallen onder de handen van Achilles.