[VIII.] Al spoedig echter begon weer de strijd; dagelijks wisselden
gevechten en veldslagen in de vlakte voor Troje elkander af en menige
krijger werd van weerszijden door een onverwachten dood naar den Hades
gezonden. Sedert Achilles zich echter vol wrok in zijn tent had
teruggetrokken, hadden de Grieken groote verliezen geleden; onder
Hector’s dappere leiding drongen de Trojanen steeds verder door en
kampeerden ten slotte vlak bij de gracht en den walmuur, die het kamp
der Achaeërs moesten beschermen.
[IX.] Nu kreeg Agamemnon bittere spijt over zijn vroeger optreden tegen
den zoon van Peleus, en hij besloot een poging te wagen om door
teruggave van Briseïs en door de aanbieding van rijke geschenken diens
goede gezindheid te herwinnen. Zijn gezanten troffen Achilles aan bij
de schepen der Myrmidonen, spelend op de lier; vol verbazing zag de
Pelide hen komen, maar gastvrij ontving hij ze in zijn tent en hij
onthaalde hen vorstelijk. Tot toegeven echter konden zij hem niet
bewegen; elke poging om hem te overreden zijn toorn te laten varen
bleef vruchteloos; te zeer haatte hij Agamemnon. Onverrichter zake
keerden de gezanten nog denzelfden avond naar het kamp der Grieken
terug.
[X.] Dien nacht lichtten overal op de vlakte de wachtvuren der
Trojanen, en onrust heerschte in het kamp der Grieken. Odysseus en
Diomèdes trokken op verkenning uit. Zij waren nog maar pas op weg, toen
zij stieten op Dolon, een Trojaan, die op zich had genomen de plannen
van de Grieken uit te vorschen. Na een korte, wilde jacht viel hij zijn
vervolgers in handen. Van hem vernamen Odysseus en zijn makker dat een
Tracische hulpbende van de Trojanen ver buiten den kring der kampvuren
gelegerd lag; daarheen richtten zich de beide mannen. Stil en
voorzichtig, gedekt door het duister van den nacht, drongen zij tot in
het hart van de legerplaats door. Zelfs de koning werd gedood; en op
diens snelle paarden, die zij met zooveel meer nog hadden buit gemaakt,
jaagden zij, pas toen de dag reeds naderde, naar hun makkers terug.
[XI.] Met ontzaglijke felheid ontbrandde in den morgen weer de strijd.
Als een leeuw woedde Agamemnon op het slagveld en tot de muren van
Troje drong hij den vijand terug. Toen werd hij gewond en wendde zijn
wagen. Daarop had Hector, naar Zeus’ bevel, gewacht; als een wervelwind
stortte hij zich aan de spits van de zijnen op de strijdende Achaeërs.
Te vergeefs trachtte Diomèdes den aanval te keeren; getroffen, moest
hij wijken. Evenzoo ging het Odysseus; en ook Ajax was niet bij machte
de Trojanen tot staan te brengen. Een bloedig gevecht ontspon zich, dat
met den algeheelen ondergang van de Grieken scheen te zullen eindigen.
In dien nood wendde Nestor zich tot Patroclos, den vriend van Achilles;
hij bezwoer hem den Pelide om zijn wapenrusting te vragen; verscheen
hij, Patroclos, aan het hoofd der Myrmidonen, zóó op het slagveld,
mogelijk zouden de Trojanen hem voor Achilles zelf houden en zou de
krijgskans keeren.
[XII.] Intusschen drongen de Trojanen steeds verder op, en besloten
eindelijk een aanval op het kamp der Grieken te doen. Verwoed werd op
den wal en bij de torens gevochten, man tegen man, en groote verliezen
werden aan beide zijden geleden. Ten slotte bezweek de poortdeur onder
een steenworp van Hector; toen was het pleit beslecht. Juichend
stormden door de ontstane opening en over den walmuur heen de Trojanen
binnen; angstig vluchtten de Grieken naar de schepen terug.
[XIII.] Daar echter hielden zij, op vermaan van Poseidon, nog eenmaal
halt; zij trachtten, dicht aaneengesloten, den aandrang van de Trojanen
te weerstaan. Een verbitterde en verwarde strijd was het gevolg van hun
pogen; maar als een leeuw vocht Hector, overal tegenwoordig; het
noodlot scheen niet meer af te wenden van de schepen.
[XIV.] Zelfs Agamemnon ontzonk de moed; ’t was immers duidelijk, dat
Zeus aan de Trojanen de overwinning verleende! Maar Hera waakte; in
verbond met den slaap wist zij den Alvader in zoeten sluimer te
brengen. Toen had Poseidon onder de Grieken vrij spel; luid klonk hun
strijdkreet, luider dan het bulderen van de opgeruide golven tegen het
strand van de zee, luider dan het geknetter van het droge hout bij een
hevigen boschbrand. En onweerstaanbaar drongen zij vooruit toen Hector,
door een zwaren steen getroffen, uit het strijdgewoel weggevoerd moest
worden.
[XV.] Reeds waren de Trojanen buiten het kamp teruggejaagd, toen Zeus
ontwaakte uit zijn sluimer. Dadelijk werd aan Poseidon bevel gezonden,
zich verder buiten den krijg te houden; mokkend trok hij zich terug in
de zee. Toen wekte Apollo, op last ook van Zeus, Hector opnieuw tot
strijden op; als een paard, dat zich los heeft gerukt van de kribbe,
rende hij het slagveld op, en onder een regen van pijlen en speren ging
het, met behulp van Apollo, de gracht weer over. Vlak bij de vloot
woedde weldra de strijd, man tegen man, nu met zwaard en met
strijdbijl, en reeds droegen de Trojanen het vuur aan, dat de schepen
in vlammen zou doen opgaan.