[VI.] Op zekeren dag, dat de strijd op het hevigst woedde, was Hector
naar de stad gesneld om zijn moeder Hècabe (Hecuba) te smeeken met
andere voorname Trojaansche vrouwen aan Athene een wijgeschenk te
brengen en haar te bidden, Troje niet door Diomèdes’ dapperheid te doen
vallen. Toen hij zijn opdracht had vervuld en de stad weer wilde
verlaten, kwam hem aan de poort zijn vrouw Andròmache te gemoet,
vergezeld van een slavin, die haar zoontje op de armen droeg. De trouwe
vrouw begon te weenen toen zij hem zag, vatte zijn hand en sprak:
„Vreeselijke man, uw moed zal u nog ten verderve voeren. Medelijden
kent gij niet met uw jeugdig kind en uw ongelukkige vrouw. Als ik u
verlies, wie zal mij dan bijstaan? Mijn moeder is gestorven, mijn vader
en mijn broeders heeft Achilles gedood. Gij, mijn man, zijt mij tot
vader, tot moeder en tot broeder tevens; nu gaat ook gij nog weg,
terwijl de Grieken reeds onze muren bestormen. O, blijf hier op den
wal! Maak mij niet tot een weduwe, uw kind tot een wees!”
Hector antwoordde haar: „Ook mij gaat dit alles ter harte. Maar te zeer
vrees ik de verachting der Trojanen, dan dat ik werkeloos zou kunnen
toezien bij den strijd. En toch, ik weet het, ’t zal alles te vergeefs
zijn! De dag zal komen, waarop Troje in asch verzinkt en Prìamos’
geslacht te gronde gaat. Dat smart mij diep! Maar meer nog grieft mij
uw lot, wanneer een trotsche Griek U weg zal voeren als slavin, wanneer
ge voor een vreemde zult werken aan den weefstoel of water zult halen
uit een ver verwijderde bron, wanneer men, als gij weenend daarheen
gaat, zal zeggen: zie, dat is de vrouw van Hector, van den held, die
eens boven alle anderen zich weerde voor de muren van Troje! Moge vóór
die dag komt de aarde mij bedekken!”
Dit zeggende strekte hij de handen uit naar het kleine kind in de armen
van de voedster. Maar angstig trok zich het knaapje terug, bang voor
den grooten, wuivenden helmbos. Glimlachend zagen dat vader en moeder.
Toen nam Hector den helm van zijn hoofd, zette hem neer op den grond,
kuste het kind en wiegde het zacht in zijn armen, biddend tot de goden
dat het mocht worden als hij, of meer nog dan hij, een vreugde en een
troost voor zijn moeder.
Zoo bad hij, en hij gaf het kind weer over aan zijn vrouw, die, lachend
door de tranen heen, het koesterde aan haar boezem. Toen werd ook
Hector door een onweerstaanbaren weemoed aangegrepen. Liefkoozend
streelde hij Andròmache de wang, en troostend sprak hij: „Wees niet al
te bedroefd! Het menschelijk leven rust in de hand der goden en niemand
zal mij tegen den wil van het noodlot naar het verblijf der dooden
zenden. Maar wien het lot eenmaal treft, die moet volgen, hij zij edel
of gemeen. Ga nu aan uw bezigheden, zorg voor het spinnewiel en den
weefstoel en spoor de dienende vrouwen tot werkzaamheid aan. De oorlog
is het werk der mannen, maar vooral van mij.”
Hij zette zijn helm op en snelde weg. Ook zij ging met het kind, maar
stond dikwijls nog stil en oogde hem na. Eerst in haar vertrekken
barstte zij los in geween; en met haar weenden de slavinnen, want zij
hadden allen haar lief, haar zelve en den edelen Hector. Een somber
voorgevoel vervulde haar harten; zij beschouwden den krachtigen held
reeds als gestorven, en zongen bij zijn leven reeds zijn lijkzang.