VI. PARIS EN MENELAOS.

[III.] De Trojanen trokken van hun kant op; weldra stonden de legers

tegenover elkaar. Toen trad Paris, een bont pantervel om de schouders,

gewapend met boog en zwaard en speren, uit het gelid en daagde met

luide stem den dapperste aller Grieken tot een tweestrijd uit.

Nauwelijks hoorde Menelaos dit, of hij sprong van zijn strijdwagen en

wierp zich als een leeuw den roover van zijn vrouw en van zijn schatten

in den weg. Paris schrok bij het zien van deze machtige tegenpartij;

sidderend week hij terug en verborg zich in het gedrang. Toen riep

Hector, vol verontwaardiging, hem toe: „Armzalige vrouwenheld, waart

gij toch gestorven, eer gij deze schande over uw huis hadt gebracht!

Hoort gij dan niet het spottend gelach van de vijanden, die zich

vroolijk maken over uw lafheid? Gij hadt dus wel den moed dien held

zijn vrouw te ontrooven, maar niet, u met hem te meten in den strijd?”

„Met recht valt gij mij hard,” antwoordde nu Paris. „Wilt ge mij echter

zien vechten, verkondig dan aan Trojanen en Grieken, dat ik thans met

Menelaos, voor de oogen der beide legers, den strijd wil aanbinden. Wie

van ons overwint, die hebbe Hèlena en haar schatten; gij bebouwt dan

weer in vrede uw akkers, en die daar schepen zich weer naar Griekenland

in.” Hector was verheugd over de woorden van zijn broer; hij ijlde naar

het voorste gelid en riep den strijdenden toe, de wapens te laten

rusten. „Hoort, gij Grieken, ik breng u een blijde boodschap: Paris,

mijn broeder, die alle ongeluk heeft verwekt, wil het ook doen

eindigen, en biedt Menelaos een tweegevecht aan, met Hèlena en al haar

schatten tot inzet.” Menelaos verklaarde zich bereid het tweegevecht

aan te nemen, en dadelijk ijlde een bode naar de stad om den ouden

koning Prìamos te ontbieden, die, naar landsgebruik, onder

voorgeschreven offerplechtigheden het verdrag moest bezweren.

Intusschen legerden alle troepen zich in lange rijen, Grieken tegenover

Trojanen, en verbeidden in de open ruimte vóór zich den tweestrijd.

Toen Prìamos in het veld was gekomen, verzamelden zich de vorsten en

Agamemnon verrichtte het offer. Hij schoor de schapen den kop en riep

de goden tot getuigen aan van het verdrag; daarop slachtte hij de

offerdieren en liet het bloed in het zand stroomen. Toen schepten zich

de vorsten wijn in de bekers, plengden den goden ter eere de eerste

druppels en riepen luide dat Zeus op dezelfde wijze het bloed mocht

vergieten van hem, die het eerst den heiligen eed verbrak. Met tranen

in de oogen reed nu de oude koning naar de stad terug; hij kon het

gevaar, dat zijn zoon bedreigde, niet mede aanzien.

Hector en Odysseus maten de kampplaats af, wierpen twee loten in een

helm om te beslissen, wie van beide strijders den eersten worp zou

doen, en schudden ze dooreen. Het lot van Paris sprong het eerst er

uit. Onmiddellijk weken alle anderen terug en beide strijders rustten

zich uit met scheenplaten, pantser, zwaard en schild, en dekten hun

hoofd met den koperen strijdhelm met wuivenden helmbos; toen traden zij

vooruit, en Paris wierp met forsche kracht zijn speer in de richting

van zijn vijand. Maar hij trof slechts den metalen rand van het schild

en de speer viel machteloos ter aarde. Op hetzelfde oogenblik suisde

Menelaos’ geweldige lans door de lucht, drong dwars door het schild en

het pantser van Paris heen, en zou hem zeker hebben doorboord, als hij

zich niet snel ter zijde had gewend. Dadelijk greep nu Menelaos zijn

zwaard, hief het op, en trof met zwaren slag zijn tegenstander op het

hoofd. Het wapen vloog echter in stukken en het gevest viel hem uit de

hand. Bijna schreiend van woede over dat verlies, schoot Menelaos op

Paris toe, greep hem bij den helm en sleurde hem zoo meê naar den kant

der Grieken. Paris dreigde te stikken door het knellen van den kinband;

zeker zou hij zijn omgekomen, had niet Aphrodite den band doen

springen. Menelaos hield nu den leegen helm in zijn handen en slingerde

dien zijn landgenooten toe. Daarop stormde hij opnieuw op zijn

slachtoffer los. Maar in een dichten nevel had reeds Zeus’ dochter hem

weggevoerd naar zijn woning in de stad. Te vergeefs speurde Menelaos

rond naar zijn vijand; hij was weg en niemand kon zijn verblijfplaats

aanwijzen. Gejuich echter daverde op van de zijde der Grieken en

Agamemnon riep luide zijn broeder tot overwinnaar uit. Hij verlangde

daarom de uitlevering van Hèlena en van alle geroofde schatten, en

bovendien een schadevergoeding voor den langdurigen oorlog, zooals dat

bij het verdrag was vastgesteld.

Goden- en Heldensagen · 第 44 / 74 题