[III.] De Trojanen trokken van hun kant op; weldra stonden de legers
tegenover elkaar. Toen trad Paris, een bont pantervel om de schouders,
gewapend met boog en zwaard en speren, uit het gelid en daagde met
luide stem den dapperste aller Grieken tot een tweestrijd uit.
Nauwelijks hoorde Menelaos dit, of hij sprong van zijn strijdwagen en
wierp zich als een leeuw den roover van zijn vrouw en van zijn schatten
in den weg. Paris schrok bij het zien van deze machtige tegenpartij;
sidderend week hij terug en verborg zich in het gedrang. Toen riep
Hector, vol verontwaardiging, hem toe: „Armzalige vrouwenheld, waart
gij toch gestorven, eer gij deze schande over uw huis hadt gebracht!
Hoort gij dan niet het spottend gelach van de vijanden, die zich
vroolijk maken over uw lafheid? Gij hadt dus wel den moed dien held
zijn vrouw te ontrooven, maar niet, u met hem te meten in den strijd?”
„Met recht valt gij mij hard,” antwoordde nu Paris. „Wilt ge mij echter
zien vechten, verkondig dan aan Trojanen en Grieken, dat ik thans met
Menelaos, voor de oogen der beide legers, den strijd wil aanbinden. Wie
van ons overwint, die hebbe Hèlena en haar schatten; gij bebouwt dan
weer in vrede uw akkers, en die daar schepen zich weer naar Griekenland
in.” Hector was verheugd over de woorden van zijn broer; hij ijlde naar
het voorste gelid en riep den strijdenden toe, de wapens te laten
rusten. „Hoort, gij Grieken, ik breng u een blijde boodschap: Paris,
mijn broeder, die alle ongeluk heeft verwekt, wil het ook doen
eindigen, en biedt Menelaos een tweegevecht aan, met Hèlena en al haar
schatten tot inzet.” Menelaos verklaarde zich bereid het tweegevecht
aan te nemen, en dadelijk ijlde een bode naar de stad om den ouden
koning Prìamos te ontbieden, die, naar landsgebruik, onder
voorgeschreven offerplechtigheden het verdrag moest bezweren.
Intusschen legerden alle troepen zich in lange rijen, Grieken tegenover
Trojanen, en verbeidden in de open ruimte vóór zich den tweestrijd.
Toen Prìamos in het veld was gekomen, verzamelden zich de vorsten en
Agamemnon verrichtte het offer. Hij schoor de schapen den kop en riep
de goden tot getuigen aan van het verdrag; daarop slachtte hij de
offerdieren en liet het bloed in het zand stroomen. Toen schepten zich
de vorsten wijn in de bekers, plengden den goden ter eere de eerste
druppels en riepen luide dat Zeus op dezelfde wijze het bloed mocht
vergieten van hem, die het eerst den heiligen eed verbrak. Met tranen
in de oogen reed nu de oude koning naar de stad terug; hij kon het
gevaar, dat zijn zoon bedreigde, niet mede aanzien.
Hector en Odysseus maten de kampplaats af, wierpen twee loten in een
helm om te beslissen, wie van beide strijders den eersten worp zou
doen, en schudden ze dooreen. Het lot van Paris sprong het eerst er
uit. Onmiddellijk weken alle anderen terug en beide strijders rustten
zich uit met scheenplaten, pantser, zwaard en schild, en dekten hun
hoofd met den koperen strijdhelm met wuivenden helmbos; toen traden zij
vooruit, en Paris wierp met forsche kracht zijn speer in de richting
van zijn vijand. Maar hij trof slechts den metalen rand van het schild
en de speer viel machteloos ter aarde. Op hetzelfde oogenblik suisde
Menelaos’ geweldige lans door de lucht, drong dwars door het schild en
het pantser van Paris heen, en zou hem zeker hebben doorboord, als hij
zich niet snel ter zijde had gewend. Dadelijk greep nu Menelaos zijn
zwaard, hief het op, en trof met zwaren slag zijn tegenstander op het
hoofd. Het wapen vloog echter in stukken en het gevest viel hem uit de
hand. Bijna schreiend van woede over dat verlies, schoot Menelaos op
Paris toe, greep hem bij den helm en sleurde hem zoo meê naar den kant
der Grieken. Paris dreigde te stikken door het knellen van den kinband;
zeker zou hij zijn omgekomen, had niet Aphrodite den band doen
springen. Menelaos hield nu den leegen helm in zijn handen en slingerde
dien zijn landgenooten toe. Daarop stormde hij opnieuw op zijn
slachtoffer los. Maar in een dichten nevel had reeds Zeus’ dochter hem
weggevoerd naar zijn woning in de stad. Te vergeefs speurde Menelaos
rond naar zijn vijand; hij was weg en niemand kon zijn verblijfplaats
aanwijzen. Gejuich echter daverde op van de zijde der Grieken en
Agamemnon riep luide zijn broeder tot overwinnaar uit. Hij verlangde
daarom de uitlevering van Hèlena en van alle geroofde schatten, en
bovendien een schadevergoeding voor den langdurigen oorlog, zooals dat
bij het verdrag was vastgesteld.