[Homeros: Ilias, boek I.] Negen jaren waren op deze wijze voorbijgegaan
sinds de Grieken voor Troje waren aangekomen, en nog was de stad niet
ingenomen. Tal van rooftochten waren in den omtrek gemaakt; allerlei
kostbaarheden, ook slaven en slavinnen, waren buitgemaakt. Onder de
laatste Chryseïs, een dochter van Chryses, een priester van Apollo; zij
was aan Agamemnon toegewezen.
Met den krans van Apollo op gouden staf, kwam nu Chryses in het kamp
der Grieken en bood voor zijn kind hun een grooten losprijs aan. Maar
Agamemnon joeg hem smadelijk weg. Zwijgend ging hij heen en aan het
eenzame zeestrand bad hij Apollo den smaad te wreken, die men hem had
aangedaan. De god verhoorde hem; somber als de nacht, den boog over de
schouders, de pijlen rammelend in den koker, schoot hij van den Olympus
neer. Ver van de vloot hield hij stand. Toen zond hij zijn pestdragende
pijlen naar het kamp der Grieken, elk schot raak en elk schot
doodelijk. Den tienden dag riep Achilles een volksvergadering samen;
hij wenschte dat een ziener de oorzaak zou vragen van Apollo’s toorn en
van hem het middel ter verzoening zou vernemen. De priester Calchas
echter aarzelde te spreken, bang voor den wrok van Agamemnon. Maar toen
Achilles hem zijn bescherming had toegezegd, openbaarde hij de reden
van de sterfte onder de Grieken: geen verzuim van offers, maar de
smaad, zijn priester aangedaan, had Apollo ontstemd; en niet voor dat
Chryseïs, zelfs zonder losprijs, was vrijgelaten, zou de god zich
tevreden toonen. Dreigend verhief zich toen Agamemnon; met grimmige
woorden wendde hij zich tot Calchas; hij weigerde Chryseïs uit te
leveren, tenzij men hem een geschenk van gelijke waarde teruggaf; wilde
men dat niet, hij zou het met geweld doen weghalen uit de tent van
Achilles, van Ajax of van Odysseus! Achilles werd boos, toen hij die
bedreiging hoorde; niet hìj was beleedigd door de Trojanen; toch had
hij het leeuwenaandeel gehad aan den strijd; maar als het op deelen was
aangekomen, was zijn geschenk steeds kleiner geweest dan dat van
Agamemnon. Liever keerde hij naar huis terug, dan nog langer voor dezen
buit te vergaderen! Minachtend antwoordde hem Agamemnon: vrij moest hij
maar heengaan als zijn gemoed hem daartoe dreef. Maar eerst nog zou hij
bemerken, hoever de aanvoerder der Grieken in macht hem te boven ging.
Zelf zou hij uit Achilles’ tent Briseïs weghalen, het meisje, dat dezen
als geschenk uit den buit ten deel was gevallen.
Dat was Achilles te erg. Hij had zijn zwaard getrokken en was op het
punt den overmoedigen Atride neer te stooten. Maar Pallas Athene daalde
af van den Olympus, greep hem bij zijn blonde haren en overreedde hem
met moeite, zijn toorn te bedwingen. Plechtig echter zwoer hij, dat hij
geen aandeel meer zou nemen aan den strijd tegen de Trojanen; eens zou
het Agamemnon bitter berouwen, dat hij het zoover had laten komen. Nog
deed Nestor, de oude vorst van Pylos, de wijze raadgever der Grieken,
een poging om in gemoede den twist bij te leggen; ’t was te vergeefs;
onder bittere, wederzijdsche verwijten werd de vergadering ontbonden.
Chryseïs werd aan haar vader teruggezonden; reinigingsoffers werden
gebracht. Maar ook werd op last van Agamemnon Briseïs weggehaald uit de
tent van Achilles. Smartelijk bleef deze den hoon gevoelen, door
Agamemnon hem aangedaan; ver van het strijdgewoel hield hij zich
werkeloos op bij de schepen, en op zijn verzoek richtte zijn moeder
Thetis zich met vleiende woorden tot Zeus, om van hem te verlangen, dat
hij voorspoed zou geven aan de Trojanen. Met een plechtigen hoofdknik
gaf de oppergod haar de verzekering van zijn goede gezindheid.
[II.] Dien nacht nog kreeg Agamemnon in den droom den raad, een aanval
op Troje te ondernemen. Vooraf echter wilde hij de gezindheid van zijn
mannen op de proef stellen. Daartoe riep hij den volgenden morgen een
vergadering samen. Hij stelde den Grieken voor naar huis terug te
keeren; de onderneming scheen immers toch op niets uit te loopen, de
vloot rotte weg op het strand, het touwwerk werd onbruikbaar.
En—anders, dan hij gehoopt had—dadelijk stormde de menigte naar de
schepen; Troje zou gespaard zijn, als niet Pallas Athene op bevel van
Hera, tusschenbeide was gekomen. Zij richtte zich tot Odysseus, die
door overreding en strengheid de Achaeërs al spoedig tot staan had
gebracht. Opnieuw zette men zich ter vergadering. Alleen Thersites,
leelijk van lichaam en leelijk van ziel, die altijd opruide tot verzet
tegen de vorsten, bleef ook nu nog doorrazen: eerder Achaeïsche vrouwen
dan mannen achtte hij hen, die zóó door Odysseus zich van hun voornemen
lieten afbrengen! Maar Laertes’ zoon legde hem gevoelig het stilzwijgen
op; onder de slagen van zijn scepter kromp hij huilend ineen. „Wel
smartelijk”—sprak toen Odysseus—„is het, zóó lang van huis te zijn;
maar schandelijk toch ook, onverrichter zake terug te keeren. En in het
tiende jaar, heeft Calchas voorspeld, zal Troje vallen; een korten tijd
dus nog moed gehouden!” Luide toejuichingen vertolkten hem den bijval
der vergadering. In gelijken geest sprak ook nog Nestor, en weldra ging
men uiteen, om zich uit te rusten tot den oorlog. Als scharen vogels
zwermden door de vlakte troepjes Grieken en voegden zich bijeen; als de
gloed van een boschbrand straalde het blinkende koper; zooals herders
hun kudden scheiden, deelden de vorsten hun mannen in benden en stelden
ze op voor den strijd. Het was een machtige aanblik, een geweldig
leger, uit alle deelen van de Grieksche wereld samengestroomd, onder
leiding van tal van beroemde helden. En ver boven allen blonk de
aanvoerder uit: Agamemnon, de zoon van Atreus.