V. ACHILLES EN AGAMEMNON.

[Homeros: Ilias, boek I.] Negen jaren waren op deze wijze voorbijgegaan

sinds de Grieken voor Troje waren aangekomen, en nog was de stad niet

ingenomen. Tal van rooftochten waren in den omtrek gemaakt; allerlei

kostbaarheden, ook slaven en slavinnen, waren buitgemaakt. Onder de

laatste Chryseïs, een dochter van Chryses, een priester van Apollo; zij

was aan Agamemnon toegewezen.

Met den krans van Apollo op gouden staf, kwam nu Chryses in het kamp

der Grieken en bood voor zijn kind hun een grooten losprijs aan. Maar

Agamemnon joeg hem smadelijk weg. Zwijgend ging hij heen en aan het

eenzame zeestrand bad hij Apollo den smaad te wreken, die men hem had

aangedaan. De god verhoorde hem; somber als de nacht, den boog over de

schouders, de pijlen rammelend in den koker, schoot hij van den Olympus

neer. Ver van de vloot hield hij stand. Toen zond hij zijn pestdragende

pijlen naar het kamp der Grieken, elk schot raak en elk schot

doodelijk. Den tienden dag riep Achilles een volksvergadering samen;

hij wenschte dat een ziener de oorzaak zou vragen van Apollo’s toorn en

van hem het middel ter verzoening zou vernemen. De priester Calchas

echter aarzelde te spreken, bang voor den wrok van Agamemnon. Maar toen

Achilles hem zijn bescherming had toegezegd, openbaarde hij de reden

van de sterfte onder de Grieken: geen verzuim van offers, maar de

smaad, zijn priester aangedaan, had Apollo ontstemd; en niet voor dat

Chryseïs, zelfs zonder losprijs, was vrijgelaten, zou de god zich

tevreden toonen. Dreigend verhief zich toen Agamemnon; met grimmige

woorden wendde hij zich tot Calchas; hij weigerde Chryseïs uit te

leveren, tenzij men hem een geschenk van gelijke waarde teruggaf; wilde

men dat niet, hij zou het met geweld doen weghalen uit de tent van

Achilles, van Ajax of van Odysseus! Achilles werd boos, toen hij die

bedreiging hoorde; niet hìj was beleedigd door de Trojanen; toch had

hij het leeuwenaandeel gehad aan den strijd; maar als het op deelen was

aangekomen, was zijn geschenk steeds kleiner geweest dan dat van

Agamemnon. Liever keerde hij naar huis terug, dan nog langer voor dezen

buit te vergaderen! Minachtend antwoordde hem Agamemnon: vrij moest hij

maar heengaan als zijn gemoed hem daartoe dreef. Maar eerst nog zou hij

bemerken, hoever de aanvoerder der Grieken in macht hem te boven ging.

Zelf zou hij uit Achilles’ tent Briseïs weghalen, het meisje, dat dezen

als geschenk uit den buit ten deel was gevallen.

Dat was Achilles te erg. Hij had zijn zwaard getrokken en was op het

punt den overmoedigen Atride neer te stooten. Maar Pallas Athene daalde

af van den Olympus, greep hem bij zijn blonde haren en overreedde hem

met moeite, zijn toorn te bedwingen. Plechtig echter zwoer hij, dat hij

geen aandeel meer zou nemen aan den strijd tegen de Trojanen; eens zou

het Agamemnon bitter berouwen, dat hij het zoover had laten komen. Nog

deed Nestor, de oude vorst van Pylos, de wijze raadgever der Grieken,

een poging om in gemoede den twist bij te leggen; ’t was te vergeefs;

onder bittere, wederzijdsche verwijten werd de vergadering ontbonden.

Chryseïs werd aan haar vader teruggezonden; reinigingsoffers werden

gebracht. Maar ook werd op last van Agamemnon Briseïs weggehaald uit de

tent van Achilles. Smartelijk bleef deze den hoon gevoelen, door

Agamemnon hem aangedaan; ver van het strijdgewoel hield hij zich

werkeloos op bij de schepen, en op zijn verzoek richtte zijn moeder

Thetis zich met vleiende woorden tot Zeus, om van hem te verlangen, dat

hij voorspoed zou geven aan de Trojanen. Met een plechtigen hoofdknik

gaf de oppergod haar de verzekering van zijn goede gezindheid.

[II.] Dien nacht nog kreeg Agamemnon in den droom den raad, een aanval

op Troje te ondernemen. Vooraf echter wilde hij de gezindheid van zijn

mannen op de proef stellen. Daartoe riep hij den volgenden morgen een

vergadering samen. Hij stelde den Grieken voor naar huis terug te

keeren; de onderneming scheen immers toch op niets uit te loopen, de

vloot rotte weg op het strand, het touwwerk werd onbruikbaar.

En—anders, dan hij gehoopt had—dadelijk stormde de menigte naar de

schepen; Troje zou gespaard zijn, als niet Pallas Athene op bevel van

Hera, tusschenbeide was gekomen. Zij richtte zich tot Odysseus, die

door overreding en strengheid de Achaeërs al spoedig tot staan had

gebracht. Opnieuw zette men zich ter vergadering. Alleen Thersites,

leelijk van lichaam en leelijk van ziel, die altijd opruide tot verzet

tegen de vorsten, bleef ook nu nog doorrazen: eerder Achaeïsche vrouwen

dan mannen achtte hij hen, die zóó door Odysseus zich van hun voornemen

lieten afbrengen! Maar Laertes’ zoon legde hem gevoelig het stilzwijgen

op; onder de slagen van zijn scepter kromp hij huilend ineen. „Wel

smartelijk”—sprak toen Odysseus—„is het, zóó lang van huis te zijn;

maar schandelijk toch ook, onverrichter zake terug te keeren. En in het

tiende jaar, heeft Calchas voorspeld, zal Troje vallen; een korten tijd

dus nog moed gehouden!” Luide toejuichingen vertolkten hem den bijval

der vergadering. In gelijken geest sprak ook nog Nestor, en weldra ging

men uiteen, om zich uit te rusten tot den oorlog. Als scharen vogels

zwermden door de vlakte troepjes Grieken en voegden zich bijeen; als de

gloed van een boschbrand straalde het blinkende koper; zooals herders

hun kudden scheiden, deelden de vorsten hun mannen in benden en stelden

ze op voor den strijd. Het was een machtige aanblik, een geweldig

leger, uit alle deelen van de Grieksche wereld samengestroomd, onder

leiding van tal van beroemde helden. En ver boven allen blonk de

aanvoerder uit: Agamemnon, de zoon van Atreus.

Goden- en Heldensagen · 第 43 / 74 题