De Grieken, die aan den tocht wilden deelnemen, verzamelden zich in
Aulis, een stad aan de Grieksche kust, tegenover Euboea. Het duurde
lang voor allen samen waren; onder het wachten vermaakten de helden
zich met de jacht. Eens joeg Agamemnon een prachtige hinde op, die hij
lang vervolgde, tot het hem eindelijk gelukte het dier te dooden. Maar
het hert was aan de godin der jacht, Artemis, gewijd, en in haar toorn
vroeg deze Poseidon, den god der zee, die ook de winden beheerschte, de
afvaart der Grieken te verhinderen.
Maanden lang liet hij windstilte heerschen, zoodat het den Grieken
onmogelijk was de haven van Aulis uit te loopen. Bij onderzoek bleek,
dat de boosheid van Artemis oorzaak was van den tegenspoed, en dat die
pas zou ophouden, als Agamemnon zijn oudste dochter Iphigeneia zou
offeren.
Bang voor een opstand in het leger als hij zou weigeren dit offer te
brengen, besloot Agamemnon, na een zwaren zelfstrijd, het meisje naar
Aulis te ontbieden; zij werd van huis weggelokt onder het voorwendsel,
dat zij aan Achilles uitgehuwd zou worden. Toen Clytaimnestra, haar
moeder, die mede naar Aulis was gekomen, vernam wat er eigenlijk zou
gebeuren, vertelde zij Achilles waartoe men zijn naam zoo schandelijk
had misbruikt. Samen besloten zij het offer te verhinderen,
Clytaimnestra door den drang van smeekende woorden, Achilles desnoods
door wapengeweld. Maar Iphigeneia, die wist, hoezeer haar dood haar
landgenooten zou baten, besloot voor hen haar leven te geven. Toen
echter Calchas, de priester, het offermes had opgeheven om het meisje
te treffen, daalde plotseling een wolk op het altaar neer; en toen die
weer was opgetrokken, lag een hinde geslacht op de offerplaats. Artemis
had Iphigeneia gered en weggevoerd naar Tauris, waar zij voortaan in
haar tempel als priesteres dienst deed.
Een gunstige wind blies nu weldra in de zeilen en na een gelukkige
vaart werd Troje bereikt. Toen de Grieken hier geland waren, trokken
zij hun schepen op het strand en sloegen daarbij hun tenten op.
Driemaal beproefden zij de stad stormenderhand in te nemen, waar de
muren het zwakst waren; maar ’t was vergeefs, want Troje was zwaar
versterkt en de inwoners weerden zich dapper. De Grieken moesten tot
een langdurig beleg overgaan; daar echter hun troepen niet voldoende
waren om de stad aan alle kanten in te sluiten, werd de onderneming van
het eene jaar tot het andere slepende gehouden. De verovering van tal
van naburige stadjes, zoowel op Aziatischen als Europeeschen bodem, was
langen tijd het eenige resultaat van den tocht.