IV. IPHIGENEIA IN AULIS.

De Grieken, die aan den tocht wilden deelnemen, verzamelden zich in

Aulis, een stad aan de Grieksche kust, tegenover Euboea. Het duurde

lang voor allen samen waren; onder het wachten vermaakten de helden

zich met de jacht. Eens joeg Agamemnon een prachtige hinde op, die hij

lang vervolgde, tot het hem eindelijk gelukte het dier te dooden. Maar

het hert was aan de godin der jacht, Artemis, gewijd, en in haar toorn

vroeg deze Poseidon, den god der zee, die ook de winden beheerschte, de

afvaart der Grieken te verhinderen.

Maanden lang liet hij windstilte heerschen, zoodat het den Grieken

onmogelijk was de haven van Aulis uit te loopen. Bij onderzoek bleek,

dat de boosheid van Artemis oorzaak was van den tegenspoed, en dat die

pas zou ophouden, als Agamemnon zijn oudste dochter Iphigeneia zou

offeren.

Bang voor een opstand in het leger als hij zou weigeren dit offer te

brengen, besloot Agamemnon, na een zwaren zelfstrijd, het meisje naar

Aulis te ontbieden; zij werd van huis weggelokt onder het voorwendsel,

dat zij aan Achilles uitgehuwd zou worden. Toen Clytaimnestra, haar

moeder, die mede naar Aulis was gekomen, vernam wat er eigenlijk zou

gebeuren, vertelde zij Achilles waartoe men zijn naam zoo schandelijk

had misbruikt. Samen besloten zij het offer te verhinderen,

Clytaimnestra door den drang van smeekende woorden, Achilles desnoods

door wapengeweld. Maar Iphigeneia, die wist, hoezeer haar dood haar

landgenooten zou baten, besloot voor hen haar leven te geven. Toen

echter Calchas, de priester, het offermes had opgeheven om het meisje

te treffen, daalde plotseling een wolk op het altaar neer; en toen die

weer was opgetrokken, lag een hinde geslacht op de offerplaats. Artemis

had Iphigeneia gered en weggevoerd naar Tauris, waar zij voortaan in

haar tempel als priesteres dienst deed.

Een gunstige wind blies nu weldra in de zeilen en na een gelukkige

vaart werd Troje bereikt. Toen de Grieken hier geland waren, trokken

zij hun schepen op het strand en sloegen daarbij hun tenten op.

Driemaal beproefden zij de stad stormenderhand in te nemen, waar de

muren het zwakst waren; maar ’t was vergeefs, want Troje was zwaar

versterkt en de inwoners weerden zich dapper. De Grieken moesten tot

een langdurig beleg overgaan; daar echter hun troepen niet voldoende

waren om de stad aan alle kanten in te sluiten, werd de onderneming van

het eene jaar tot het andere slepende gehouden. De verovering van tal

van naburige stadjes, zoowel op Aziatischen als Europeeschen bodem, was

langen tijd het eenige resultaat van den tocht.

Goden- en Heldensagen · 第 42 / 74 题