De mooiste vrouw echter, die toen op aarde leefde, was Hèlena, gehuwd
met Menelàos, koning van Sparta. Dus besloot Paris naar Griekenland te
varen om deze Hèlena te schaken. Door Aphrodìte, die hem tot den tocht
had aangespoord, begeleid, begaf hij zich op weg; de godin wist het zoo
te schikken, dat, toen Paris in Sparta aankwam, Menelàos juist op reis
was.
Naar de gewoonte dier tijden nam Hèlena den vreemdeling gastvrij in
haar woning op. Toen Paris haar zag, stond hij sprakeloos van
bewondering. En ook Hèlena kreeg al spoedig den jongeling lief; zij
liet zich overreden haar man te verlaten en met Paris op een schip naar
Troje te vluchten. En niet alleen dat zij haar plicht tegenover
Menelàos vergat, zij nam bovendien nog veel gouden en zilveren
voorwerpen mee, die hem toebehoorden.
Toen hij van zijn reis terugkeerde en bemerkte, dat zijn vrouw gevlucht
en zijn schatten geroofd waren, was Menelàos diep geërgerd en peinsde
op wraak. Hij vernam dat Paris, de zoon van den machtigen koning van
Troje, de roover van zijn vrouw en van zijn bezittingen was; maar hij
voelde zich niet machtig genoeg om alléén de trouweloosheid te wreken
en Hèlena te dwingen naar huis terug te keeren. Daarom zond hij
allereerst naar zijn broeder Agamemnon, den koning van Mycène, en liet
hem weten, wat er was geschied. De machtige Agamemnon beloofde zijn
broeder hulp. Toen werden boden gezonden naar alle Grieksche vorsten om
hen aan te sporen tot deelneming aan den tocht tegen Troje. Van alle
kanten werd medewerking toegezegd; alleen Odỳsseus, de koning van
Ithaca, trachtte zich te onttrekken aan de reis. Hij voelde zich zoo
gelukkig in het bezit van zijn jonge vrouw Penèlope en van zijn
pasgeboren zoontje Telèmachos, dat hij niet kon besluiten zijn
vreedzaam leven te ruilen voor de gevaren van den krijg. Hij hield zich
krankzinnig, toen men hem kwam halen voor den tocht; een ezel en een
stier had hij gespannen voor den ploeg, en hij strooide zout in de
kromme voren, die hij trok in het zand aan den oever van de zee. Toen
legde plotseling Palamèdes den kleinen Telèmachos vlak voor het kouter:
ineens was de houding van Odỳsseus een andere; span en ploeg was hij
volkomen meester. Het ging nu niet langer aan uitvluchten te zoeken;
ook hij trok mee. Op Palamèdes heeft hij zich echter met zijn vriend
Diomèdes later bitter gewroken. Zij begroeven geld in zijn tent, en
beschuldigden hem van verraderlijke verstandhouding met de Trojanen.
Toen het klinkend bewijs op hun aanwijzing werd gevonden, scheen
twijfel niet meer mogelijk; de ongelukkige werd, onschuldig,
veroordeeld en door zijn tochtgenooten gesteenigd.
Andere bekende deelnemers aan den tocht zijn: Nestor, de oude koning
van Pylus, de wijze raadgever der Grieken; Idòmeneus, de heerscher van
Creta; Ajax van Salamis, en zijn broeder Teucer; dan Ajax, de Locriër,
ook de kleine Ajax genaamd, terwijl de andere de groote heette. Door
slimheid en listige overredingskracht muntte Odỳsseus uit; door
dapperheid en mannelijke kracht Achilles, de grootste der Grieksche
helden voor Troje, dien zijn beste vriend en strijdmakker Patroclos
overal vergezelde.