Koning Belos van Lybië liet bij zijn sterven zijn rijk aan zijn beide
zonen na: Aigyptos kreeg het naar hem genoemde Aegypte, Dànaös erfde
het overige land; de eerste was vader van vijftig zonen, de laatste van
een vijftigtal dochters. Aigyptos, niet tevreden met zijn deel,
trachtte zich van het geheele gebied, waarover zijn vader geheerscht
had, meester te maken. Hij bestreed zijn broeder en overwon hem. Toen
begeerden zijn vijftig zonen de vijftig dochters van den overwonnene
tot vrouw. De Danaïden weigerden haar toestemming en vluchtten met hun
vader over zee naar Argos. Daar werden de vluchtelingen vriendelijk
opgenomen; de burgers van Argos riepen Dànaös zelfs tot hun koning uit,
toen een wonderteeken hun beduid had, dat dit de wil der goden was.
Ondertusschen rustten de zonen van Aigyptos schepen uit en landden in
Argos. Zij gaven voor met vreedzame bedoelingen te komen, maar zij
vielen intusschen hun oom zoo lastig, dat deze tenslotte voor hun
aandrang bezweek en hun zijn dochters ten huwelijk gaf. Dànaös echter
wantrouwde ook nu nog zijn neven en wrokte over zijn gedwongen vlucht
uit Afrika. Daarom gaf hij aan de meisjes dolken meê en liet haar
zweren dat zij in den nacht, die zou volgen op het bruiloftsfeest, haar
echtgenooten in den slaap zouden vermoorden.
Alle Danaïden volbrachten de daad; Hypermnestra alleen maar spaarde
haar man. Zij beiden regeerden, na Dànaös’ dood, over het rijk van
Argos; machtige helden stammen van hen af, o.a. Perseus en Hèrakles
(Hercules).
De overige Danaïden moesten zwaar voor haar misdrijf boeten. In den
diepen, donkeren Tàrtaros moeten zij dag in, dag uit, water scheppen in
een vat, dat nimmer vol wordt, daar in den bodem tallooze gaten zijn
aangebracht.