(HOMERUS: ILIAS VI reg. 155 vlgg.)
Een kleinzoon van dezen Sìsyphus was Bellerophontes. Hij had het
ongeluk op jacht zijn broeder te dooden en moest daarom uit Corinthe
vluchten. Zoo kwam hij bij den koning van Tiryns, die hem gastvrij
opnam. Hier zocht de koningin de liefde te winnen van den jongen man,
wien de goden schoonheid en kracht hadden verleend. Hij versmaadde haar
echter en zij, geërgerd, klaagde hem nu aan bij haar man: hij zou,
omgekeerd, met opvallenden ijver haar vriendschap hebben gezocht. De
koning geloofde de lasterlijke beschuldiging; maar daar hij hem zelf
niet wilde dooden, zond hij hem naar zijn schoonvader, koning Iobates
van Lycië, en gaf hem een wastafeltje mee, dat in geheime teekens het
verzoek bevatte den overbrenger te dooden. Iobates ook weer ontving hem
vriendelijk; negen dagen lang onthaalde hij hem feestelijk, en negen
stieren werden geslacht voor het maal. Den tienden dag echter vroeg hij
hem naam en afkomst; toen gaf Bellerophontes hem het tafeltje over, dat
hij mee had gekregen. De koning deinsde terug voor de bloedige
opdracht; liever zond hij zijn gast op ondernemingen uit, die hij bijna
zeker met den dood zou bekoopen. Eerst gaf hij hem last de Chimaira te
bestrijden, van voren een leeuw, van achteren een draak en een geit in
het midden; hij doodde het monster. Daarna droeg hij hem op de Solymers
te bevechten, een naburigen volksstam, die strooptochten maakte in het
Lycische land; hij overwon hen. Verder werd hij uitgezonden tegen de
Amazonen; zegevierend keerde hij terug uit den kamp. Eindelijk versloeg
hij nog een bende Lyciërs, tegen hem in hinderlaag gelegd. Toen begreep
Iobates dat zijn gast een bijzondere lieveling van de goden was; hij
gaf hem een van zijn dochters tot vrouw en deelde met hem zijn rijk.
Later verhaalde men, dat Bellerophontes zijn overwinningen behaalde,
gezeten op het paard Pègasus; uit den romp van de door Perseus gedoode
Medusa zou dit dier zijn ontstaan. Nog nimmer had het een menschelijken
ruiter gedragen; toen gaf Athene Bellerophontes een met goud beslagen
teugel, dien het ros zich gewillig liet aanleggen. Pijlsnel vloog het
voort, tot boven de rotskloof, waarin de Chimaira huisde, die nu door
Sìsyphus’ kleinzoon werd afgemaakt.
Jaren lang leefde Bellerophontes in ongestoord geluk. Maar de voorspoed
maakte hem overmoedig; hij begeerde zich met de goden op één lijn te
stellen. Om nu door te dringen tot het paleis van Zeus op den hoogen
Olympus, besteeg hij opnieuw den Pègasus. Toen trof de toorn van den
hemelvader den verblinden sterveling; het paard, door Zeus wild
gemaakt, steigerde hoog in de lucht en wierp den driesten ruiter ter
aarde, zoodat hij jammerlijk omkwam.