Corinthe, de groote handelsstad aan de smalle landengte tusschen Hellas
en den Peloponnesus, werd gesticht door Sìsyphus, een zeer listig man.
Als onverschrokken zeeman steeds bedacht op winst, wist hij door
sluwheid en bedrog onmetelijke rijkdommen te verwerven. Zijn hebzucht
verleidde hem zelfs tot verraad jegens de goden. Toen zond Zeus den
Dood, om hem naar de onderwereld te brengen. Maar de sluwerd was niet
licht te vangen. Hij bemerkte de nadering van den Dood, wist hem door
slimheid in zijn macht te krijgen en bond hem met sterke banden. Een
tijdlang stierf er toen niemand op aarde.
Eindelijk verscheen echter de krijgsgod Ares, bevrijdde den Dood en
leverde Sìsyphus aan hem over. Maar vóór hij naar de onderwereld ging,
droeg hij zijn vrouw op de gebruikelijke doodenoffers voor hem niet te
brengen. Toen nu Hades zich erover beklaagde, dat hij de gewone
geschenken niet ontving, wist hij verlof te krijgen zijn vrouw op dat
verzuim opmerkzaam te gaan maken. Eenmaal boven, toonde hij niet veel
lust naar het schimmenrijk terug te keeren. Hij bleef dus op aarde; tot
Hermes verscheen en hem voorgoed naar de onderwereld overbracht. Daar
werd voor straf hem opgelegd een zwaar rotsblok tegen een berg op te
wentelen. Telkens, als hij bijna boven is, ontsnapt hem de steen, en
altijd weer opnieuw, in eindelooze afmatting, moet hij met zijn
vergeefschen arbeid beginnen.