(OVÌDIUS. METAMORPHOSEN II, reg. I vlgg.)
Phaëton was de zoon van den zonnegod Helios en van een sterfelijke
koningsdochter. Aan zijn goddelijke afkomst werd echter getwijfeld;
daardoor gekrenkt, besloot hij zelf zijn vader op te zoeken en zich
zekerheid te verschaffen. Hij ging op weg naar de schitterende
zonneburcht, door Hephaistos met groote kunstvaardigheid gemaakt; rijk
was het materiaal, maar rijker nog het drijfwerk, waarmeê het versierd
was. Op een troon, schitterend van edelgesteenten, zat Helios, gekleed
in purperen gewaad; om hem heen stonden de eeuwen, de jaren, de maanden
en de dagen en ook de jaargetijden: de jonge lente, de zomer met een
krans van aren om het hoofd, de herfst, rood van druivensap, en de
koude winter met zijn ruige, grijze haren. Op grooten afstand bleef
Phaëton staan; hij kon den glans van het licht van meer nabij niet
verdragen. Toen nu zijn vader den stralenkrans, die hem de oogen
verblindde, had afgezet en hem naar de oorzaak van zijn komst had
gevraagd, vertelde hij die en vroeg om een onderpand, dat zijn afkomst
ontwijfelbaar zou kunnen bewijzen. Toen stond, ten teeken dat hij
werkelijk zijn zoon was, de zonnegod hem toe welke gunst ook te vragen
en bezwoer hem bij de goden van de onderwereld, dat hij die in zou
willigen. En Phaëton vroeg voor één enkelen dag het bestuur over den
zonnewagen. Bedenkelijk schudde Helios het hoofd, wees hem op de
gevaren, aan de reis verbonden en zocht met dringende woorden hem te
bewegen, iets anders te kiezen. ’t Was alles te vergeefs; Phaëton bleef
bij zijn verzoek.
Dus werd hij door zijn vader naar den wagen gebracht. Ook deze was door
Hephaistos gemaakt, de as en de dissel en de velgen uit goud, de spaken
uit zilver, en schitterende edelgesteenten versierden het juk. De
Horen, de eeuwig jeugdige godinnen van de jaargetijden, spanden de
paarden aan. Toen zette Helios zijn zoon den lichtenden stralenkrans op
het hoofd, gaf hem allerlei aanwijzingen ter herkenning van den weg,
allerlei wenken ter vermijding van gevaren, en liet hem, toen de tijd
van vertrek was gekomen, met bezwaard hart gaan. Hinnekend worstelde
het vurige vierspan met den slagboom, die het tegenhield; toen die weg
was genomen, schoten ze vooruit, de wolken door, den oostenwind
voorbij, die in dezelfde richting zich bewoog. Maar de wagen was
lichter dan hij anders placht te zijn; als een boot op de hooge zee
slingerde hij heen en weer. Ook misten de paarden de vaste hand van hun
gewonen bestuurder; zij dwaalden af van de voorgeschreven baan. Phaëton
werd bang; hij wist niet waarheen hij de teugels zou wenden, wist niet,
hoe hij zijn paarden weer meester zou worden. En toen hij zoo heel diep
beneden zich de aarde zag liggen, verbleekte hij van schrik; te midden
van zooveel licht kwam duisternis over zijn oogen. Hij speurde naar
redding om zich heen, maar ver achter hem lag het oosten, even ver voor
hem nog het westen en dreigend verhieven zich om hem heen de woeste
gestalten van de teekens van den dierenriem. De schorpioen strekte zijn
giftige scharen naar hem uit; toen liet hij de teugels glippen en in
onstuimige vaart sleurden de paarden hem met zich mee. Nu eens
verhieven zij zich hoog in de lucht, dan weer naderden zij tot vlak bij
de aarde; de wolken begonnen te verdampen, het gras verdorde, boomen
raakten in brand, heele steden gingen te gronde, rivieren droogden uit
en zelfs tot in de onderwereld drong het verblindende licht van den
zonnewagen door. Driemaal trachtte Poseidon zich te verheffen uit zee,
maar driemaal, door de hitte teruggeschrikt, dook hij weer onder. Toen
erbarmde zich Zeus over de bedreigde aarde en met een bliksemschicht
stortte hij den ongelukkigen Phaëton van zijn wagen. Als een ster, die
verschiet, tuimelde hij neer in de onmetelijke diepte. Treurend rouwde
de vader om zijn zoon; een geheelen dag bleef hij verborgen in zijn
paleis, een geheelen dag bleven de menschen van het zonlicht verstoken.
De aarde heeft van Phaëtons tocht de sporen bewaard. Afrika is voor een
groot gedeelte uitgedroogd en tot woestijn geworden. En de bevolking
van dat werelddeel heeft nog steeds een verbrande, zwarte huid.