(OVÌDIUS: METAMORPHOSEN I, reg. 244 vlgg.)
Het menschelijk geslacht was ten gevolge van dat alles verwilderd, en
zoozeer gewoon geraakt aan misdaad en kwaad, dat er geen hoop op
beterschap meer bestond en Zeus het besluit opvatte het te verdelgen.
Dichte regenstroomen deed hij neerdalen uit den hemel en Poseidon, de
beheerscher van zeeën en rivieren, deed met forsch geweld zijn wateren
uit de diepte losbreken, zoodat spoedig de geheele aarde overstroomd
werd. De menschen zochten redding op heuvels en bergen, op schepen en
vlotten; ze dreven rond op de plaats, waar zij nog kort te voren den
ploeg hadden gedreven door de vruchtbare akkers; zij voeren over de
daken heen van hun ondergedompelde huizen. Velen werden, tot zelfs op
de hooge toppen der bergen, door den wassenden vloed verzwolgen; en wie
door het water gespaard werd, kwam om door gebrek aan voedsel.
Twee menschen slechts, Deucalion en zijn vrouw Pyrrha, ontkwamen aan
den algemeenen ondergang. Zij hadden steeds eerbied voor de goden
getoond en met innige vroomheid hun gebeden opgezonden en hun offers
gebracht. Eenzaam dobberden zij rond op den onmetelijken plas en
bereikten eindelijk den top van den Parnassus, die alleen nog boven de
watervlakte uitstak. Toen zag Zeus hen en besloot hen te redden. Hij
deed het water zakken en ook Poseidon kalmeerde de opgeruide stroomen;
de zeeoevers werden weer zichtbaar; de rivieren trokken zich binnen
haar beddingen terug, en weldra vertoonde zich ook de oppervlakte der
aarde. Maar eenzaam lag zij daar, in groote verlatenheid; de velden
waren met slik bedekt, de boomen onder het water verstikt. Woest en
onbewoond strekte zij zich voor het oog der geredden uit; geen mensch,
geen dier vertoonde zich aan hun zoekenden blik.
Treurig overzagen beiden het tooneel der ellende. Zij besloten naar de
ruïne van een nabijgelegen heiligdom te gaan en daar de godheid om
herstel van het menschelijk geslacht te vragen. In vurig gebed wierpen
zij zich neer op den killen, steenen bodem; toen klonk een stem hun
tegemoet: „Gaat heen uit den tempel, omsluiert uw hoofd en werpt de
beenderen van uw groote moeder achter u.” Verwonderd hoorden beiden het
orakel aan en wisten niet wat het beduidde. Eindelijk echter sprak
Deucalion: „De woorden van de godheid bedoelen geen kwaad. Onze groote
moeder is de aarde, en de steenen zijn haar gebeente, dat wij achter
ons moeten werpen.” Wel achtte Pyrrha deze oplossing bedenkelijk, maar
men kon het, meende ze, licht eens probeeren. En zie, de steenen, die
zij nu, gesluierd, achter zich wierpen, verloren hun hardheid en namen
menschelijken vorm aan: het werden mannen of vrouwen, naarmate
Deucalion of Pyrrha ze geworpen had. Zoo is een nieuw geslacht van
menschen ontstaan, hard en opgewassen tegen zwaren arbeid, een
geslacht, dat in zijn werken zijn oorsprong nooit verloochent.
Deucalion intusschen heerschte nog langen tijd als een wijs en
rechtvaardig koning over zijn nieuwe onderdanen. Zijn zoon Hellen werd
de stamvader der Hellenen of Grieken.