(OVÌDIUS: METAMORPHOSEN XI, reg. 85 vlgg).
Toen de God van den wijn, Dionysos, nog op de aarde verkeerde om de
menschen te leeren hoe zij den wijnstok planten en uit de druif den
kostelijken wijn konden persen, kwam hij ook in het rijk van Midas, den
rijken vorst van Phrygië. In zijn gevolg bevond zich de oude Silènus,
die op bevel van Zeus den jongen god had opgevoed. Toevallig raakte
deze verdwaald en werd door onderdanen van Midas voor den koning
gebracht. Welwillend nam deze hem op, onthaalde hem vele dagen lang met
groote gastvrijheid en gaf hem toen aan Dionysos terug. Verheugd stond
de god aan Midas toe, zich een geschenk te kiezen. „Laat dan alles, wat
ik aanraak, in goud veranderen!” bad de vorst. En zijn wensch werd
vervuld; de tak, dien hij met de hand beroerde, de steen, dien hij
opraapte, de halmen, die hij afbrak en de vrucht, die hij plukte, ze
werden alle van goud. Maar ook het eten, dat hij aan den mond wilde
brengen, veranderde in goud, goud werd de wijn, dien hij aanraakte met
zijn lippen. Toen begreep hij het dwaze van zijn vraag; angstig en
beschaamd snelde hij naar Dionysos terug en bad vurig dat hem het
heillooze geschenk weer zou worden ontnomen. „Ga u dan baden in de bron
van den Pactolus, waar die het rijkelijkst vloeit,” antwoordde de god,
„en duik ook met uw hoofd onder water.” Midas deed het, de verleende
gave werd hem ontnomen, maar sedert dien tijd voert de Pactolus
goudkorrels mee in zijn stroom.
Eens waagde de herdersgod Pan het met Apollo een wedstrijd in muziek
aan te gaan. Toen de eerste zijn fluitspel geëindigd had, greep de
laatste zijn lier en ontlokte zulke wonderschoone tonen aan het
instrument, dat hem de prijs werd toegekend. Ieder was het met de
beslissing eens: alleen Midas achtte haar onrechtvaardig. Toen rekte
Apollo zijn ooren uit, deed ze met grijzige haren begroeien en maakte
ze beweeglijk: ezelsooren droeg voortaan koning Midas. Door het dragen
van een muts trachtte hij zijn schande te verbergen; alleen zijn
barbier moest de verandering bemerken, maar streng werd hem verboden
over de zaak te spreken. Hij kòn echter niet zwijgen en toch durfde hij
het geheim niet zoo maar openbaren. Hij groef daarom een gat in den
grond, fluisterde nauw hoorbaar zijn bevinding daarin, en maakte toen
het gat weer dicht. Dàt gaf opluchting! Maar toen op die plek later
biezen groeiden, klonk het dikwijls zacht in den wind: „Koning Midas
heeft ezelsooren!” en zoo is het geheim onder de menschen gekomen.