(HESÌODUS: „THEOGONIE” EN „WERKEN EN DAGEN”).
Er leefden echter twee broeders van goddelijk geslacht, wier vader, als
Titaan, tegen Zeus had gestreden; zij woonden onder de menschen en
waren hun zeer goed gezind. De een heette Prometheus, dat wil zeggen:
die vooruit denkt; de ander Epimetheus, de man, die achterna denkt.
Zeus, boos op de menschen, wilde hun het vuur onthouden; toen besloot
Prometheus het hun te verschaffen; heimelijk, in een rietstengel,
roofde hij het weg van den Olympus. Hevig toornde Zeus, toen hij den
hellen gloed van het vuur op aarde zag lichten. Toch ontnam hij het den
menschen niet, maar het goede, dat zij er door gewonnen hadden, deed
hij van veel kwaad vergezeld gaan. Aan Hephaistos gaf hij last uit klei
een mooie, jonge vrouw te vormen en haar stem en leven te geven; Athene
leerde haar aan den weefstoel kunstigen arbeid verrichten en Aphrodìte
omgaf haar met lieflijke bevalligheid. Maar Hermes schonk haar listigen
zin en de zucht om te behagen. Pandòra, de al-begiftigde, werd zij
genoemd.
Zeus gaf nu aan zijn bode last haar aan Epimetheus over te geven.
Prometheus had zijn broer gewaarschuwd voor elk geschenk van Zeus; maar
de zorgelooze, die steeds nadacht, als het te laat was, stoorde zich
daar niet aan en nam het meisje dankbaar aan. Te laat pas bemerkte hij,
hoe dwaas hij gehandeld had. Want Pandora lichtte, nieuwsgierig, het
deksel op van het vat, waarin alle onheilen waren geborgen. Toen
stormden zorgen en rampen er uit en verspreidden zich onder de
menschen, ziekten en kwalen, nood en ellende, waarvan zee en aarde vol
zijn. Alleen de hoop bleef boven aan den rand van het vat hangen en
vloog er niet uit, daar Pandora snel het deksel weer sloot.
En ook Prometheus, de trotsche beschermer der menschen, die het gewaagd
had zich tegen den wil van Zeus te verzetten, ontging zijn straf niet.
Twee goden kregen bevel hem naar den Kaukasus te brengen en Hephaistos
smeedde hem met sterke ketenen aan een rotsblok vast. Iederen dag kwam
een geweldige adelaar, boorde zijn scherpen snavel in het lichaam van
den weerlooze en pikte hem de lever uit; iederen nacht sloot de wonde
zich weer en groeide de lever weer aan, opdat den volgenden dag het
wreede spel opnieuw kon beginnen. Duldelooze pijnen leed Prometheus;
maar standvastig bleef hij weigeren het trotsche hoofd voor Zeus te
buigen en nooit kwam berouw bij hem op, dat hij het vuur had geroofd en
aan de aardbewoners had geschonken. Geduldig droeg hij zijn lijden,
totdat eindelijk Heracles den adelaar doodde en Zeus Prometheus van
verdere straf ontsloeg.