IN VIER TIJDPERKEN.

(OVIDIUS: METAMORPHOSEN I reg. 89 vlgg.)

Onder de regeering van Kronos werden de menschen geschapen; men

beleefde toen het gouden tijdperk. Er heerschte eeuwige lente op aarde

en een zachte wind streelde in de zoele lucht de bloemen, die zonder

zaaien geworden waren. De bodem droeg vrucht ook zonder dat hij bewerkt

werd, en zwaar hingen de aren over den ongeploegden akker. Zonder dwang

van wetten en bepalingen deden de menschen wat goed en rechtvaardig is;

vrees voor straf bestond niet en toch was ieder, zonder de bescherming

van een overheid, veilig. Geen schepen, op jacht naar winst, bevoeren

nog de zee, geen grachten omgaven de steden, krijgstrompet en harnas

waren onbekend; in rustigen vrede bracht men zijn leven door.

Toen Kronos echter naar den Tàrtaros was verbannen en Zeus de regeering

had aanvaard, maakte dit gouden tijdperk plaats voor het zilveren. De

jaargetijden ontstonden en de korte lente werd nu gevolgd door den

zomer, door herfst ook en winter. Huizen werden gebouwd, voren

getrokken, en in moeizamen arbeid moest de oogst aan den bodem

ontworsteld worden.

Als derde volgde het koperen tijdperk, reeds geneigd naar de wapens te

grijpen, maar aan eigenlijke misdaad toch nog vreemd.

Eindelijk brak als vierde het ijzeren tijdperk aan. Toen weken

schaamtegevoel en zin voor waarheid en goede trouw; list en bedrog en

inhaligheid deden hun intocht. Het verlangen om hun schatten te

vermeerderen dreef de menschen op zee en in de diepten der aarde; het

harde ijzer en het verderfelijke goud werden aan de oppervlakte

gebracht. Schrikkelijke wapens werden nu gesmeed en bloedige oorlogen

volgden elkaar op. Men leefde van roof; de vriend was voor den vriend,

de broeder voor den broeder niet meer veilig. Ook de eerbied voor de

goden was verdwenen, en diep verontwaardigd wendden dezen zich af van

het menschelijk geslacht.

Goden- en Heldensagen · 第 17 / 74 题