—Antwoordt mij nu naar waarheid en zoo kort mogelijk op de vragen, die

ik u zal stellen.

—Vraag slechts mijnheer!

—Zijn er veel bedienden hier in huis?

—Alles en alles—veertien koppen! Tien mannen en vier vrouwen.

—Wonen die allen binnenshuis?

—Op den chauffeur en den tuinman na. Die wonen te samen in een klein

huisje heelemaal achter in den tuin, die zich terzijde van het huis

uitstrekt!

—Zijn die bedienden reeds lang in dienst van mijnheer Cormick?

—De meesten van tien tot twintig jaar—een bijna dertig jaar en nog een

ander een jaar of vijf!

—Zijt gij tevreden over hen?

—Volkomen tevreden!

—Gij waart het zeker die hen aannaamt?

—Ja, in overleg met Miss Person de huishoudster.

—Kwam hier veel bezoek?

—Zeer weinig!

—Mijnheer Cormick was een weinig menschenschuw, nietwaar?

—Dat is zoo! Hij hield er niet van, op bezoek te gaan en evenmin om

bezoeken te ontvangen!

—Kent gij de beide neven van mijnheer Cormick?

—Ik heb hen wel eens gezien—maar slechts hoogst zelden!

—Zijn ze hier in den laatsten tijd geweest?

—Dat is minstens drie jaar geleden!

—Hoelang is mijnheer Dean hier in dienst?

—Omstreeks vier jaar!

—Hoe was de verstandhouding tusschen de beide heeren?

Mills scheen een oogenblik met zijn antwoord te aarzelen en zeide toen:

—Ik weet waarlijk niet—heeft het iets met de zaak te maken?

—Zeer veel! Misschien meer dan gij denkt! Ik hoop dat gij mij zonder de

minste aarzeling ook op deze vraag zult antwoorden!

—Welnu dan—in den laatsten tijd was de verhouding minder goed, naar ik

meen te hebben opgemerkt. Tweemaal heb ik een vrij ernstigen twist

gehoord!

—Waar liep het over?

—Over geldzaken!

—Hebt gij geen bijzonderheden kunnen hooren? Bedenk u eens goed!

Mills scheen even ingespannen na te denken, zoodat zijn oud gelaat in

rimpels trok en antwoordde toen:

—Het ging, geloof ik, over een afrekening—en mijnheer Cormick verweet

mijnheer Dean, dat hij de zaken niet ernstig genoeg behartigde, teveel

uitging, teveel geld uitgaf...

—Zoo. Woonde mijnheer Dean hier in huis?

—Neen, hij sliep in de stad.

—Is die laatste twist lang geleden?

—Een dag of veertien!

—Heeft mijnheer Cormick soms met ontslag gedreigd?

—Ja—dat herinner ik mij zeer goed. Hij zeide, dat er een eind aan moest

komen, dat hij de kunde van mijnheer Dean naar waarde schatte, maar dat

hij alles bedierf door zijn levenswijze.

—Was mijnheer Dean de vertrouwde van uw meester?

—In zijn zaken tenminste!

—Had hij het geldelijk beheer over de fabriek?

—Alles ging door zijn handen!

—Nu, dat alles is van groot gewicht. En nu komen wij aan een ander

hoofdstuk. De gewoonten van mijnheer Cormick waren ongetwijfeld zeer

vast?

—Geregeld als een klok!

—Hij dronk ’s-avonds meestal wijn met spuitwater?

—Nooit iets anders! Maar hoe kunt gij dat weten, mijnheer? vroeg Mills

verbaasd.

—O, ik weet nog heel wat meer! antwoordde Raffles glimlachend. Maar

daarover gaat het thans niet! Wie bracht hem gewoonlijk dien wijn en

dat spuitwater?

—Nooit iemand anders dan ik!

—Gij bewaardet dus de flesschen?

—Zoo is het!

—Hoe ging dat met het spuitwater, was er altijd een groote voorraad van

flesschen?

—Ik bestelde er altijd vijf en twintig tegelijk, dat was ongeveer voor

een maand voldoende. Tegen dat zij opraakten telefoneerde ik om een

nieuwen voorraad.

—Waren er nog veel flesschen, eergisteren?

—Nog drie of vier!

—Stonden zij achter slot en grendel?

—Welneen! Zij stonden eenvoudig op een plank in den kleinen kelder, die

bij de keuken hoort, om koel te blijven.

—Kan men dien kelder ook langs een anderen weg dan door de keuken

bereiken?

—Men kan er maar op een wijze in komen, mijnheer, door een gangdeur.

Mills had met stijgende verbazing naar deze vragen geluisterd en kon

zich niet weerhouden om uit te roepen:

—Zoudt gij mij eens willen zeggen, waarom gij mij dit alles vraagt?

—Dat behoef ik u niet te zeggen, goede vriend, dat zal je aanstonds

zelf gauw genoeg bemerken! antwoordde Raffles. Nu ga ik voort. Het was

dus mogelijk, dien kleinen kelder des avonds binnen te gaan, zonder dat

iemand van het personeel dit bemerkte?

—Dat was al heel gemakkelijk. De deur van den kelder was nooit

gesloten, want er stond niets van waarde in, enkele potten met

ingemaakte groenten voor het bediendenpersoneel, vruchten, een paar

flesschen wijn en dan de flesschen seltzer en spuitwater.

—Gij hebt dus gisteren avond de flesch wijn en de syphon naar het

werkvertrek van mijnheer Cormick gebracht?

—Zoo is het, mijnheer!

—Hoe laat was dat ongeveer?

—Omstreeks half elf.

—De flesch wijn was onaangebroken, nietwaar?

—Dat was zoo, maar hoe is het mogelijk dat gij....

—Ik zeide u toch immers al, dat ik heel wat weet! viel Raffles hem in

de rede. Ik neem aan dat mijnheer Cormick nooit meer dan een paar

glazen dronk? Wat deed hij dan met een volle flesch?

—Die sloot hij altijd in een afzonderlijk kastje van zijn bureau, met

het spuitwater, totdat het op was. Hij deed meestal een week over een

flesch wijn, hij was zeer matig en dronk den wijn sterk aangelengd.

—Maar het glas?

—Dat haalde ik altijd den volgenden dag weg!

—Hebt gij het vanmorgen reeds gedaan?

—Ik ben naar boven gegaan om het te halen, maar het was al weg.

—Wie had het gehaald?

—Dat weet ik niet!

—Hebt gij u niet een weinig verwonderd, dat het glas er niet meer

stond?

—Eigenlijk wel een weinig, want ik was de eenige bediende, die in die

kamer mocht komen. Ik ruimde haar ook altijd op.

—Waar was de flesch wijn en de syphon?

—Die zag ik ook niet meer, ik dacht natuurlijk dat zij in het bureau

zouden staan!

—Als gij daar eens zoudt gaan kijken, vriend Mills, dan denk ik niet

dat gij ze daar zult zien staan! zeide Raffles bedaard.

Mills keek den gewaanden detective met wijd geopenden mond aan en riep

toen uit:

—Maar gij zegt dat, mijnheer, alsof gij er vast van overtuigd waart,

alsof gij daaromtrent zekerheid hadt!

—Zekerheid heb ik niet, maar wel een sterk vermoeden! En nu gaan wij

weder op een ander onderwerp over voorloopig. Wie ontdekte het eerst de

dood van mijnheer Cormick.

—Dat was mijnheer Dean!

—Wat deed hij toen?

—Hij riep dadelijk het geheele huis bij elkaar!

—Hoe weet gij dat hij het dadelijk deed?

—Dat—dat vermoed ik, mijnheer! stotterde de butler. Natuurlijk heeft

hij het dadelijk moeten doen!

—Kortom—gij weet het niet zeker! hernam Raffles glimlachend. Hoorden de

bedienden dat geroep dadelijk?

—Natuurlijk—zij waren immers reeds op!

—Hoe laat was het ongeveer?

—Een weinig over negenen.

—Maar hoe is het mogelijk dat mijnheer Cormick niet veel eerder vermist

werd! Hoe laat stond hij gewoonlijk op?

—Altijd om acht uur!

—Wie wekte hem?

—Niemand! De wekker liep af, hij werd op de minuut af om acht uur

wakker, nooit later dan acht uur, ook Zondags niet, hij stond op, nam

zijn bad, kleedde zich aan en ging dan naar de kleine ontbijtkamer

naast zijn slaapkamer, waar ik intusschen het eenvoudig ontbijt had

gereed gezet. Vandaar ging hij langs een aparte trap, of met de lift

naar zijn werkkamer, waar mijnheer Dean zich dan een paar minuten later

bij hem voegde.

—Het is dus mogelijk, dat mijnheer Cormick in het geheel niet in zijn

slaapkamer was, zonder dat gij of de huishoudster het merkten?

—Dat was heel goed mogelijk, mijnheer! Mijnheer Cormick deed alles zeer

stil, al zijn vertrekken lagen in den toren, bijna zestig Meter boven

den grond en hij deed heel veel zelf—het vullen van zijn bad, het

weghangen van zijn kleederen en meer van die dingen. Wij wisten dus

werkelijk niet beter, of mijnheer Cormick was op zijn gewonen tijd

opgestaan en had ontbeten, om zich vervolgens naar zijn werkkamer te

begeven.

Raffles bleef een oogenblik in gedachten verzonken zitten, stond op en

zeide toen met een ernstige stem:

—Gij kunt nu aanstonds gaan zien, Mills, of de syphon en de wijn op hun

gewone plaats in het kastje van de schrijftafel staan. Ik denk echter

dat gij ze daar niet zult vinden—en minstens de syphon niet. Die

bevindt zich op dezelfde plaats waar het glas is.... en als ik mij

daarin niet vergis—dan is James Dean de moordenaar van uw meester en

niemand anders.

HOOFDSTUK VII.

GEBOET!

Mills, die eveneens reeds was opgestaan, viel met een kreet weder in

zijn stoel terug en keek Raffles doodelijk verschrikt aan.

Toen stotterde hij:

—Dat is—dat zou verschrikkelijk zijn, mijnheer! Het komt mij bijna

onmogelijk voor. De inbrekers....

Raffles haalde de schouders op en zeide:

—Zij hebben er niets mede te maken, mijn vriend! Geloof mij! Later zal

u wel blijken, waarom ik dat met zooveel zekerheid kan zeggen! Houdt je

goed en toon nu geen zwakheid—want waarschijnlijk zal ik je hulp wel

noodig hebben bij wat ik nu wil doen! Is mijnheer Dean hier op dit

oogenblik?

—Ja, hij is boven in den toren en regelt voorloopig de zaken!

—In zijn eigen werkkamer natuurlijk?

—Ja, daar moet hij zijn!

—Voor ik het vergeet—is de electrische installatie weer hersteld?

—Ja, de electriciens zijn zooeven vertrokken—het was een heel werk, dat

verzeker ik u.

—Dat kan ik mij voorstellen! zeide Raffles glimlachend. De lift werkt

dus weder?

—Ja, sedert een kwartier. Er was met opzet kortsluiting gemaakt....

—Ja, daarvan meen ik zooiets te hebben gelezen! viel Raffles hem in de

rede. Maar nu moesten wij maar eens handelen.

—Maar voor ik u daarbij help, mijnheer—zeg mij toch eerst, waarom gij

mijnheer Dean verdenkt? riep de oude butler met bevende stem. Het is

zoo verschrikkelijk, te moeten denken, dat een man, die zijn brood at,

die vier jaar bij hem in dienst is geweest, zulk een laaghartige

misdaad aan hem zou begaan!

—Ik kom tot die gevolgtrekking, eenvoudig door te redeneeren, vriend

Mills. In het kort komt het hier op neer dat iemand glas en syphon moet

hebben gehaald, om de sporen van de misdaad uit te delgen, nu een

noodlottig toeval heeft uitgemaakt dat hier vergiftiging en geen

beroerte in het spel was—en die iemand moet noodzakelijk dezelfde

persoon zijn geweest, die het eerst alarm maakte!

—Dat is wel zoo, maar....

—Maar vergeet gij dan zelf wat gij mij zooeven gezegd hebt? hernam

Raffles eenigszins ongeduldig. Hebt gij mij niet gesproken van een

twist tusschen de beide mannen? Zou Dean wellicht niet ontslagen

worden? Had er geen onregelmatigheid met een van zijn afrekeningen

plaats gehad? Mijnheer Cormick werd gevaarlijk voor hem—en— — —

Maar hij viel zichzelf in de rede en vervolgde levendig:

—Er had hier zeker ieder kwartaal een vergadering van aandeelhouders

plaats?

—Ja, op den eerste van de maand!

—Werd dan een staat van de kas opgemaakt?

—Neen, dat deed de Raad van Commissarissen om de drie maanden!

—Stond zulk een opneming van de kas voor de deur?

—Ja, dat had binnen drie dagen moeten geschieden!

—Dan weet ik genoeg! Zou mijnheer Dean onze nadering merken?

—Ja, nu de electrische installatie weder in orde is! Wanneer de lift

naar boven komt, wordt hij gewaarschuwd door een electrisch sein in

zijn kamer!

—En als men de trap gebruikt?

—Ook dan, want de bovenste trede van iedere trap op elk portaal is

bewegelijk en als men er op trapt ontstaat er contact en ook dan gaat

de schel in zijn vertrek over!

—Dan zullen wij over die laatste trede heenstappen—het is niet

noodzakelijk dat wij onze komst aankondigen! Apropos—mijnheer Dean is

zeker altijd gewapend?

—Ja, hij heeft steeds een browning in zijn zak!

—Nu, dan zijn wij tenminste gewaarschuwd! Kom—wij zullen hem dadelijk

eens gaan opzoeken!

—Maar gij zult op een bijzondere wijze moeten kloppen, mijnheer—anders

laat hij u niet binnen! riep de butler uit.

—Goed—dan vergezelt gij ons naar boven, gij klopt op de afgesproken

wijze—en gij zegt dat er bezoek is. Dat is wel voldoende. Ik zou ook

niet kunnen inzien waarom Dean wantrouwen zou kunnen koesteren, nu

alles in zijn voordeel schijnt te zijn! En als hij het wel koestert—nu,

dan denk ik toch, dat hij aan het kortste einde zal trekken!

Hij had Charly een snellen blik toegeworpen en beiden maakten zich nu

gereed het laatste gedeelte van hun taak te gaan vervullen.

De drie mannen begaven zich weder naar de gang en liepen naar de

vestibule terug.

Daar beklommen rij de trap, die toegang gaf tot den toren, en hadden

spoedig de lift bereikt.

Maar op het oogenblik dat zij in de lift zouden stappen, weerhield

Raffles de anderen met een gebaar en wendde zich tot Mills met de

vraag:

—Gij zeidet immers zooeven dat mijnheer Dean gewaarschuwd wordt, als de

lift naar boven gaat?

—Ja—en ook als men de trap bestijgt, mijnheer, zooals ik u reeds gezegd

heb!

—Hoe heeft die waarschuwing met de lift plaats?

—Door een voortreffelijk verborgen contactdraad, mijnheer! Hier in huis

wisten maar drie personen waar zich die draad bevond!

En hij trad op een der stijlen van de lift toe, waartusschen de kooi

naar boven gleed en tikte er met den vinger op.

—De stijl is hol, mijnheer—en de draad loopt er door! Men zou het

metaal moeten aanboren om hem te kunnen bereiken!

—Zeer knap uitgedacht—maar dat duurt mij wel een weinig te lang! hernam

Raffles! Dan zullen wij maar liever van de trap gebruik maken en de

bovenste treden vermijden!

En zij gingen verder en begonnen de trappen te beklimmen.

Het was een vrij vermoeiend werkje en vooral de oude Mills had er last

mee, maar nu zijn argwaan eenmaal was gaande gemaakt, werd hij bezield

door een ware woede en wraaklust en hij zou desnoods den Eiffeltoren

beklommen hebben om den moord op zijn meester te wreken, dien hij,

ondanks diens stuggen aard, zijn stilzwijgendheid en zijn

kortaangebonden wijze van optreden, met trouwe liefde had aangehangen,

zijn leven lang.

Bij ieder portaal droeg men er zorg voor, de bovenste trede over te

slaan en eindelijk bereikte men de gang, waarop de deur van het metalen

vertrek uitkwam.

Hier stonden zij een oogenblik stil en Raffles fluisterde:

—Misschien hadden wij er goed aan gedaan, eerst de electrische

installatie buiten dienst te stellen—zooals de inbrekers in den

afgeloopen nacht hebben gedaan.

—Hoe zoo, mijnheer? vroeg Mills.

—Wel, natuurlijk om ons leven te beveiligen. Gij zijt op de hoogte—gij

zult toch ook wel weten dat men, als het moet, den geheelen toren

electrisch kan laden, met een stroom, sterk genoeg om een mensch te

dooden, of althans bewusteloos te maken.

—Dat is zeker waar, mijnheer—maar ik begrijp niet hoe gij het weet!

hernam Mills verwonderd. Ik weet zeker dat ik u nooit tevoren gezien

heb!

—Misschien vergis je je wel, vriend Mills! hernam Raffles glimlachend.

Maar nu genoeg gepraat—nu moet er gehandeld worden! Maar wacht nog een

oogenblikje!

Hij stak zijn hand in den diepen buitenzak van zijn wijden overjas en

haalde er een paar overschoenen uit met zoolen van bijna een duimdik.

Charly volgde dit voorbeeld en de beide mannen trokken de schoenen over

hun eigen laarzen aan.

—Ga nu uw gang maar! fluisterde Raffles, En loop nu gewoon, want het is

niet goed als hij schrikt van uw komst. Zeg maar dat er een paar heeren

zijn van de belasting of de successie, die gaarne eenige inlichtingen

willen hebben.

—Maar veronderstel dat hij de deur niet opent?

—Dan gaan wij naar boven en gij wijst ons het mechaniek, om de schijf

van de opening weg te draaien.

Mills kon met moeite een kreet van verbazing weerhouden en keek Raffles

verschrikt aan.

—Weet gij dat dan ook al, mijnheer? vroeg hij onthutst. Ik ben er toch

van overtuigd dat gij hier volkomen vreemd zijt! De inrichting is

slechts aan zeer weinig personen buiten dit huis bekend. Maar hoe het

ook zij—gij kunt niet naar boven gaan, of gij zoudt langs de

buitenzijde van den toren door een der venster naar binnen moeten

klimmen en dat is van hier af volkomen onmogelijk.

—Dan moeten wij het er maar op aan laten komen! zeide Raffles, na even

te hebben nagedacht. Hij zal wel zoo verstandig zijn om geen vat op

zich te geven, door zijn deur gesloten te houden! En ik herhaal het—het

is onmogelijk dat hij eenig wantrouwen koestert—behalve natuurlijk

tegen de inbrekers...

—En die zijn in geen velden of wegen te zien! vulde Mills den zin aan

met een flauw glimlachje. Welnu mijnheer, dan zal ik gaan kloppen.

Hij liep met zijn gewonen stap door de gang en Raffles en Charly

volgden hem, maar hun gummizoolen maakten hun schreden volkomen

onhoorbaar op den metalen vloer.

En Mills klopte aan, op de eigenaardige wijze, waardoor hij reeds jaren

zijn komst aankondigde en waardoor ongenoode bezoekers, die toevallig

den toren hadden kunnen binnengaan zonder dat het gemerkt werd, uit de

kamer werden gehouden.

Zoodra Mills had geklopt, vroeg daarbinnen de stem van Dean:

—Ben jij het Mills? Wat wil je?

—Er zijn beneden twee heeren van de successie, mijnheer Dean, die u

willen spreken.

—Ik heb nu geen tijd—zeg dat zij terug komen! klonk het kortaf. Na de

begrafenis. Hebben zij zoo ’n haast?

Dat was nu een streep door de rekening, maar Mills liet zich niet zoo

spoedig uit het veld slaan.

Bliksemsnel had hij iets anders bedacht.

—Zij hebben mij een brief gegeven, dien gij onmiddellijk moet lezen,

mijnheer! Zij wachten op antwoord—het is van het grootste belang!

Toen werd er binnen een gebrom gehoord, er klonken schreden en de deur

werd op een handbreed geopend.

—Geef hier dien brief—en zeg dat zij naar den duivel kunnen loopen!

klonk de stem van Dean.

Hij stak de hand uit om den brief aan te nemen—en die hand werd

gegrepen door een andere hand, die haar met de grootste hartelijkheid

scheen te schudden.

Het was Raffles, die Mills een weinig terzijde had geschoven en nu

vriendelijk zeide:

—Blij kennis met u te maken, mijnheer Dean. U permitteert zeker wel dat

mijn vriend en ik even binnen komen?

Wij zouden gaarne eens met u spreken?

Dean staarde Raffles een oogenblik strak door de deuropening aan en

vestigde toen den blik van zijn grijsgroene oogen op Mills, die een

paar stappen achteruit was getreden en hem uitdagend aankeek, om ze

tenslotte te laten rusten op Charly Brand, die nu ook zichtbaar was,

daar Raffles met de andere hand de deur verder had opengeduwd, zoodat

er aan sluiten niet meer te denken viel.

Maar wie of wat Dean ook mocht zijn, hij was een man die zijn

koelbloedigheid wist te bewaren en zijn stem klonk dan ook alleen wat

ongeduldig en verbaasd, toen hij zeide:

—Wat moet dat beteekenen? Is het een grap? Ik ken u in het geheel niet!

—Dat is geen bezwaar, mijnheer Dean, gij zult mij leeren kennen!

antwoordde Raffles hoffelijk. Daartoe zullen vijf minuten voldoende

zijn, meen ik.

—Maar wat zeide Mills mij dan? Ik dacht dat hij u beneden had laten

wachten. Er was sprake van een brief?

—O, dat zijn van die kleine vergissingen, welke men een man op leeftijd

moet vergeven! zeide Raffles op verontschuldigden toon. Vriend Mills je

kunt wel gaan, maar ik zou er prijs op stellen als je in de vestibule

bleef. Misschien hebben wij je diensten wel spoedig noodig!

En hij knikte den butler toe en trad, door Brand op de hielen gevolgd,

het ijzeren vertrek binnen.

Brand deed de deur dicht, de drie mannen waren alleen.

En nu pas liet Raffles de hand van Dean los, keek hem eens aandachtig

aan en begon toen:

—Het spijt mij, mijnheer Dean, als wij ons misschien niet heel en al

volgens de regelen der etiquette hebben gedragen, maar gij kent

misschien het Fransche spreekwoord wel dat zegt: „à la guerre comme à

la guerre”. Wij moesten deze kleine krijgslist wel gebruiken...

—Waarom, als ik vragen mag? vroeg Dean, die zijn oogen nog geen seconde

van het gelaat van Raffles had afgewend.

—Waarom? Wel, wij wisten wel dat het voor u onaangenaam zou zijn, thans

te worden gestoord, in uw hoedanigheid van secretaris van den dierbaren

overledene. Gij hebt natuurlijk zeer veel werk, om alles te regelen.

Gij zult de erfgenamen moeten ontvangen, gij zult uw kas moeten

verantwoorden en meer van die hoogst belangrijke dingen, waarin men

nooit gaarne gestoord wordt!

—Het is dan wel van zeer groot belang, hetgeen gij mij te zeggen hebt?

vroeg Dean, die aandachtig geluisterd had, als iemand die den minsten

verdachten klank in de stem van een ander beluistert.

—Van zeer groot belang, mijnheer Dean!

—Voor u, of voor mij?

—Voor u, voor u, mijnheer Dean! antwoordde Raffles op levendigen toon.

Uitsluitend voor u. Voor ons beiden heeft het niets te beteekenen.

Er kwam een loerende uitdrukking in de oogen van Dean en hij deed

langzaam een paar stappen achteruit.

Raffles glimlachte slechts.

Toen hernam Dean:

—Zoudt gij mij willen zeggen, wie gij zijt en wat gij van mij wilt! Gij

hadt zooeven gelijk, toen gij zeidet, dat ik het zeer druk heb! Kom dus

spoedig terzake, wat ik u verzoeken mag! Gij zult mij toegeven dat ik

gelijk heb om verbaasd te zijn over uw manier van optreden.

—Dat kan ik mij levendig voorstellen, mijnheer Dean en ik maak er u dan

nogmaals mijn verontschuldiging voor. Wie wij zijn, dat zullen wij

spoedig genoeg mededeelen! Gij staat ons zeker wel toe plaats te nemen?

—Ik weet niet of dat noodig is, mijnheer! zeide Dean koeltjes. Ons

gesprek zal waarschijnlijk zeer kort duren, denk ik!

—O ja, daaraan hebt gij ongetwijfeld gelijk! viel Raffles hem in de

rede. Welnu, ik heb er ook niets op tegen te blijven staan!

—Zoudt gij nu eindelijk ter zake willen komen, mijnheer? vroeg Dean en

Charly Brand zag hoe zijn rechterhand in zijn broekzak verdween.

—Gaarne, mijnheer! Wij zelven hebben niet heel veel tijd! Wij zeggen

dus dat wij komen in verband met... den moord op mijnheer Cormick!

Dean hield zich goed, dat moest in ieder geval erkend worden. Hij

toonde zich een weinig ongeduldig, toen hij uitriep:

—Het is ongetwijfeld een vreeselijk geval, maar ik begrijp niet waarom

gij u tot mij wendt. Ik kan u geen inlichtingen geven. Ik woon niet in

dit huis, ik ben om half zeven weggegaan en pas om negen uur weder

teruggekeerd van morgen!

—Ja, Ja, dat is ons bekend! zeide Raffles met een kort hoofdknikje.

Hij had zijn hoed afgezet, streek zich over het voorhoofd en vervolgde:

—Sapristie, wat is het hier warm in dit vertrek. Men wordt er dorstig

van! Vindt gij het onbescheiden, mijnheer Dean, als ik u vraag of gij

iets voor ons te drinken hebt?

Het valsche licht in de oogen van Dean verscherpte zich en hij deed

opnieuw een stap achteruit in de richting van de hefboomen, die uit den

muur staken.

Maar zijn stem klonk volkomen beheerscht, toen hij ten antwoord gaf:

—Op dat tafeltje staat een karaf water met glazen!

—Water? gewoon water? Neem mij niet kwalijk—maar dat is niet bijzonder

gastvrij, hernam Raffles met een licht verwijt in zijn stem. Hebt gij

soms niet een glas wijn—Fransche bordeaux bijvoorbeeld, met wat

spuitwater aangelengd. Er is niets zoo verfrisschend op een heeten dag

als deze.

Voor het eerst kwam er een duidelijke verandering op het gelaat van den

secretaris.

Het was vaalbleek geworden en in zijn oogen waren woeste haat en

moordzucht even duidelijk te lezen alsof hij ze Raffles in het gelaat

had geschreeuwd.

Met een enkelen sprong was hij bij een der hefboomen en rukte dien

omlaag.

Hij zelf stond daarbij op een der dikke matten van gummi, welke den

vloer hier en daar bedekten.

—Jullie weten teveel! gilde hij. Naar den duivel met alle spionnen en

indringers!

En hij keek naar de beide mannen, verwachtend dat zij, nu de vloer

onder stroom stond, als door den bliksem getroffen zouden neerstortten.

Maar zij deden heel iets anders!

Charly had snel als de gedachte zijn revolver te voorschijn gehaald en

richtte die op den ellendeling en Raffles wierp heel kalm zijn half

opgerookte cigarette weg en stak een versche aan.

Toen zeide hij, als vergoelijkend:

—Ja, mijnheer Dean, dat komt er van, als men naar de voeten van de

menschen niet kijkt. Wij waren gewaarschuwd en om nogmaals een Fransch

spreekwoord te citeeren—„Un homme averti en vaut deux”. En nu zullen

wij eens praten, nietwaar? Rustig praten, zooals het mannen betaamt!

Het duivelsche lachje van zegepraal verdween even snel als het gekomen

was van het gelaat van Dean—nu pas bemerkte hij dat de schoenen van

zijn bezoekers voorzien waren van dikke gummizoolen, die hen van den

vloer isoleerden.

Raffles had nu ook zijn revolver ter hand genomen en beval kortaf:

—Leg eerst uw Browning op tafel—en geen verraderlijke grappen—vergeet

niet dat wij met ons beiden zijn.

Met een door woede vertrokken gelaat haalde Dean zijn Browning uit den

zak en wierp het wapen op zijn schrijftafel.

Toen siste hij tusschen de tanden:

—Zeg op nu—wie zijt gij en wat weet gij?

Lord Lister No. 0461: De moord op John Cormick · 第 4 / 5 段