dat in den dood scheen te grijnzen, de groote, blinkende witte tanden
glansden vochtig tusschen de half geopende lippen.
Toen wendde hij zich om en wenkte Charly en Henderson die niet goed
begrepen wat er gebeurde en nieuwsgierig over den rand van de opening
gluurden, om naderbij te komen.
Charly, die het eerst bij Raffles was, slaakte een zachten kreet, toen
hij Cormick gewaar werd en zeide toen op zachten toon:
—Wat scheelt hem? Een beroerte?
—Neen, mijn waarde—de man is dood! antwoordde Raffles zacht!
—Wat? Mijn God—vanmiddag heeft hij de beurs nog bezocht—vanavond
dineerde hij in zijn club! zeide Charly op gedempten, ontstelden toon!
—Hij is pas drie uur dood, Charly—en waarschijnlijk pas twee! hernam
Raffles bedaard, na nogmaals de kille hand van den doode tusschen zijn
warme vingers te hebben genomen en de spieren te hebben betast. En ik
geloof niet dat het een beroerte is, ofschoon de uitdrukking van zijn
gelaat daar wel een weinig op lijkt.
Hij had zich voorover gebogen en beschouwde het gelaat van den doode
wat nauwkeuriger.
Toen bukte hij zich plotseling nog wat dieper en rook even aan de half
geopende lippen.
Zijn gelaat kreeg een uitdrukking van verbazing en ontsteltenis.
Hij liet zijn oogen langzaam door het vertrek dwalen en vestigde ze
toen op het half geledigde glas, waarin zich een lichtroode vloeistof
bevond.
Hij nam het op, rook eraan, doopte er den vinger in en bracht die zeer
voorzichtig even aan de punt van zijn tong.
Hij spoog dadelijk op den grond, mompelde zachtjes iets voor zich heen
en wendde zich toen tot Charly met de opmerking op gedempten toon
geuit:
—Cormick is vergiftigd! Het lijdt niet de minste twijfel.
Hij nam de wijnflesch op, die nog bijna tot aan den hals gevuld was en
toen hij verder zocht, vond hij de kurk die nog aan den kurkentrekker
vast zat.
—Dat is vreemd! mompelde hij. Die wijnflesch is hier slechts weinige
uren geleden opengetrokken. Zou de wijn dan vergiftigd zijn geweest?
Hij rook aan de opengetrokken flesch, schudde het hoofd en vervolgde:
—Het wordt er niet duidelijker op! Ik zou zeggen dat de wijn volkomen
onschadelijk is.
Hij liet een druppel op den top van zijn pink vallen, likte er even aan
en ging toen voort:
—Ik herhaal—volkomen onschadelijk! De smaak van het goedje in het glas
is anders!
—Maar hoe komt het dan dat Cormick dit niet zelf gemerkt heeft? vroeg
Charly verbaasd en verschrikt door dezen plotseling en dood.
—Het antwoord is zeer eenvoudig, Charly! Die smaak is alleen te
onderscheiden voor iemand die kennis heeft van vergiften. Natuurlijk is
het zeer goed mogelijk dat ik mij vergis, maar naar den smaak te
oordeelen zou ik zeggen dat ik hier te doen heb met een Indisch,
plantaardig vergif, dat onverbiddelijk den dood na nauwelijks een
kwartier medebrengt. De smaak van het onverdunde vergif is een weinig
bitter, maar het valt bijna niet te proeven voor iemand die niet
gewaarschuwd is. Laat ik er aan toevoegen dat een kleine hoeveelheid
zelfs voldoende is om den dood te veroorzaken.
—Maar dan—dan moet Cormick zelf het vergif in het glas hebben gedaan!
hernam Charly.
—Dat klinkt al heel onwaarschijnlijk. Cormick had niet de minste reden
om een einde aan zijn leven te maken. Hij was rijk, volkomen gezond,
nog lang niet oud, kortom het type van den man, die aan het leven
gehecht is. Daarenboven—als Cormick zich zelf had willen vergiftigen,
dan koos hij wel een zeer merkwaardige wijze, om die wanhoopsdaad te
plegen! Waarom klom hij dan eerst naar deze kamer? Waarom schreef hij
een brief, dien hij maar half voltooid heeft?
Charly, die geen antwoord op deze vragen wist te geven, haalde slechts
de schouders op en zeide zacht:
—Als hij het niet zelf gedaan heeft—dan moet er wat in zijn glas hebben
gezeten.
—Natuurlijk—in zijn glas, of....
Hij voltooide den zin niet, maar trad weder op het kleine tafeltje toe,
tilde de syphon spuitwater op en rook ten derde male, thans aan de
kraan van de syphon.
En toen beëindigde hij zijn zin:
—Of in de tuit van de syphon. En ik geloof dat mijn laatste opvatting
de juiste is. De moordenaar is een buitengewoon slim heerschap, dat
staat vast. Hij heeft met vergif de binnenzijde van de tuit bestreken
en het langs stroomende water, dat met kracht uit de syphon spoot nam
het vergif natuurlijk met zich mede. Het is geniaal en het is
duivelsch.
De blik van Raffles ging van het gelaat van den doode naar de geweldig
groote brandkast, een ware kluis, die gedeeltelijk in den muur was
ingemetseld.
Hij liep er op toe en zag dat de deur gesloten was.
De sleutels waren nergens te zien.
Raffles keerde op zijn schreden terug en ging op den doode toe.
Hij tastte in diens zak en vond daar een sleutelbos.
Charly keek hem vragend aan.
Maar Raffles zeide glimlachend:
—Ik ben natuurlijk niet van plan, Charly, onder deze omstandigheden ook
maar een cent uit die brandkast te nemen—een doode besteel ik niet, dat
weet je wel! Trouwens—ik zou eerst het cijfer van het slot moeten
kennen! Het was mij er slechts om te doen, te zien of de brandkast niet
geplunderd was! Ik heb nu geen tijd en geen lust meer om de brandkast
te openen door middel van een zuurstof-vlam, of thermiet. Het is
jammer, mijn waarde, maar het is een verloren nacht, althans in
geldelijk opzicht, want hij was belangwekkend genoeg, dat is zeker! Er
is hier een moordaanslag gepleegd—en ik ben nieuwsgierig om te weten
wie de schuldige is.
Hij had de sleutels weder in den zak laten terugglijden, keek nog even
in het strakke gelaat, waarop de wezenlooze glimlach bevroren leek, en
zeide toen schouderophalend:
—Tegen dit vergif baat geen hulp! Ja, een kwartier nadat hij het had
ingenomen, zou men hem misschien nog hebben kunnen redden, maar hij is
reeds lang dood, de lijkverstijving begint reeds in te treden. Laten
wij gaan, vrienden, wij hebben hier niets meer te doen!
—Maar—moeten wij dan geen onderzoek doen naar den moordenaar, Mylord?
vroeg Henderson op fluisterenden toon, die al dien tijd met afschuw
naar den doode had gekeken.
—Ik vrees dat dat verloren moeite zou zijn, Henderson! antwoordde
Raffles. De moordenaar is waarschijnlijk niet eens hier in huis. Er
heeft geen worsteling plaats gehad—hij behoefde slechts te zorgen, dat
de spuitwaterflesch op haar gewone plaats stond, ditmaal voorzien van
het vergif—en voor het overige kon hij rustig den loop der
gebeurtenissen afwachten—het noodlot zou zich wel aan zijn slachtoffer
voltrekken.
—Maar die man moet een beest zijn, Mylord! zeide Henderson vol afschuw.
Het laat zich immers denken, dat bij ongeluk een ander van het
spuitwater zou hebben gedronken—een van de bedienden bijvoorbeeld!
—Zeker, James—maar het is een eigenschap van giftmengers, dat zij het
zoo nauw niet nemen en volkomen gewetenloos zijn! Als een ander van hun
doodelijk mengsel bij ongeluk drinkt—des te erger voor dien ander, dan
had hij het maar niet moeten aanraken. Maar nu genoeg gepraat—het dient
tot niets om hier te blijven. Zelfs al had een van de bedienden den
aanslag gepleegd, dan zouden wij hen toch allen in diepe rust verzonken
vinden. Kom—wij keeren terug!
En de terugtocht nam een aanvang.
Zij schreden weder door het gat, langs de trap en bereikten de metalen
kamer.
Zij lieten de opening onbedekt en daalden alle trappen af, tot zij
tenslotte weder in de vestibule stonden.
Nu meer dan ooit maakte deze reusachtige hal een somberen,
geheimzinnigen indruk.
Zij gingen weder door het weelderige zijvertrek, bereikten de
dwarsgang, kwamen in de gang die langs de kelders liep en traden de
kelderruimte binnen, waar zich het gat in den muur bevond.
Zij kropen er één voor één door, verzamelden in het tuinhuis hun
instrumenten en klauterden over den muur, na eerst geruimen tijd te
hebben stilgestaan, luisterend naar ieder verdacht geluid.
Heel in de verte, nauwelijks hoorbaar, klonk op het fabrieksterrein de
regelmatige, trage stap van een der nachtwakers.
Toen het geluid was weggestorven, klommen zij snel over den muur en
eenige oogenblikken later waren zij in veiligheid.
Zij gingen volgens hun gewoonte dadelijk uiteen en bereikten
afzonderlijk het kleine huis, hetwelk Raffles eenige weken geleden voor
een kwartaal gehuurd had, gemeubeld en wel.
De ochtendbladen bevatten geen enkel bericht omtrent den moord op John
Cormick.
Maar niet zoodra was de moord ontdekt, of verschillende bladen kwamen
met extra edities uit, want de plotselinge dood van den staalkoning was
van weinig minder belang dan die van den President der Vereenigde
Staten zou zijn geweest.
Het spreekt vanzelf dat Charly er aanstonds voor zorgde, eenige van die
bladen in handen te krijgen.
En wat de beide vrienden wel hadden moeten verwachten, was natuurlijk
ook geschied—de politie beschouwde de inbrekers, die zulke duidelijke
sporen hadden achtergelaten, tevens als de moordenaars van Cormick.
Toen Raffles dit las, haalde hij medelijdend de schouders op en bromde
half voor zich heen:
—Gebrek aan logisch nadenken is nog altijd een der ergste fouten van de
politie over de geheele wereld. Stel je voor—inbrekers die van vergif
gebruik maken. Het is voor zoover ik weet nog nimmer voorgekomen en het
is niet onmogelijk dat juist daarom de politie van New-York er zich met
zooveel kracht opwerpt—het is weer eens iets anders! Maar laten wij
eens aannemen, dat de inbrekers, die zich zooveel moeite hebben
getroost om binnenshuis te komen, Cormick hebben gedood. Zouden zij
daarna weer kalmpjes heengaan, zonder de brandkast aan te raken.
—Ik lees hier ergens Edward, dat zij misschien in hun werk gestoord
zijn.
—Door wie of door wat? Inbrekers die een moord plegen om hun doel te
bereiken, laten zich niet zoo spoedig storen. De politie heeft in den
weeken grond van den tuin drie verschillende voetsporen gevonden—en
daarvoor was niet bijzonder veel schranderheid noodig, want zelfs een
kind zou de enorme, diepe indrukken van Henderson’s voet kunnen
onderscheiden van jouw damesvoetje. Mijn indruk staat daar tusschen
in—het was geen heel sterk stukje! Maar goed—de politie weet nu dat er
minstens drie mannen zijn geweest. Die hadden van de electriciteit
niets meer te vreezen. En zij zouden zijn gevlucht, zoodra zij het
minste gerucht hoorden? En dat zonder ook maar een vinger naar de
brandkast te hebben uitgestoken? Gelooven wie het gelooven wil!
—Ik heb hier een stukje, waarin wordt gezegd, dat de inbrekers hun
pogingen dadelijk hebben moeten opgeven, daar de brandkast
onaantastbaar bleek.
—Alweer een praatje! Geen brandkast lijkt den inbreker zoo
onaantastbaar of hij geeft althans een begin van uitvoering aan zijn
pogingen om haar te openen! Nu, wij mogen in ieder geval heel blij
zijn, dat men ons niet heeft gesnapt, want de schrandere politie van
New-York zou ons eenvoudig als de moordenaars beschouwd hebben.
Intusschen is dit alles heel voordeelig voor den werkelijken dader, die
er nu van overtuigd kan zijn, dat hij voorloopig volkomen veilig is—de
politiemannen snuffelen langs het verkeerde spoor!
—Dat is zeker waar—maar daar staat tegenover, dat hij voor zichzelf
uitstekend goed weet dat de indringers Cormick niet gedood hebben en,
wat erger is, dat zij den man dood hebben gevonden en daaruit hun
gevolgtrekkingen zullen maken.
—Natuurlijk weet hij dat! Maar dat zal hem weinig verontrusten, want
hij moet bij zichzelf de opmerking maken, dat de nachtelijke bezoekers
zich nog wel eens driemaal zullen bedenken, alvorens zij naar de
politie zullen gaan, om daar te getuigen dat zij Cormick dood in zijn
stoel hebben gevonden, vooral nu zij gelezen hebben, hoe de politie
over de zaak denkt! Neen, de dader moet zich in betrekkelijke
veiligheid achten en als hij nu maar geen domheden begaat, dan staat
zijn zaak zoo slecht niet!
—Ik zou intusschen wel eens willen weten wie die dader eigenlijk is!
riep Charly Brand uit.
—Ik verkeer in hetzelfde geval, mijn waarde, hernam Raffles en daarom
zullen wij ook afwachten, hoe deze zaak zich zal afwikkelen! Misschien
kan onze getuigenis per slot van rekening toch nog wel eenig gewicht in
de schaal leggen!
—Je bent toch niet van plan je bij de politie aan te geven? riep Charly
verschrikt uit.
—Dat niet! Maar er zijn nog wel andere manieren om haar in te lichten,
zonder dat ik mij zelf in gevaar breng. Men kan schrijven of
telefoneeren. Maar eerst wil ik nog eens afwachten hoe de politie deze
zaak denkt aan te vatten.
—Maar intusschen kon de dader wel eens op den loop gaan!
—Daarvoor bestaat, geloof ik, niet de minste vrees! Als hij dat deed,
dan zou hij een ezel zijn en daar zie ik hem niet voor aan!
—Heb je zelf geen flauw vermoeden wie de daad kan hebben gepleegd?
—Daar heb ik al eens over nagedacht, Charly! Het moet natuurlijk iemand
zijn, die er groot belang bij heeft dat Cormick niet leeft! Ik heb uit
den mond van Dean, zijn secretaris vernomen, dat hij twee neven heeft
en die zullen waarschijnlijk van hem erven, nu hij zelf ongetrouwd is.
Die neven komen dus in aanmerking. Het zou zaak zijn, hun levenswijze
en hun gedragingen eens goed na te gaan. Hebben zij een geruimen tijd
geen aanraking met hun oom gehad? Dan staat hun onschuld ontwijfelbaar
vast, want de dader moet iemand geweest zijn, die tot in de minste
bijzonderheden op de hoogte was van de gewoonten van John Cormick, daar
de minste vergissing hem noodlottig zou worden.
—Dat ben ik met je eens, Edward! De man moet geweten hebben, dat
Cormick meestal des avonds laat nog in zijn particulier kantoor werkte
en dan een glas wijn met spuitwater placht te drinken.
—Zoo is het en het is nu maar de vraag of die bijzonderheid algemeen en
meer in het bijzonder aan de beide neven bekend was! hernam Raffles.
Maar iets anders pleit hun vrij! De man die het deed moet niet alleen
die gewoonte goed gekend hebben, maar hij moet ook in staat zijn
geweest, de syphon spuitwater te vergiftigen! Men zou dus tot de
gevolgtrekking komen, dat de dader in het huis zelf moet hebben
gewoond, of daar althans den weg zoo voortreffelijk kende, dat hij,
zonder dat men op hem lette, het vergif binnen in den tuit van de
spuitwaterflesch kon brengen.
—Maar, Edward, laten wij dan toch beginnen met aan de politie mede te
deelen, dat wij die flesch gevonden hebben!
—Ik vrees dat dit weinig doel zal hebben. Charly, want zooeven heb ik
in de „New York World” gelezen, dat de politie zich niet goed kan
begrijpen, hoe Cormick eigenlijk vergiftigd is!
—Waarlijk? riep Charly verrast uit. Daar zal dan uit volgen, dat zij
noch het glas met zijn doodelijken inhoud, noch de syphon heeft
gevonden!
—Zoo is het en hier heeft de dader een flater begaan! Hij heeft wat al
te haastig gehandeld, ofschoon ik erken dat hij moeilijk anders kon
doen.
—Wat wil je daarmee zeggen?
—Niets anders dan dat hij het glas en de syphon weder is gaan weghalen,
toen het werk verricht was. Dat was hij wel half en half verplicht,
maar hij vergat daarbij, dat de inbrekers die beide voorwerpen op het
kleine tafeltje hebben zien staan. En zich nu natuurlijk zullen
afvragen bij het lezen van de bladen, waar die voorwerpen zoo eensklaps
gebleven zijn. En dat is onverstandig want als de inbrekers geen
uilskuikens zijn, moeten zij direct begrepen hebben, dat slechts iemand
die in het huis woont, die dingen bijtijds heeft weggenomen, voor hij
alarm maakte!
—Maar misschien heeft hij niet intijds geweten, dat er nachtelijke
bezoekers waren geweest! riep Charly Brand uit.
—Dan zou hij wel stekeblind moeten zijn geweest want wij hebben het
ronde luik boven de opening open gelaten en ook de lift werkte niet,
hernam Raffles schouderophalend.
—Dat is waar, daar dacht ik zoo gauw niet aan!
—De moordenaar heeft hier dus een vergissing begaan en misschien zal
hem die nog wel eens opbreken.
—Maar als de vergiftigde wijn en de syphon zijn weggenomen, hoe heeft
men dan kunnen weten dat Cormick vergiftigd was?
—Dat kon voor een bekwaam geneesheer niet lang geheim blijven, mijn
waarde! gaf Raffles ten antwoord. Misschien heeft men een oogenblik aan
een beroerte gedacht, en misschien zou Cormick ook wel met veel pracht
en praal begraven zijn, als iemand die op die wijze om het leven is
gekomen, als die voor den moordenaar zoo noodlottige inbraak er niet
bij was gekomen! Als men Cormick dood in zijn stoel had gevonden—zonder
meer—dan was men waarschijnlijk niet zoo spoedig op het denkbeeld van
vergiftiging gekomen—maar nu er inbrekers in huis waren geweest, heeft
men zijn lijk eens wat nauwkeuriger onderzocht, misschien wel de maag
geopend en toen kwam de misdaad natuurlijk aan het licht! Het Indische
vergif dat hier is gebruikt, laat weliswaar weinig sporen na—maar het
doet het maagsap een volkomen verandering ondergaan, die voor een
bekwamen chemicus niet onopgemerkt kan blijven—tenminste wanneer er
autopsie plaats heeft. En nu hebben wij genoeg gepraat—nu moeten wij
eens tot daden overgaan.
—Wat wil je doen, Edward?
—Ik zou je willen voorstellen, een weinig voor detective te spelen.
—Je wilt op eigen gezag een onderzoek instellen?
—Zoo is het! Ik zou graag eens wat naders vernemen omtrent die syphon
en dat glas wijn!
Charly keek Raffles eenige oogenblikken aandachtig aan en riep toen
uit:
—Ik geloof stellig dat je je al een zekere meening hebt gevormd! Je
verdenkt iemand!
—Eerlijk gezegd neen—ik verdenk nog niemand bepaald, maar misschien
denk ik er over eenige uren anders over. Het staat voor mij vast dat
wij den dader in het huis moeten zoeken en dus onder het
dienstpersoneel—want voor zoover ik weet, woonden er geen
bloedverwanten bij Cormick in huis.
—Een bloedverwant kan een van de bedienden in den arm hebben genomen en
hem tot zijn medeplichtige hebben gemaakt.
—Ook daarmee zullen wij rekening houden en nu aan het werk, mijn
jongen! Ik moet je zeggen dat ik zeer benieuwd ben hoe deze zaak zal
afloopen.
HOOFDSTUK VI.
HET ONDERZOEK.
Het bleek spoedig dat Raffles hier met meer moeilijkheden te kampen zou
hebben dan te Londen, om zijn doel te bereiken, want terwijl hij in de
Engelsche Hoofdstad beschikte over een geheel arsenaal van
hulpmiddelen, perskaarten, politiepenningen, legitimatiebewijzen en
andere nuttige zaken, moest hij te New-York geheel op zijn goed
gesternte vertrouwen.
De vermomming leverde de minste moeite op en binnen een half uur zag
Raffles er uit als een van die kort aangebonden, energieke
politiemannen, die reeds door een blik het ondervraagde slachtoffer
bedeesd en verlegen maakte.
Charly zou zijn assistent zijn en in zooverre was ook alles in orde.
Maar een penning had hij niet en daar zou men waarschijnlijk dadelijk
naar vragen.
Charly gaf in overweging, zich voor een particulier detective uit te
geven en daartoe moest men dan ook wel besluiten.
Het overige zou met een handvol dollars wel bereikt worden.
Raffles en Charly begaven zich omstreeks een uur in den middag op weg.
Het duurde bijna een kwartier voor zij in deze eenzame voorstad een
auto hadden gevonden.
De chauffeur kreeg het adres van Cormick en drie kwartier later stond
het voertuig stil voor het machtige, sombere huis, met zijn
eigenaardigen toren, waarvan thans alle vensters gesloten waren.
Raffles en Charly stapten uit en lieten den chauffeur even wachten,
daar het niet onmogelijk was, dat zij aanstonds onverrichterzake weder
zouden moeten terugkeeren.
Raffles trok aan den koperen knop van de schel, die holler en
dreunender dan ooit scheen te klinken en de deur werd hem geopend door
Mills, wiens bleek gelaat sporen van tranen vertoonde.
—Wat wilt gij, mijnheer? vroeg hij tamelijk kortaf.
—Ik kom inzake den dood van mijnheer Cormick! antwoordde Raffles op
zakelijken toon.
—Er is reeds voor alles gezorgd! antwoordde Mills en zijn stem trilde
een weinig.
—Gij begrijpt mij verkeerd! Ik ben niet van een begrafenisonderneming,
of iets dergelijks. Ik ben particulier detective en ik geloof dat ik
beter dan wie ook in staat zal zijn deze zaak tot klaarheid te brengen.
De butler had even de schouders opgehaald en zeide:
—De officieele politie bemoeit er zich mee—en zij gelooft dat zij op
den goeden weg is!
—Dat betwijfel ik juist, mijn waarde vriend! hernam Raffles bedaard. Ik
heb heel veel respect voor mijn officieele collega’s, maar zij weten in
dit geval minder dan ik. Zij zijn er vast van overtuigd dat de
inbrekers het gedaan hebben!
Het gelaat van Mills veranderde en hij keek Raffles met groote
verbazing aan.
—Wat gelooft gij dan, mijnheer? Wie zouden het anders moeten doen?
Raffles antwoordde niet rechtstreeks en zeide met een flauwen glimlach:
—Dat is nu juist de kwestie waarover ik u even wilde onderhouden! Gij
hebt misschien wel een oogenblik tijd?
—Dat wel—maar ik kan niet goed inzien, mijnheer, wat ik tegen u anders
zou kunnen zeggen dan tegen den inspecteur! Niemand van het
bedienden-personeel heeft iets gehoord—volstrekt niets hebben wij
vernomen, geen van allen! Het is mij nog een raadsel, hoe de schurken
het hebben durven wagen binnen te dringen en dat zij zoo goed op de
hoogte konden zijn van de electrische inrichting—want het was maar aan
weinigen bekend, hoe die inrichting werkte!
—Wanneer gij er slechts in toestemt mij eenige vragen te beantwoorden,
dan geloof ik, dat gij mij op den goeden weg zult brengen om de ware
daders—of den waren dader te vinden! De inbrekers hebben het niet
gedaan, dat is zeker!
Mills keek beurtelings van Raffles naar Charly, die een weinig achter
den gewaanden detective stond als een nederige assistent, die het vak
nog moet leeren en herhaalde toen toonloos:
—De inbrekers zouden het niet gedaan hebben? Maar—wie dan?
—Dat is het juist, goede vriend! hernam Raffles. Dat moeten wij
uitvinden. En daarbij zult gij mij zeker kunnen helpen. Maar vertel mij
eens, waart gij reeds lang in dienst bij mijnheer Cormick?
—Ik mag wel zeggen—zoolang als hij leeft! riep Mills uit en zijn stem
begon weder te beven. Ik was in dienst bij mijnheer zijn vader en ik
zag mijnheer John geboren worden. Toen de oude heer Cormick stierf, nu
een jaar of twintig geleden, ben ik bij zijn zoon in dienst gekomen.
Mijnheer Cormick is altijd een goed meester voor mij geweest—en ik vind
het vreeselijk, dat hij op deze wijze zoo ruw uit het leven is
gescheurd!
—Dat kan ik mij voorstellen! hernam Raffles met een hoofdknik. Ik
behoef u dus niet te vragen of gij de gewoonten van mijnheer Cormick
nauwkeurig kendet?
—Op zijn minst evengoed als de mijne!
—En zijt gij nu bereid, mij op mijn vragen te antwoorden!
—Vraag mij dan maar, wat gij wilt, mijnheer—maar ik zeg u nogmaals, dat
wij beiden onzen tijd verliezen!
—Dat staat nog te bezien—maar beloof mij eerst stellig, dat gij
tegenover niemand met een enkel woord zult reppen over ons onderhoud,
totdat ik u er toe machtig!
—Niet tegen de politie, mijnheer?
—Niet tegen de politie en ook niet tegen het overige dienstpersoneel!
—Maar zeker toch wel tegen mijnheer Dean?
—Tegen mijnheer Dean ook niet—vooral niet tegen mijnheer Dean! En breng
mij nu naar een plek waar wij rustig met elkander kunnen spreken,
daartoe is de drempel van een huisdeur minder geschikt!
Raffles wendde zich om en wenkte naar Charly Brand, om hem te beduiden
dat hij den chauffeur kon wegzenden.
De butler was zoo mogelijk nog bleeker geworden op het hooren van
Raffles’ laatste woorden en zei stamelend:
—Ik zal u naar mijn eigen kamer brengen, mijnheer! Gij ziet mij in een
groote verwarring—ik begrijp de bedoeling van uw woorden niet, maar zij
maken mij ongerust!
—Het zal spoedig genoeg blijken of gij daartoe reden hebt! antwoordde
Raffles op ernstigen toon.
Toen Charly was teruggekeerd, gingen de drie mannen snel door de groote
vestibule en Mills opende de deur in den hoek van den reusachtigen
toren, die toegang bleek te geven tot een gang, die als een soort
tunnel onder den toren doorliep en uitkwam aan de achterzijde van het
huis, waar zich de bedienden-vertrekken bevonden.
Daar bracht de butler de beide mannen naar een vriendelijk, helder
vertrek, dat het zijne was en waarnaast zijn slaapkamer gelegen was.
Hij schoof snel een paar gemakkelijke stoelen aan en zeide:
—Neemt plaats, heeren, wat ik u verzoeken mag. Gij zult mij wel
toestaan, eveneens te gaan zitten, want—ik word oud en de ontroering...
—Wel natuurlijk, vriend Mills! riep Raffles levendig. Ik zou het mij
zelf nooit vergeven. Gij behoort als het ware tot de familie!
Zoodra zij gezeten waren, begon Raffles: