Raffles lakoniek, Wij vonden het glas en den syphon—en daar gij nog
geen tijd kunt hebben gehad, een en ander buitenshuis te brengen, zal
de politie dit wel hier ergens verstopt vinden.
Hij gaf Charly Brand een wenk en deze begon, terwijl Raffles Dean met
zijn revolver in bedwang hield, haastig het vertrek te onderzoeken.
Vijf minuten verliepen, zonder dat er een enkel woord werd gesproken.
En toen slaakte Charly een zachten kreet van zegepraal—hij had de
spuitwaterflesch en het glas in een geheim vak van de ijzeren
boekenkast gevonden....
—Dat is voldoende! zeide Raffles lakoniek. Ja, mijnheer Dean—het toeval
heeft gewild dat de zaken eenigszins anders zijn geloopen dan gij u
hadt voorgesteld. En waarschijnlijk zou alles voor u goed zijn
afgeloopen als het noodlot niet had gewild, dat wij juist in den
afgeloopen nacht de brandkast van mijnheer Cormick hadden willen
plunderen! En zeg mij nu het motief van uw daad!
Een oogenblik scheen Dean te aarzelen, maar hij was in het nauw
gedreven—en op schorren toon antwoordde hij:
—Hij had geweigerd, de bevelen van „Het Kwade Oog” op te volgen!
Raffles slaakte een kreet van verrassing.
—Wat! Gij waart dus lid van die moordenaarsbende? Dat verklaart reeds
veel!
—Daarenboven—ik had gespeculeerd—er mankeerde bijna achthonderd duizend
dollar aan de kas. Zijn dood zou mij in staat hebben gesteld mij in
tijds in veiligheid te brengen. Ik had de boeken willen vervalschen en
men zou het bedrog zeker niet voor over drie maanden ontdekt hebben. En
maak er nu een einde aan—gij hebt de partij gewonnen—natuurlijk ten
koste van uw eigen vrijheid.
—Dat is nog zoo zeker niet! hernam Raffles schouderophalend. Steek uw
handen op.
Dean gehoorzaamde en een oogenblik later klonk een metalen geluid en
zijn polsen waren in sterke, stalen boeien gevat.
Raffles zette dadelijk den hefboom weder terug en beval:
—Ga de kamer uit!
De drie mannen verlieten het vertrek.
Raffles trok de deur in het slot en Charly bond met het touw, dat hij
had meegenomen den moordenaar zoo stevig vast aan den knop van ijzeren
deur, dat hij nauwelijks een vinger verroeren kon.
Toen zeide Raffles, weder op zijn gewonen hoffelijken toon:
—Gij ziet wel, mijnheer Dean, dat onze vrijheid geen gevaar loopt. Over
enkele seconden verschijnt hier de politie, die ik nu ga opbellen. Zij
zal de vergiftigde syphon en het nog vochtige glas vinden, zij zal uw
boekenvervalsching ontdekken, en—ik weet niet of de electrische stoel u
wacht, maar als dat het geval mocht zijn, dan hoop ik alleen maar dat
hij een beetje beter werkt dan zooeven uw met stroom geladen kamer!