stuit, dan tracht men daar niet doorheen te boren—men graaft er
eenvoudig onderdoor! zeide Raffles kalm.
—Er onder door? herhaalde Charly verbaasd. Maar dat zal in dit geval
geheel onmogelijk zijn.
—Het zal integendeel zeer gemakkelijk zijn! hernam Raffles glimlachend.
Want toen ik het huis verliet, heb ik opgemerkt dat zich in den
achtertuin een soort tuinhuisje bevindt, dat, zoo vroeg in het jaar,
natuurlijk niet in gebruik is, en dat zich op hoogstens vijf meter
afstand van den achtergevel van het huis bevindt. Welnu waarde Charly,
dat huisje zal ons hoofdkwartier worden! Wij zullen daar binnen
dringen, wat al heel gemakkelijk zal gaan en daar zetten wij onze
netten uit, daar beginnen wij den aanval.
HOOFDSTUK IV.
DE MAN IN DEN KOEPEL.
Er waren omstreeks vier dagen verloopen sedert het gesprek van den
gewaanden Morel met Dean den secretaris had plaats gehad.
Het was bijna een uur in den nacht, toen drie eenvoudig gekleede mannen
het huis van Cormick aan de achterzijde naderden, dat wil zeggen van
den kant van de reusachtige fabrieksterreinen, waarvan het huis door
een achtertuin en den daar achter loopenden vrij breeden weg gescheiden
was.
Op het fabrieksterrein zelf gloeiden hier en daar een paar electrische
bollen, aan hooge lichtmasten opgehangen, maar in de schaduw van den
hoogen muur, die het terrein afsloot, was het tamelijk duister.
De tuin zelf was omgeven door een vrij hoogen muur, waarop bovendien
een koperen hek geplaatst was, teneinde het overklimmen te verhinderen.
De drie mannen liepen nu snel voorbij een lantaarn, die even hun gelaat
bescheen.
Het waren Raffles, Brand en James Henderson, de herculisch gebouwde
chauffeur.
Zij liepen zeer zachtjes op de gummi zoolen van de overschoenen, welke
zij zooeven hadden aangetrokken.
Nu stonden zij stil aan den voet van den muur, die den tuin afsloot.
Raffles boog zich naar Charly over en zeide op fluisterenden toon:
—Het is mogelijk, dat hier de moeilijkheden reeds beginnen—want wij
moeten er rekening mede houden, dat er misschien stroom staat op het
hek boven op den muur. Wij zullen er ons trouwens dadelijk van
overtuigen.
Raffles had een kleine tasch geopend en nam daaruit eenige voorwerpen,
waaronder een rol geïsoleerd koperdraad, zooals men voor schelleidingen
gebruikt.
Hij schraapte een klein gedeelte van den draad bloot, zoodat het koper
te zien kwam, knipte er een stuk af, van bijna drie meter lengte,
bevestigde het uiteinde aan een zak-voltmeter, herhaalde deze bewerking
met een tweeden draad voor de tweede pool en wenkte Henderson, die
dadelijk begreep wat hij moest doen en zich schoor zette tegen den
muur.
Raffles wapende zich met dikke gummi handschoenen, gaf Charly den
voltmeter in de hand en klom op den rug van Henderson.
Hij plaatste de uiteinden van de twee draden op eenige lasschen van
elkaar tegen het koperen hek en dadelijk draaide de wijzer van den
voltmeter rond, tot hij op tweehonderd twintig stilstond, het hek was
dus geladen met den gebruikelijken stroom, die in veel gevallen sterk
genoeg is om iemand te dooden, of althans bewusteloos te maken.
De geheele proefneming had geen vijf minuten geduurd.
Raffles liet zich weder op den grond zakken en dacht even na.
Hij zag naar boven en bemerkte een telefoondraad die op nauwelijks
eenige meters langs het koperen hek liep.
En opnieuw ging hij aan het werk.
Hij zocht een tweeden geleidingsdraad, ditmaal wat dikker, klom weder
op de schouders van Henderson, maakte den draad eerst aan het hek vast,
om vervolgens weder naar den grond af te dalen en klom toen, het
uiteinde van den draad in een van zijn knoopsgaten gehaakt, in den
telefoonpaal.
Boven gekomen maakte hij den draad los en liet hem met het haakvormige
uiteinde op den telefoondraad vallen.
Een oogenblik later stond hij weer naast zijn makkers en nu kon men
zonder eenig gevaar overklimmen, want het hek was thans stroomloos
geworden.
Henderson diende weer als steun en eerst klommen Raffles en Brand op
zijn schouders, waarop zij den reus niet zonder moeite zoover
optrokken, tot hij den rand van den muur kon grijpen en er boven op
stond.
Een oogenblik later lieten zij zich in de zachte aarde van een
bloemperk vallen, aan den anderen kant van den muur.
Op dat oogenblik liet zich een geluid hooren als van een rammelenden
ketting.
—Dat is de waakhond! fluisterde Raffles. Wacht maar even, ik heb wel
een middel om dien vriend tot zwijgen te brengen!
Hij had zijn hand in zijn zak gestoken en nam er een klein windpistool
uit, hetwelk reeds geladen was met een eigenaardig projectiel, een
scherp, stalen pennetje, aan het uiteinde voorzien van een pluimpje
paardehaar, waardoor het beter zijn richting hield.
Maar in dit geval was het pennetje gedoopt in een stof, die in het
bloed gebracht, een onmiddellijke verstijving, een diepe
bewusteloosheid liet optreden. Met dit wapen voorzien liep Raffles
onbeschroomd naar het hok, waar hij wist dat de monsterachtig groote
bloedhond aan zijn ketting lag.
Reeds schoof het monster grommend te voorschijn en het volgende
oogenblik zou hij in een woedend geblaf zijn losgebarsten, als de kogel
uit het windpistool niet sneller was geweest.
Raffles mikte tusschen de gloeiende oogen van het dier, de hond liet
een zacht klagend geluid hooren, waggelde even als dronken heen en weer
op zijn pooten en viel toen eensklaps terzijde.
Er liep een krampachtige rilling door het groote lijf en toen strekte
het dier de pooten uit en lag stil.
Vlug richtten de drie mannen hun schreden naar het tuinhuis, dat niets
anders bleek te zijn dan een kleine loods, bestemd om er
tuingereedschap, bloempotten, een paar korte ladders en andere
voorwerpen te bewaren.
Toen Raffles deze ladders zag, overwoog hij een oogenblik zijn
oorspronkelijk plan op te geven en te pogen, door een der vensters naar
binnen te klauteren, na die korte ladders aan elkander te hebben
gebonden.
Maar hij vreesde voor een onvoorziene hinderlaag, alle vensters zouden
waarschijnlijk voorzien zijn van een alarmsignaal en misschien was het
aanraken van een ruit wel voldoende om het geheele huis in rep en roer
te brengen.
Neen, het was waarlijk beter, het oorspronkelijke plan ten uitvoer te
brengen.
Henderson begon dus zijn vracht af te laden en het was een vracht, die
voor twee mannen ruimschoots voldoende zou zijn geweest.
Onder de voorwerpen, welke hij onder zijn wijden jas verborgen had
gehouden, was een draagbare electromotor, bevestigd op een eikenhouten
plank.
Dit voorwerp werd midden in de loods neergezet en nu was het zaak
allereerst naar een bron van electrische kracht te zoeken.
Het duurde niet lang of Brand had dicht bij den muur van het huis een
electrischen telefoondraad ontdekt.
En Henderson, die een voortreffelijk electricien was, had al spoedig
dien draad in verbinding gebracht met den electromotor, die het
volgende oogenblik lustig begon te snorren.
Het geluid werd gedempt, door een paardendek over den motor uit te
spreiden en de deur van de loods werd zoo dicht mogelijk gesloten.
Geheel dicht mocht zij echter niet zijn, want zij moest doorgang
verleenen aan een Cardan-as, die aan haar uiteinde een eigenaardig
voorwerp droeg, dat er uitzag als een zeer scherp getande, ronde zaag.
Dit zaagblad, dat gemakkelijk tegen een ander kon worden verwisseld,
maakte drie duizend omwentelingen in de minuut en sneed met het
grootste gemak door de dikste stalen staven.
De installatie van een en ander had ternauwernood een half uur geduurd.
De drie mannen traden nu weder in den donkeren tuin en het moeilijkste
werk nam een aanvang.
Aan den voet van den muur moest eerst een vrij diep gat worden
gegraven, juist onder een der keldergaten, totdat het fundament van het
huis werd blootgelegd.
De drie mannen maakten daarbij gebruik van de schoppen, die zij in het
tuinhuis hadden gevonden en snel en zwijgend gingen zij aan het werk,
zonder elkander te hinderen. En alweder kwam de geweldige
lichaamskracht van Henderson Raffles te hulp, want hij groef alleen
niet snel, hij groef ook veel!
Het gat werd vlug dieper en eindelijk gaf Raffles een teeken van op te
houden.
De muur lag nu bloot, vlak onder het keldergat.
De spaden werden terzijde gezet, en het boorwerktuig moest nu zijn
arbeid verrichten.
Raffles ging in het gat staan, dat meer dan een meter diep was en
richtte de stalen zaag op de steenen, terwijl Charly gereed stond, de
zaag met een groote oliespuit voortdurend nat te houden.
De motor begon weder heel zachtjes te grommen en de zaag deed haar werk
en beet zich met buitengewone snelheid een weg door de steenen van het
fundament.
En in minder dan een kwartier had Raffles een vierkant gat in den muur
gezaagd, ongeveer vier decimeter in het vierkant, zoodat zelfs de
reusachtige Henderson er door zou kunnen.
In het midden van het uitgezaagde blok werd een gat gemaakt, groot
genoeg om er den arm door te steken en aan Henderson viel de taak te
beurt het blok steen, dat minstens tachtig kilo woog, de muur was ruim
een voet dik, uit de opening naar zich toe te trekken.
Het was slechts een kinderspelletje voor den reus en als het noodig was
geweest, zou hij het blok een half uur lang met gestrekten arm boven
het hoofd hebben gehouden.
De weg was vrij!
—Waarom heb je eigenlijk de tralies van het venstergat niet
doorgezaagd? vroeg Charly fluisterend. Dat was in twee minuten
afgeloopen.
—Omdat ik liever niet vrijwillig den dood zoek, Charly! antwoordde
Raffles bedaard. Die staven van ijzer staan onder stroom en ik zou je
aanraden, ze maar liever niet aan te raken! Dit werk heeft een half uur
geduurd—maar het was dan ook veilig! En nu snel naar binnen—wij moeten
zorgen dat wij het huis weder verlaten hebben voor den dag
aanbreekt—voor zes uur dus!
Na weder uit de bergloods te hebben gehaald wat zij noodig hadden,
klommen de drie mannen achter elkaar door de opening en stonden nu in
een der groote kelders van het huis.
Het was er stikdonker en Raffles was wel genoodzaakt zijn electrische
zaklantaarn te doen ontgloeien en bij het schijnsel daarvan ontwaardde
hij een aantal kleine en groote vaten op eikenhouten stellages—hij
bevond zich in den welvoorzienen wijnkelder van den staalkoning.
Tegenover het keldergat bevond zich de zware deur, boven aan een
steenen trapje van vier treden.
Van een electrische installatie was volstrekt niets te zien, maar wel
de dunne draad, die langs de zoldering liep en moest uitloopen op het
ijzer traliewerk.
Raffles liep haastig naar de deur en onderzocht het slot, na
vruchteloos te hebben gepoogd de kruk om te draaien.
Het was een stevige deur en het slot was ook goed, maar het was niet
zeer ingewikkeld en voor een man als Raffles kon het geen moeilijkheden
opleveren, binnen vijf minuten had hij het geopend met behulp van een
zijner loopers.
Een oogenblik bleef hij luisterend staan en daarop wenkte hij zijn
beide metgezellen, die zich dadelijk bij hem voegden.
Zij bestegen de kleine trap en stonden nu in een overwelfde gang,
flauwtjes verlicht door een electrisch gloeilampje en die zeker midden
door het huis liep, want aan weerszijden bevonden zich nog enkele
deuren, die waarschijnlijk toegang gaven tot andere kelderruimten.
Na eenige oogenblikken aandachtig te hebben geluisterd zeide Raffles
fluisterend:
—Wij zullen goed doen, als wij allereerst trachten te onderzoeken waar
de electrische transformator staat, die den stroom levert en verdeelt
in hoog- en laagspanning. Ik denk dat wij die zullen moeten zoeken in
dezelfde kelderruimte, waar wel de electromotor zal staan, die de
liften bedient. Wij moeten beginnen met dat toestel buiten werking te
stellen, anders loopen wij ieder oogenblik gevaar door een
onvoorzichtigheid in aanraking te komen met een of ander onder stroom
staand voorwerp—en dat zou ons duur kunnen kosten.
Een paar der deuren waren niet op slot en bleken toegang te geven tot
kelderruimten, die geen vensteropening hadden en dus kunstmatig
verlicht moesten worden.
Bij de derde deur moest de looper van Raffles weder zijn diensten
bewijzen en toen hij deze geopend had, bevond hij zich in een kelder,
waar een aantal electrische toestellen stonden, welker aard niet
twijfelachtig kon zijn.
Er stonden daar dynamo’s, transformatoren, groote omschakelaars en aan
den wand was een marmeren schakelbord bevestigd.
Raffles trad den kelder binnen en bekeek aandachtig de verschillende
toestellen.
Een oogenblik dacht hij er aan, eenvoudig kortsluiting te verwekken
door de hoofdgeleiding bloot te leggen, maar de vrees dat dan in het
huis al de lampen zouden uitgaan, waardoor misschien Cormick of zijn
bedienden gewekt zouden worden, weerhield hem daarvan.
Pas toen Henderson er hem attent op maakte, dat de lichten in huis
blijkbaar gevoed werden door het gewone gemeentenet, ging Raffles er
toe over door een eenvoudigen handgreep alle machines buiten werking te
stellen.
Een stukje koperdraad, niet langer dan een paar decimeter, had bewerkt
dat de lift voorloopig niet kon dalen of stijgen, dat geen enkele schel
zou kunnen weerklinken en dat geen enkel voorwerp in het huis, zelfs
niet in de metalen kamer van Dean zou kunnen worden geëlectriseerd.
Nadat de drie mannen op dit punt volkomen gerustgesteld waren,
verlieten zij den kelder, sloten de deur achter zich en liepen door de
gang terug tot zij de steenen trap hadden bereikt, ongeveer vijf treden
hoog, die leidde naar een dwarsgang, naar de voorzijde van het huis
loopend.
Zij volgden deze gang, die zich verbreedde tot een soort van portaal,
waarop twee deuren uitkwamen.
Een er van was niet gesloten en bleek toegang te geven tot een zeer
groot met verfijnde weelde gemeubeld vertrek.
Het had geen ramen, tenminste niet wat men gemeenlijk ramen pleegt te
noemen, want overdag ontving het zijn licht door een cirkelronde
opening in de zoldering, afgesloten door een plaat van dik spiegelglas.
Het groote vertrek had nog slechts een andere deur en toen Raffles deze
met de grootste voorzichtigheid opende, zag hij in de vestibule,
verlicht door een kolossale lamp van doorzichtig marmer, die een zacht
schijnsel uitstraalde.
Nu nog meer dan overdag maakte de vestibule met haar granieten wanden
een geheimzinnigen doodschen indruk.
Aan den voet van de beide trappen schenen de vier beelden dreigend de
wacht te houden.
Weer luisterde Raffles geruimen tijd en toen pas wenkte hij Charly en
Henderson, om hem te volgen.
Zonder eenig gerucht te maken bestegen de drie mannen een van de beide
granieten trappen en nu stond Raffles voor dezelfde deur, welke hij
eenige dagen geleden in de gedaante van Edmond Morel was doorgegaan.
De deur was op slot en een dunne electrische draad, die langs de
scharnieren liep, schonk Raffles de overtuiging dat hij er goed aan
gedaan had, de electrische toestellen buiten werking te stellen, want
het zou misschien de dood en zeker een bewusteloosheid beteekend
hebben, deze overdadig met brons beslagen deur aan te raken.
Het slot was vrij ingewikkeld en Raffles had bijna een kwartier noodig,
alvorens hij het had kunnen openen, na vruchteloos een viertal van zijn
loopers te hebben beproefd.
De electrische zaklantaarn moest nu weder worden ontstoken, want het
was hier volkomen duister.
Daar er niet aan te denken viel de lift te gebruiken ging Raffles naar
de trap, aan het andere einde dezer eigenaardige kamer en onhoorbaar
begonnen allen deze te bestijgen.
Hooger en hooger klommen zij in den toren op, totdat Raffles stil stond
voor de deur van de metalen kamer.
Hij legde zijn hand op de kruk en draaide die om—de deur bleek niet
gesloten te zijn.
Uit voorzorg had hij zijn zaklantaarn gedoofd, daar het niet onmogelijk
was, dat Dean nog zeer laat werkte.
In de andere hand had hij zijn revolver genomen, maar hij stak haar
weer weg, want het vertrek was volkomen duister en verlaten.
Neen, volkomen duister was het toch niet, want door de ramen aan de
Westzijde van den toren drongen de stralen van de maan in smalle
bundels het vertrek binnen, hetwelk zij op geheimzinnige wijze
verlichtte.
Het witte maanlicht weerkaatste in het gepolijste staal van den vloer
en op de stalen wanden, met hun eigenaardige afbeeldingen, in het ijzer
van het schrijfbureau en op het ijzer van de wenteltrap, die naar boven
kronkelde, om zich in de zoldering te verliezen.
Raffles trok de gordijnen voor de smalle ramen dicht en liet zijn
lantaarn op volle kracht ontgloeien.
Charly en Henderson keken in de grootste verbazing om zich heen, want
zulk een eigenaardig vertrek hadden zij nog nimmer gezien.
Henderson werd vooral aangetrokken tot het half dozijn koperen
hefboomen, met hun handvatsels van eboniet, die uit een der wanden
staken en boven elk waarvan een cijfer was geschilderd.
Maar reeds had Raffles den voet op de onderste trede van de wenteltrap
gezet, die hij nu begon te bestijgen.
Doch spoedig kon hij niet verder, want de ronde schijf sloot de opening
als het ware hermetisch af.
En nergens een knop, een hefboom, om die schijf te doen draaien.
Het was duidelijk dat alleen Cormick die schijf daarboven om haar as
kon laten draaien en dat zij alleen in de bovenste kamer in beweging
kon worden gebracht.
Maar toen bedacht Raffles dat de opening toch wel gesloten zou worden
als Cormick zijn kamer verliet, waar een brandkast stond met zulk een
rijken inhoud en er moest dus hier beneden wel ergens een geheime
inrichting zijn, waardoor men de opening ook hier kon sluiten en
openen.
Hij tastte langs de leuning van de trap en aan de middelste zuil, maar
toen hij daar volstrekt niets vond, kwam hij weder naar beneden en
zeide op zachten toon tot zijn beide metgezellen:
—Wij moeten het vertrek zorgvuldig onderzoeken, er is niets aan te
doen!
—Maar zou Cormick dan zijn vertrek alleen kunnen binnentreden langs
deze trap? vroeg Charly.
—Ja. De lift gaat niet hooger dan deze verdieping.
En toen begonnen de mannen met den grootsten ijver het geheele vertrek
te onderzoeken.
Raffles hield zich met het schrijfbureau bezig, voelde onder den rand,
trok de deuren open en haalde de bovenste lade geheel uit de tafel
Toen hij zijn rechterarm in de opening stak, ontmoetten zijn vingers
heel achteraan een ring.
Hij trok eraan en bijna op hetzelfde oogenblik klonk boven hun hoofd
een zeer zacht gerucht.
De schijf begon langzaam van de opening weg te draaien.
Maar terwijl dit geschiedde blonk ter zelfder tijd een lichtschijnsel
in het vertrek door, dat niet afkomstig was van de lantaarn van
Raffles,
Het kwam van boven!
Het kwam uit de steeds grooter wordende opening.
In het vertrek van Cormick brandde dus licht.
Een oogenblik stonden de drie mannen doodstil, vast overtuigd, dat er
het volgende oogenblik schreden zouden klinken, kreten, die de
bedienden zouden waarschuwen!
Maar alles bleef stil—niets werd gehoord behalve het zachte gerucht,
veroorzaakt door het wegdraaien van de stalen plaat, die de trapopening
bedekte.
Raffles had zijn lantaarn gedoofd.
Door de cirkelronde opening viel nu een tamelijk helder, groenachtig
schijnsel in het vertrek—een breede bundel licht, die zich
langzamerhand verbreedde en in het midden van den vloer een grooten
cirkel teekende.
En in dat licht stonden de drie mannen onbeweeglijk als beelden en
luisterden, de vinger aan den trekker van hun revolver.
De hersens van Raffles werkten zeer snel.
Hij vroeg zich af wat dit beteekende.
Was het de gewoonte van Cormick, in zijn vertrek steeds het licht te
laten branden?
Werkte hij nog?
Maar als dat het geval was—had hij dan niets bemerkt van het wegdraaien
van de schijf?
Was hij alleen—of had hij den secretaris nog bij zich?
Raffles wilde zich zekerheid verschaffen.
Met krampachtige schreden beklom hij de wenteltrap, zoo zachtjes dat
zelfs Charly en Henderson zijn schreden niet hoorden.
Toen hij bijna boven was gekomen, richtte hij zich zeer langzaam op,
totdat hij over den rand van de opening kon zien.
En wel vijf minuten bleef hij in die houding staan, in de grootste
verbazing en staarde voor zich uit, naar hetzelfde punt.
Hij zag een volkomen cirkelrond vertrek, overwelfd door een
reusachtigen glazen koepel en met een doorsnede van minstens veertig
meter.
De koepel begon reeds op twee meter boven den vloer en men zou gewaand
hebben dat het geheele vertrek van zacht groen gekleurd glas was.
Het was helder verlicht—maar vanwaar dat licht kwam was niet te zien.
Het scheen van den cirkelronden wand af te stralen, werd weerkaatst
door het groene, niet volkomen doorzichtige glas van den koepel en
vervulde het reusachtige vertrek met het eigenaardige, doodsche
schijnsel, hetwelk de drie mannen zooeven reeds hadden waargenomen.
Het onderste gedeelte van de wanden, tot waar het plat begon, was
beschoten met smalle planken van satijnhout, beurtelings zacht paars en
citroengeel gekleurd.
En de weinige meubelen die er stonden, waren van dezelfde houtsoort en
dezelfde kleur.
Het was zeer bizar en Cormick scheen een man van een bijzonderen smaak
te zijn.
De ronde opening in den vloer vormde het middelpunt van het vertrek en
om die opening heen waren concentrische cirkels getrokken, afwisselend
in kleur, paars en geel, in banen van omstreeks een decimeter breedte.
Op ongeveer twintig meter afstand van de opening, dus dicht bij den
wand, stond een schrijfbureau van eigenaardigen vorm, het had de
gedaante van een cirkel en het bestond uit dezelfde houtsoort, waaruit
vloer en wanden vervaardigd waren.
Het bureau was zeer groot en was beladen met een massa papieren,
terwijl op een der punten een groote, geopende kist sigaren stond.
Naast het bureau stond een tafeltje uit brons gedreven en op het blad
zag Raffles een flesch van een of andere wijnsoort en een syphon
spuitwater, benevens een glas staan, dat voor de helft geledigd was.
Maar deze bijzonderheden drongen pas later tot hem door.
Het allereerst werd zijn aandacht getrokken tot den man, die achter het
schrijfbureau zat en hem strak aankeek.
Raffles had te veel portretten van den staalkoning gezien, om niet
aanstonds te weten dat die man John Cormick was.
En het was zeker een buitengewoon man, dat viel niet te ontkennen.
Het dikke hoofd, spaarzaam met grijs haar begroeid, dat borstelig
overeind stond, rustte op een korten nek en zonk bijna weg tusschen de
machtige schouders, nu hij daar een weinig voorover gebogen aan zijn
schrijftafel zat.
Het breede gelaat was volkomen glad geschoren.
De neus was groot, vleezig en goed gevormd.
Opmerkelijk waren de wenkbrauwen, gitzwart, buitengewoon dik en
borstelig en die boven den neuswortel in elkander schenen over te gaan.
Daar onder keken de groengrijze oogen met een eigenaardige schittering
Raffles onophoudelijk aan, zonder dat de man eenige vrees scheen te
toonen en alsof hij verwachtte dat de indringer het woord tot hem zou
richten.
Het was hier boven zoo volkomen stil, zoo volstrekt geruchtloos, dat
Raffles niets anders hoorde dan zijn eigen zachte ademhaling.
En hij bleef maar kijken naar Cormick, wiens groote, sterk behaarde
handen op den vloeilegger lagen.
De rechterhand hield de vulpen vast, de linker een geweldig groote
sigaar.
Maar nadat hij vijf minuten gestaan had, aarzelde Raffles niet langer.
Met een enkelen sprong was hij in het vertrek, de revolver op het hoofd
van Cormick gericht.
—Verroer u niet, mijnheer, ik versta geen grapjes! zeide hij met
zachte, heldere stem. Het spijt mij, dat ik u hier moet komen lastig
vallen, midden in uw drukke werkzaamheden, maar eerlijk gezegd had ik
gedacht, dat gij reeds zoudt slapen, men schijnt mij verkeerd te hebben
ingelicht.
Hij was onder het spreken snel naderbij gekomen en wachtte op een
antwoord.
Maar Cormick bleef zwijgen, volkomen onverschillig voor deze toespraak,
naar het scheen.
Raffles deed nog een paar schreden en uitte eensklaps een onderdrukten
kreet.
Hij trad snel op Cormick toe en wuifde met zijn linkerhand vlak voor
diens oogen heen en weer.
De grijsgroene oogen met hun zonderling flikkerenden blik knipperden
zelfs niet, maar bleven strak op Raffles gericht.
Raffles raakte even de hand van Cormick aan, die hand was koud en
stijf.
De staalkoning was dood.
HOOFDSTUK V.
DEN VOLGENDEN DAG.