LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 461 DE MOORD OP JOHN CORMICK
DE MOORD OP JOHN CORMICK.
HOOFDSTUK I.
HET KWADE OOG DOET VAN ZICH SPREKEN.
De bewoners van New-York waren niet weinig verschrikt toen zij op een
morgen in hun ochtendbladen lazen van een misdaad, die wellicht op
zichzelf niet afweek van tal van andere dergelijke misdrijven, die in
een reuzenstad als New-York bijna dagelijks voorkomen, maar welke een
noodlottige beteekenis kreeg door de bijkomstige omstandigheden en de
wijze waarop zij was gepleegd.
Omstreeks twee uur in den nacht had een politiepatrouille, uit twee man
bestaande, in een der hoofdlanen van het Central Park, in het hartje
van de stad gelegen, een man op den grond uitgestrekt gevonden, zeer
goed gekleed, ongeveer veertig jaar oud en klaarblijkelijk tot de
rijken behoorende.
Wel droeg hij volstrekt geen sieraden, ook geen portefeuille, noch een
beurs, maar die waren hem hoogstwaarschijnlijk door zijn aanvallers
ontroofd.
Hij lag voorover en zijn gelaat was met vochtige aarde besmeurd.
Toen de agenten hem vonden moest hij reeds minstens een uur dood zijn.
In het achterhoofd gaapte een afschuwelijke wonde, blijkbaar
toegebracht met een korte knots met scherpe kanten, van zeer hard hout
of uit ijzer gemaakt.
Het schedeldak was over een geruimen afstand verbrijzeld en de dood was
zeker bijna aanstonds ingetreden.
En toch was het geen gewone berooving, want men vond, met een speld aan
de mouw van de jas bevestigd, een stukje papier, waarop geschreven
stond:
„Zoo zal het allen vergaan, die zich tegen het Kwade Oog verzetten!”
En onder dezen dreigenden regel stond, bij wijze van onderteekening,
een wijd geopend oog, met een starende, boosaardige uitdrukking en
klaarblijkelijk geteekend door een man van het vak.
Het bericht van dezen overval stond natuurlijk den volgenden dag in
alle bladen en dadelijk maakte zich een groote ongerustheid van de
inwoners van New-York meester, vooral van de rijken onder hen, want zij
herinnerden zich maar al te goed het tijdperk, gedurende hetwelk de
vreeselijke bende van het Kwade Oog schijnbaar onbelemmerd optrad en
schrik en ontsteltenis verspreidde.
Destijds was het meestal begonnen met een waarschuwing aan dezen of
genen rijkaard om een zeer groot bedrag op een afgesproken plaats te
deponeeren.
Bleef de gewaarschuwde weigerachtig, dan was zijn lot bezegeld.
Eenige dagen later vond men hem dood—en nooit ontbrak het briefje met
den korten inhoud, door den chef van de bende onderteekend, die, zooals
naderhand zou blijken, bij zijn ondergeschikten bekend stond als „De
Moloch”.
De dood van de slachtoffers was niet steeds dezelfde.
Soms werden zij in hun eigen huis des nachts in hun bed doodgeschoten,
dan weer vond men hun lijk drijvende in de Hudson—een geheimzinnige
hand wierp hen door een liftkoker of uit een venster op een vijfde
verdieping, hun auto verloor een wiel en liep te pletter tegen een
boom, en het was zelfs al voorgekomen dat de wraakzucht van de bende
zoover ging, dat zij het jacht van een hunner slachtoffers, die naar
hun herhaalde waarschuwingen niet had willen luisteren, lek maakten,
zoodat het in volle zee met alle opvarenden, zeven in getal, verging.
Iedereen herinnerde zich maar al te goed de geschiedenis van Peter van
Dijke, een zeer rijk man, die door de bende was aangemaand, een bedrag
van niet minder dan een half millioen dollar op een bepaalde plaats te
deponeeren.
Talrijk waren zijn lotgevallen geweest, men had hem zijn dochter
ontroofd en dreigde die te zullen dooden—en ten slotte zegevierde hij
toch, uitsluitend door de hulp van een man, op wiens bijstand de
politie wel allerminst had durven rekenen—want hij was zelf een dief,
een inbreker en zijn naam luidde John Raffles.
Ja, het was de Gentleman-Inbreker geweest, die er tot twee malen toe in
geslaagd was de bende van het Kwade Oog ten ondergang te brengen—zonder
haar evenwel, zooals nu maar al te duidelijk bleek, in de kiem te
hebben kunnen versmoren!
Hij was het ook, die helder als de dag aantoonde, dat niemand minder
dan de eigen neef van van Dijke, dien men steeds voor een half idioten
sukkel had aangezien, de aanvoerder van het vreeselijke genootschap was
geweest.
De ellendeling liet zijn leven in den electrischen stoel en gedurende
eenige maanden haalde New-York verlicht adem, totdat de bende van het
Kwade Oog uit haar asch verrees, krachtig en gevaarlijker dan ooit.
En ten tweede male was het die geheimzinnige Engelschman geweest, die
dapper den strijd had aangebonden met de overmacht, bijgestaan door
slechts twee helpers, al even geheimzinnig en onvindbaar als hij zelf.
En ook ditmaal was hij erin geslaagd, na een hevigen strijd de bende
van het Kwade Oog ten onder te brengen.
Weer gingen er eenige mannen naar den doodelijken stoel, weer werden er
een paar dozijn tot gevangenisstraffen van vijf jaar tot levenslang
veroordeeld—en daarna bleef het langen tijd rustig.
De bende scheen haar levenssappen voor goed te hebben verloren—het was
alsof zij tot den laatsten man was uitgeroeid.
En nu zou dit slechts schijn blijken te zijn?
Nu zou men opnieuw aan den vooravond staan van een reeks afschuwelijke
misdrijven, waaraan het Kwade Oog zich altijd had schuldig gemaakt?
Inderdaad, alles wees er op.
Het handschrift op het briefje was veranderd, het oog was hetzelfde en
de wijze van optreden, verraderlijk en met doodelijke snelheid, was
eveneens niet gewijzigd.
De politie stelde natuurlijk aanstonds een onderzoek in naar de
identiteit van den vermoorden man, maar daar hij volstrekt geen
zegelring, geen portefeuille, geen enkel herkenningsteeken bij zich
droeg, duurde het tot tamelijk laat in den middag voor men eindelijk
zekerheid had, dat de doode James Pardee heette en een zeer rijk
industrieel was en sinds een tiental jaren gehuwd en met drie kinderen
gezegend.
Zijn echtgenoote verklaarde snikkend dat haar man inderdaad reeds een
paar malen een waarschuwing had ontvangen, maar dat hij er geen acht op
had willen slaan, vertrouwend op zijn lichaamskracht en zijn goede
revolver.
Hij bleef ook zelden laat uit, maar den avond tevoren had hij een klein
feestje gevierd met een aantal zijner vrienden, ter gelegenheid van het
vertrek van een hunner, die een langdurige onderzoekingsreis ging
maken.
De leden van het Kwade Oog moesten dit ongetwijfeld hebben
geweten—zooals zij wel alles schenen te weten—en hadden hierop hun plan
gebaseerd, om den weerspannigen industrieel uit den weg te ruimen en
hem op vreeselijke wijze te straffen voor zijn weigering, om hun een
bedrag van twintigduizend dollar af te staan.
En met de verklaring van de ongelukkige weduwe verviel ook aanstonds de
veronderstelling, dat men hier wellicht met een imitatie van de
vroegere zoo beruchte bende te doen had.
En hierbij bleef het niet—nog dienzelfden dag ontving de politie
bericht van verscheidene zeer rijke lieden, die waarschuwingen hadden
gekregen van de gevaarlijke bende.
Soms bevond zich die waarschuwing eenvoudig onder hun post, die
menigmaal uit drie honderd brieven bestond, soms ook werd zij aan de
deur afgegeven door een kruier, een loopjongen, of een
straatzwervertje, andere keeren werd zij in de bus geworpen, of des
nachts onder de reet van de huisdeur geschoven.
Een enkele maal had een der gewaarschuwden het briefje onder zijn
hoofdkussen gevonden, en niemand van het talrijke personeel kon ook
maar de geringste inlichting geven....
En het was een ijzingwekkende gedachte, dat de man die het briefje
neerlegde, den gewaarschuwden evengoed onmiddellijk had kunnen dooden.
De politie zat in zak en asch.
Want zij was toch reeds overstelpt met werk.
De bende van Het Kwade Oog en de Camorra bestonden reeds sedert vele
jaren en eischten nog altijd een krachtige bestrijding.
Sedert een paar maanden had het geheimzinnige genootschap van de
„Klu-Klux-Klan” het hoofd opgestoken en dit was weinig minder
gevaarlijk, daar het invloedrijke, welgestelde en machtige personen
onder zijn leden telde, waaronder zelfs eenige vrouwen.
Onder het mom van bescherming der rechten van de geboren Amerikanen
tegen vreemdelingen, en negers, pleegde de „Klu-Klux-Klan” in het
geheim de bloedigste misdaden en zeer zelden kwam er daar een van aan
het licht, of konden de daders worden gevat.
En nu kwam er nog de herleving van het Kwade Oog bij!
En toch had de politie reeds al het mogelijke gedaan in den strijd
tegen de misdadigers.
Om het optreden der autobandieten te beteugelen, had zij sedert eenigen
tijd een groot aantal politieagenten op motorrijwielen met zijspanwagen
door de stad laten patrouilleeren.
De bestuurder, zoowel als de man in het zijspan, waren goed gewapend en
eenige malen waren zij er reeds in geslaagd, een brutalen aanslag op
een of andere bank te verijdelen en de daders te vatten, of zonder meer
neer te schieten, wanneer zij zich verzetten.
Ook patrouilleerden er auto’s, met zes tot tien agenten bemand en zeer
sterk gebouwd, met stalen spatborden en een soort ram aan den voorkant,
waardoor zij in staat waren, de auto’s der bandieten zonder meer
onderste boven te rijden, of in den greppel terzijde van den weg te
dringen.
Men begon aanstonds met het onderzoek—het leverde evenwel geen
resultaat op.
Reeds dienzelfden dag kon de politie wel verklaren, dat alle pogingen
om de daders te vinden vruchteloos zouden blijven.
Niemand had iets van den aanslag gezien, niemand had een kreet gehoord.
En met een bang gemoed gingen de rijken van New York de toekomst in....
—Je blijft dus bij je plan, om eenigen tijd in New York te blijven?
—Zonder eenigen twijfel!
—Maar wij hadden immers het voornemen, weder naar Londen terug te
keeren?
—Ongetwijfeld. Er hebben zich echter omstandigheden voorgedaan, die het
wenschelijk maken, dat wij ons vertrek nog eenigen tijd uitstellen—en
die omstandigheden zijn van tweeërlei aard!
—Ik behoef zeker niet te vragen, of het bericht omtrent den moord in
het Central Park van invloed is geweest op je veranderde plannen?
—Ook dat—maar niet uitsluitend! Ik ben van voornemen veranderd, omdat
ik mij in mijn gevoel van eigenwaarde gekwetst acht!
—Wat is dat nu? Je gevoel van eigenwaarde? Wat heeft dat met het
uitstellen van onze terugreis te maken?
—Het is heel eenvoudig. Het is mij gisteren ter oore gekomen, dat John
Cormick, de staalkoning, vol trots verklaard heeft, dat zijn huis
volkomen inbraakvrij is. Welnu, ik wil hem het tegendeel bewijzen.
Dit gesprek werd gevoerd tusschen twee heeren, die gezeten waren in de
groote conversatiezaal van het Astor Hotel in de Vijfde Avenue.
De oudste hunner was Lord Edward Lister, alias John Raffles—de jongste
was zijn trouwe vriend en metgezel Charly Brand, aan Raffles verbonden
door het gemeenschappelijk bestreden gevaar, door de gemeenschappelijk
geleden ontberingen van allerlei aard.
Eenige weken geleden was Raffles naar Amerika overgestoken, met geen
ander doel dan om te gaan jagen in Alaska, waar het toen juist krioelde
van wild.
Maar zooals het menigmaal ging—het oorspronkelijke doel werd ver
voorbijgestreefd en Raffles geraakte ditmaal, ondanks zichzelf, in
eenige vrij gevaarlijke avonturen, die eenige weken geleden waren
beëindigd met een gelukkig huwelijk.
Raffles was vervolgens naar New York teruggekeerd en ook daar had hij
al zeer spoedig kans gezien van zich te doen spreken door de
buitengewoon stoutmoedige en slimme wijze waarop hij daar den juwelier
Walker had bestolen—en als het ware onder de bedrijven door, twee paar
gelukkige menschen had gemaakt.
Maar Charly Brand vond thans, dat het meer dan voldoende was en hij
verlangde naar Londen terug.
De datum van vertrek was dan ook reeds vastgesteld, toen die
noodlottige uitlating van John Cormick te kwader uur aan Raffles werd
overgebracht, die onder den naam van graaf Palmhurst in het Astor Hotel
logeerde.
Tot overmaat van ramp had daarna de moord in het Central Park plaats en
daarbij bleek het maar al te duidelijk dat de bende van het Kwade Oog
het hoofd weder had opgestoken.
Voor Raffles twee afdoende redenen om het vertrek naar Londen nog
eenigen tijd uit te stellen.
Hij herinnerde zich nog maar al te goed den fellen strijd tegen den
„Moloch” en hij was voornemens, dadelijk weder het zwaard aan te
gorden, zoodra het duidelijk mocht blijken, dat hier werkelijk sprake
was van een herleving van de zooeven genoemde bende.
Eenigen tijd zaten de twee mannen zwijgend tegenover elkander en toen
hernam Charly langzaam:
—Wij blijven dus hier?
—Ja Charly! Amerika is werkelijk zoo’n kwaad land niet en het bezit
vele schoonheden!
—Ja zeker en het Kwade Oog, de Klu-Klux-Klan en De Zwarte Hand behooren
tot het schoonste! zeide Brand sarcastisch. Trouwens, ik wil je wel
toegeven dat Amerika veel schoons heeft, maar ik voeg daar onmiddellijk
aan toe, dat jij er een zonderlinge manier op na houdt, om van die
schoonheden te genieten! Wij gaan ongetwijfeld weder een zeer
opwindenden tijd tegemoet.
—Dat hoop ik althans! hernam Raffles laconiek. Ik heb deze verandering
dringend noodig! Te Londen begint het terrein een weinig afgegraasd te
worden en het is heel goed als men mij daar een weinig vergeet. En ik
moet ook om dien armen Baxter, den hoofdinspecteur van politie denken.
Hij vervolgt mij nu al jaren en een weinig rust zou hem goed doen! Maar
hier is alles weder nieuw voor mij, de toestanden, de menschen! En
daarenboven, ik kan het werkelijk niet dulden, dat er hier iemand
rondloopt, die zoo onbeschaamd is, te verzekeren dat zijn huis
inbraakvrij is! Geen enkel huis is dat, tenminste niet voor den man,
die zijn hersens weet te gebruiken.
—Wie is die Cormick eigenlijk? vroeg Charly Brand.
—Weet je dat niet? Hij is een van de Staalkoningen! Zijn specialiteit
is, naar ik hoor, het vervaardigen van spoorstaven en ijzeren
dwarsliggers en ik heb mij laten zeggen, dat hij pas onlangs een
reusachtige bestelling heeft gekregen voor een nieuwe lijn in Mexico,
een lijn van een paar honderd kilometer lengte! Hij moet een zonderling
zijn, een man met fantastische denkbeelden en die toch als een
voortreffelijk zakenman wordt afgeschilderd en verder menschenschuw,
gierig, ongeloofelijk trotsch en die zich zelf beschouwt als een van de
tien mannen, die eigenlijk de Vereenigde Staten regeeren. Hij moet eens
gezegd hebben, dat, als hij het wil, het den volgenden dag oorlog is.
Nu, dat is wellicht een weinig overdreven, maar hij is door zijn
ontzaglijk fortuin en door het feit dat hij een twintigtal groote
staalfabrieken controleert een zeer te duchten man, met wien de
regeering rekening moet houden. Men schat zijn vermogen op zeven
honderd millioen dollar!
—Lieve hemel, wat doet de man er mee? riep Charly verschrikt uit.
—Hij doet er niets mee, hij vermeerdert het, dat is alles! antwoordde
Raffles. Zijn vijftien duizend arbeiders zijn tegen ongelukken
verzekerd, zooals de Wet dat trouwens voorschrijft en op hun vijf en
zestigste jaar krijgen zij een pensioen. Dat heeft hij heel mooi
verzonnen, want in de staalfabricage worden de arbeiders meestal niet
ouder dan zestig, als de omstandigheden heel gunstig zijn. Soms staken
de arbeiders, omdat zij wat meer wilden verdienen dan zij doen en dan
sluit Cormick eenvoudig de fabriek, waarschuwt den kapitein van zijn
jacht en maakt een reisje naar de Middellandsche Zee, in afwachting dat
de arbeiders eieren voor hun geld zullen kiezen, voor het geld dat zij
niet hebben. En hij wint het steeds, want hij kan wachten. Voor
concurrentie behoeft hij namelijk volstrekt niet bevreesd te zijn. En
de leveringscontracten laat hij afwerken door fabrieken, die eveneens
aan zijn gezag onderworpen zijn.
—En als daar ook gestaakt wordt?
—Dan moeten de bestellers maar wachten! En zij doen het, want zij weten
maar al te goed dat hun leverancier een zeer machtig heerschap is met
wien men slecht kersen eet. Zijn spoorstaven zijn bijna onmisbaar en
men wacht dus kalm af totdat de arbeiders weer bakzeil zullen halen! O,
hij is een buitengewoon schrander man, die Cormick. Maar hoe schrander
hij ook is, ik wil eens zien of ik het niet van hem win!
HOOFDSTUK II.
IN HET HUIS VAN DEN STAALKONING.
Er waren een paar dagen verloopen sedert den afschuwelijken moord in
het Centraal Park en nog altijd had de politie niet het minste spoor
van de daders kunnen vinden, ofschoon zij een klopjacht had gehouden in
de beruchte misdadigerswijken en ook eenige arrestaties had verricht,
die echter spoedig weer ongedaan moesten worden gemaakt wegens gebrek
aan bewijs.
Het was op een morgen van een verrukkelijken lentedag, toen er een
huurauto stilhield voor het huis van John Cormick.
Het lag aan de grens van de stad, dicht bij de rivier en boven op een
zacht glooienden heuvel.
Onmiddellijk daarachter strekten zich de geweldige fabrieksterreinen
uit, waarvan de grondwaarde alleen reeds in dezen tijd, nu New York
zich naar alle kanten uitbreidde, een ontzaglijk bedrag
vertegenwoordigde.
Het was gebouwd naar de aanwijzingen van den staalkoning zelf en het
was zeker een vreemd huis, van een eigenaardige bouworde.
Een modern Duitsch architect was er speciaal voor uit Berlijn gekomen
en had het huis in twee jaren tijds gebouwd.
Men zeide dat hij er een salaris van honderd duizend dollar voor had
ontvangen.
Het huis was van den kelder tot den top opgetrokken uit zware blokken
bazalt, van een eigenaardige donker grijze kleur.
De hoofddeur geleek veel op de poort van een gevangenis en was beslagen
met twee reusachtige, grillig bewerkte, koperen scharnieren.
Het was bijna onbegrijpelijk, dat een enkele man die zware deur kon
openen.
Vensters gelijkvloers waren er niet.
De laagste bevonden zich ter hoogte van de eerste verdieping en waren
zeer hoog en smal, voorzien van reusachtige nissen, uitgespaard in de
dikte van den muur.
Het huis geleek eenigszins op een vesting, met zijn vier torens,
vierkant van vorm op de hoeken.
Maar uit het midden rees een vijfde toren op, eveneens vierkant, van
een geweldigen omvang en bekroond met een ronden koepel van rood koper,
waarin ontzaglijke ronde vensters waren aangebracht.
De toren zelf had aan de vier kanten slechts twee vensters,
waarschijnlijk om de trap te verlichten, die wel naar den koepel zou
voeren.
Een breede rijweg voerde flauw hellend naar de geweldige voordeur.
Het huis lag op ongeveer twintig meters van den weg en was er van
gescheiden door een tuin, beplant met platanen, cactussen en andere
exotische boomen en heesters.
De breedte van den gevel van het huis bedroeg op zijn minst tachtig
meter en de minste toren, die er uit oprees, moest minstens twintig
meter hoog zijn.
De auto stond dus stil en er stapte een elegant gekleed man uit, die
even zijn blikken langs den gevel liet glijden, eenige woorden met den
chauffeur sprak, op de voordeur toetrad en aan de belknop trok.
Met een zwaar dreunend geluid, als van een gong of een kerkklok, ging
daar binnen de schel over.
Eenige tijd verliep en toen werd er naast de deur in den buitenmuur een
klein luikje geopend, nauwelijks een hand breed, waarachter een gezicht
verscheen, waarin de scherpe oogen den man daarbuiten onderzoekend
opnamen.
En toen klonk een stem, die vroeg:
—Wat wenscht gij, mijnheer?
—Ik zou gaarne mijnheer John Cormick gesproken hebben!
Het gelaat achter het ronde gat in den muur kreeg een uitdrukking van
de hoogste verbazing, bijna van schrik.
En toen klonk het weder, alsof de bezoeker een heiligschennis had
begaan:
—Mijnheer Cormick spreken? Heb ik u goed verstaan?
—Dat denk ik we! Ik geloof dat ik uw taal vrij goed spreek! antwoordde
de bezoeker.
—Maar wie zijt gij dan?
—Hier is mijn kaartje! Ik ben Edmond Morel van de „Figaro”.
Er kwam een hand door het gat steken, die het kaartje aannam, een hand
in een wit garen handschoen.
De scherpe oogen vestigden zich even op het kaartje, toen weer op den
bezoeker en de man binnenshuis zeide:
—Gij komt om een interview?
—Zoo is het, mijn vriend!
De man haalde de schouders op en hernam:
—Hebt gij soms een afspraak met mijnheer Cormick?
—Dat niet!
—Met den secretaris, mijnheer Dean, soms?
—Ook dat niet!
—Dat zijt gij hier zeker vreemd? hernam de man achter het gat half
spottend, half medelijdend. Hebt gij in ernst geloofd, mijnheer, dat
gij zoo maar, alsof het den eersten den besten betrof, een onderhoud
zoudt kunnen hebben met mijnheer Cormick?
—Ik wist niet... begon de bezoeker. Ik moet u zeggen dat ik dezer dagen
een interview heb gehad met den president der Vereenigde Staten en dat
het mij niet de minste moeite kostte, na hem mijn kaartje te hebben
laten brengen, een onderhoud met hem te hebben.
De bediende liet een kort lachje hooren en zeide op een toon van
onverholen minachting:
—De President! Gij wilt toch hoop ik mijnheer Harding niet vergelijken
met mijnheer Cormick? Het is duidelijk dat de President voor iedereen
gereed moet staan, die hem wil spreken! Met mijnheer Cormick is het
iets anders!
—Nu dan, dien mij dan wat ik u verzoeken mag bij mijnheer Dean aan!
hernam Morel, die een weinig ongeduldig scheen te worden. Eigenlijk heb
ik gedacht dat gij Amerikanen een weinig meer toegankelijk zoudt zijn
voor degenen, die inlichtingen van u wenschen, vooral wanneer zij de
vertegenwoordigers zijn van een blad als „De Figaro”. Ik zal toch
mijnheer Dean wel kunnen spreken?
—Ook dat is minder gemakkelijk dan gij schijnt te denken, mijnheer!
hernam de bediende met een bedenkelijk gezicht. Hebt gij vooraf belet
laten vragen?
—Ik zeide u reeds dat ik dat niet deed! riep de Fransche journalist
uit. Maar ik hoop dat gij mij niet zoo zult wegzenden?
De bediende dacht even na en hernam toen:
—Eigenlijk luiden mijn instructies formeel, geen bezoek zonder afspraak
toe te laten, maar ik wil trachten mijnheer Dean te bereiken.
Het raampje ging dicht en reeds meende de Franschman dat men hem
eenvoudig buiten zou laten wachten als een loopjongen, die met een
rekening komt, toen er in een der vleugels van de zware buitendeur een
klein, tweede deurtje open ging, zoo goed verborgen dat het nauwelijks
zichtbaar was, zoodat de bezoeker kon binnentreden en als hij wilde, in
het voorbijgaan kon bemerken dat het hout van de deur bijna een
decimeter dik was.
Maar hij wist dan ook niet, dat de geheele deur slechts bij zeldzame,
feestelijke gelegenheden geopend werd.
En nu stond Morel in een vestibule van een ongehoorde grootte en hij
moest het zich zelf bekennen dat hij zelden iets dergelijks had gezien
en dat Cormick er zich in ieder geval op kon beroemen, dat hij een
aparten smaak had.
De geheele vestibule was uit graniet opgetrokken—uit een zeer fraai,
grijsblauw geaderd graniet, hier en daar gepolijst, op andere plekken
dof gelaten en dat veel op marmer geleek. De banken die er stonden
waren buitengewoon zwaar en van graniet.
Heel aan het einde van de vestibule, die minstens veertig meter diep
was, begonnen twee granieten trappen, die zich in een sierlijke wending
naar elkander toebogen en op een hoogte van omstreeks zes meters van
den vloer verdwenen in den middelsten toren, waarvan hier in de
vestibule een klein gedeelte van een der zijwanden te zien was, dat
omstreeks een meter in de vestibule naar voren sprong—en het onderstuk
van dien wonderlijken toren was opgetrokken uit hetzelfde lichtgrijze
graniet, met blauw dooraderd.
De vestibule ontving haar licht zoo goed als uitsluitend door een
geweldig groote, lichtblauw gekleurde, glazen schijf, bijna vier meter
in doorsnede en in de zoldering van de vestibule aangelegd.
En het was een kil, eigenaardig, vreemd licht, dat door deze lichtblauw
gekleurde schijf werd uitgegoten over het grijze graniet, dat zelfs de
wanden van de vestibule omkleedde.
En nergens een vroolijke tint, nergens een versiering—niets dan die
grijze steen, drukkend en zwijgend.
De eenige versiering bestond in een soort mozaïek, stervormig, in den
vloer van de vestibule ingelegd en uit vier geweldig groote granieten
beelden aan den voet van de beide trappen.
Er waren slechts drie deuren—een rechts, een links, een in den voet van
den toren, tusschen de beide trappen—en zij waren lichtgrijs
geschilderd, teneinde zoo weinig mogelijk bij de omgeving af te steken.
En nergens tapijten of vloerkleeden, nergens een looper, geen palmen,
geen gemakkelijke stoel en slechts een enkele ontzaglijk groote, ronde
tafel op een voet—tafel en voet van steen.
In het midden van de reusachtige hall bevond zich een soort van bassin,
met zeer dikke wanden, waarin een kleine fontein ontsprong, of beter
gezegd een kleine waterval, die zich stortte uit den wijd geopenden
mond van een soort afgodsbeeld, een van die geluksgodjes, zooals ze wel
van speksteen gemaakt worden, maar dan bijna een meter groot.
Het water stroomde uit den mond langs het granieten lichaam, dat in
zittende houding was geplaatst en vervolgens in het bassin, om door een
kleinen rooster te verdwijnen.
En men hoorde niets dan het zachte gemurmel van dezen kleinen
waterstroom, die onophoudelijk uit den grijnzenden mond van het beeld
te voorschijn kwam.
De bediende stond nu naast den Franschen journalist en deze zag nu een
vrij gedrongen figuur, een gladgeschoren gelaat, wit haar en
doordringende, nog glanzende oogen van een ongeveer zestigjarig man,
geheel in zwart satijn gekleed, op de witte handschoenen en de zwart
zijden kousen na.
Dat was de butler Mills.
Hij wees Morel een van de granieten banken aan en zeide:
—Wees zoo goed hier een oogenblik te wachten. Ik zal eens gaan
onderzoeken of mijnheer Dean u kan ontvangen!
En Morel ging zitten en wachtte.
Hij zag den bediende de trap opgaan en in het binnenste van den
geweldigen toren verdwijnen, waarvan hij het bovengedeelte zooeven
boven het dak had zien uitsteken, bekroond door den koepel van
lichtblauw glas.
En toen de bediende verdwenen was, liet Morel zijn doordringende grijze
oogen snel en onderzoekend door de vestibule dwalen.
Hij wilde juist opstaan naar het scheen, om zich zachtjes naar de deur
te begeven—misschien wel om het fraai koperen beslag van dichtbij te
bestudeeren, toen hij daarvan terug werd gehouden door een soort
innerlijke stem, die hem scheen te waarschuwen.
Hij had het gevoel, alsof er iemand naar hem keek, ofschoon hij niet
begreep, wie dat kon zijn.
Maar toen hij naar den toren zag, bemerkte hij, heel in de hoogte, een
zeer kleine, smalle opening, waarachter kunstlicht scheen en waar
duidelijk een menschelijke gedaante te zien was.
En nauwelijks had hij dit gezien, of de opening ging weder dicht en
zijn oog ontwaarde slechts de gladde oppervlakte van het graniet.
—Dat kan de bediende niet geweest zijn! mompelde Morel voor zich heen.
Die kon onmogelijk al zoo hoog zijn! Nu, men is hier in huis nogal
wantrouwend uitgevallen, dat is zeker! En mijnheer Cormick wordt goed
bewaakt, dat staat ook vast!
Er verliepen bijna tien minuten en ofschoon Morel niet meer opkeek, had
hij het duidelijke gevoel dat men hem daar boven opnieuw in het oog
hield.
Toen keerde de butler terug en zijn voetstappen, ofschoon hij zoo zacht
mogelijk trachtte te loopen, klonken hol op de granieten treden van de
trap en op den vloer van de vestibule.
—Mijnheer Dean heeft tien minuten voor u, mijnheer Morel, zeide Mills,
zoodra hij weder tegenover den bezoeker stond. Wees zoo goed mij te
volgen!
Morel moest de trap opgaan, die een halven cirkel beschreef en aan het
einde waarvan zich een sterke deur bevond. Morel maakte bij zichzelve
de opmerking, dat een gevangenis ze niet steviger kon hebben—en hij
rekende uit dat hij zich nu moest bevinden in het inwendige van den
vierkanten toren.
Hij keek onwillekeurig naar boven, in de meening, dat hij den
kolossalen koepel boven zijn hoofd zou zien, maar daarin bedroog hij
zich—de zoldering was van zware eikenhouten balken gemaakt.
Hij bevond zich in een zuiver vierkant vertrek, waar niets anders te
zien was dan een liftkooi, zwaar verguld en recht daartegenover het
begin van fraaie houten trappen, die naar de hooger gelegen
verdiepingen schenen te voeren.
Mills was op de liftkooi toegetreden en drukte op een knop in het
vergulde hekwerk.
Een zacht gerommel liet zich hooren en de lift kwam naar boven en hield
stil. Automatisch openden zich de vergulde deuren en de hekken van de
lift, een ware kamer, met dik gepolsterde banken en met goud leder
bekleede wanden. Mills draaide aan den koperen hefboom en de lift rees,
terwijl de hekdeuren zich weder automatisch sloten.
Een paar seconden later hield de lift weder stil en Morel moest
uitstappen.
Hij stond in een smalle gang, die waarschijnlijk evenwijdig liep met
een der muren van den toren en in het midden daarvan bevond zich weder
een van die zware deuren, die de verbazing van den journalist hadden
gaande gemaakt.
De butler klopte op de deur, op een eigenaardige wijze, die een soort
waarschuwing scheen te zijn. Morel hoorde het verschuiven van een
zwaren grendel en toen werd de deur geopend door een jongen,
buitengewoon langen man, die nog langer scheen wegens zijn groote
magerheid.
Het was Jean Dean, de vertrouwde particuliere secretaris van den
staalkoning.
Hij kon omstreeks dertig jaar oud zijn, maar zijn eenigszins tanig,
geel gelaat en zijn reeds beginnende kaalhoofdigheid deden hem veel
ouder schijnen.
Hij had doordringende, zwarte oogen, die van buitengewoon doorzicht en
een zeldzame schranderheid getuigden.
Hij was zeer elegant gekleed, in een grijs ochtendcostuum, met een
ceintuur om het middel dichtgesnoerd, een van die gemakkelijk zittende
pakken, waarop de Amerikanen zoo gesteld zijn.
Maar nog voor hij op den man lette, wijdde Morel zijn aandacht aan het
eigenaardige vertrek, waarin hij thans binnentrad.
Het was zuiver vierkant en aan drie zijden bevonden zich vensters—ruim
drie meter hoog maar nauwelijks tachtig centimeter breed en voorzien
van geweldig diepe nissen.
De vloer bestond uit stalen platen, zorgvuldig aan elkaar gelascht,
zonder een enkele bout en glanzend geschuurd.
Slechts hier en daar verdween die vloer onder een kleed, waarvan Morel
pas later de hoedanigheid erkende.
In een van de wanden, tusschen twee van de vensters, bevonden zich een
half dozijn korte hefboomen met handvatsels van eboniet—en Morel vroeg
zich af, wat wel het doel van die hefboomen kon zijn.
De muren van het vertrek waren op een zeer eigenaardige wijze versierd.
Ook die wanden waren van staal, maar de eentonigheid was hier op
buitengewone wijze verbroken, want een kunstenaarshand had er gansche
tafereelen ingebeitst, allen ontleend aan de staalbewerking.
Het was een geheele serie, aanvangende met het delven van het oer,
vervolgens kwam het vervoer per boot en per spoor naar de fabrieken,
welke men in de verte zag, dan zag men de reusachtige smeltovens, waar
het oer tot ijzer werd omgesmolten, om van de slakken bevrijd te worden
en tenslotte zag men een afbeelding van de reusachtige „Bessemer
Peeren”, waarin het staal, tot een vloeibare massa geworden, zijn
laatste bewerking onderging, om ze tenslotte te verlaten als een
verblindend witte stroom.
Al die gebeitste tafereelen waren met een zwarte verfstof opgevuld,
zooals dit ook geschiedt bij de koper-gravure—en een meesterhand had
hier de graveernaald gehanteerd.
Dicht bij een der vensters stond een schrijfbureau—en dat was al even
eigenaardig als de rest, want het was samengevoegd uit zwart gebrande
ijzeren platen, op kunstige wijze aaneen geklonken—en men zou
waarschijnlijk in geheel New York, ja zelfs in den Staat van dien naam,
geen tweede soortgelijk schrijfbureau aantreffen.
Tegen een der wanden waren kaartkasten geplaatst, van pantserplaat
vervaardigd.
En juist in het midden van het vertrek verrees een soort stalen mast,
die in de zoldering verdween en waar omheen zich een ijzeren wenteltrap
kronkelde, die aan de bovenzijde was afgesloten door een rond luik,
hetwelk op dit oogenblik gesloten was.
Alle treden van dezen trap waren met roode gummi bekleed.
Dean had den bezoeker een oogenblik zwijgend opgenomen en gaf nu den
butler een wenk, die zich dadelijk terug trok.
De twee mannen waren alleen.
En Morel wilde reeds den mond openen om te spreken, toen Dean
glimlachend de hand ophief en zeide:
—Pardon—een oogenblikje!
Hij had een voorwerp van een kleine tafel gegrepen, dat onder het
bereik van zijn hand had gelegen en er uitzag als een van die
langwerpige zaklantaarns, die wel wat op een tooverstaf gelijken.
Het voorwerp zat aan een electrisch snoer vast, dat in den wand
verdween.
Deze eigenaardige koker bestond uit hardgummi, maar aan het einde
bevond zich een soort knop, van gepolijst ijzer vervaardigd.
Dean verschoof een klein knopje en hield toen het voorwerp op een paar
centimeters van de borst van Morel verwijderd, die zeer verbaasd
toekeek.
—Mag ik weten, mijnheer, wat gij daar doet? kon hij niet nalaten te
vragen.
—Ik doe met u mijnheer, wat ik met elken vreemden bezoeker moet doen,
die hier binnentreedt als ik alleen ben! antwoordde Dean glimlachend.
Ik kijk of u wapens bij u hebt!
—Ha, ik begrijp het! Een magneet?
—Zoo is het mijnheer en een magneet, zoo krachtig, dat, als gij een mes
of een revolver bij u droegt, ik dit reeds nu moest hebben gemerkt, ook
al zoudt gij een dikken pels hebben gedragen! Gij ziet hoe uw beurs met
onweerstaanbaar geweld naar dit kleine machinetje wordt gezogen, als
het ware door uw goed heen.
Inderdaad, de broekzak van Morel puilde uit en een oogenblik later
sprong zijn portemonnaie, alsof zij er met een touwtje werd
uitgetrokken, uit zijn zak en viel rinkelend op den grond.
Lachend richtte Dean er het uiteinde van de magneet op en als door
magische kracht sprong het lederen voorwerp wel een meter hoog en bleef
aan de magneet zitten.
—Tracht er haar maar af te halen! noodigde Dean den Franschman uit.
Morel greep zijn portemonnaie, maar hij zou het leder eerder verscheurd
hebben, dan ze van de magneet te kunnen losmaken.
Dean verschoof even het knopje en het kleine voorwerp lag in de palm
van zijn hand. De secretaris legde de magneet weder weg en ging voort:
—Ik zie tot mijn genoegen, mijnheer, dat gij geen wapen bij u draagt,
ik moet wel voorzichtig zijn en ik had ze van u in bewaring moeten
nemen, zoolang gij hier waart en totdat Mills de butler u weder zou
hebben weggeleid. Neem nu plaats wat ik u verzoeken mag en deel mij zoo
kort mogelijk mede wat de reden van uw bezoek is.
HOOFDSTUK III.
VOORBEREIDENDE MAATREGELEN.
Morel had plaats genomen in den stoel, dien Dean hem aanwees en begon:
—Ik wil u niet verbergen, mijnheer Dean, dat ik gehoopt had mijnheer
Cormick persoonlijk te spreken! Ik begrijp zeer goed dat gij op de
hoogte zijt van al zijn zaken, maar toch, voor den waren journalist is
het een hard gelag, korstjes van pasteien te eten in plaats van het
verlangde brood.
—Wat hebt gij mijnheer Cormick willen vragen?
—Ik had hem willen ondervragen betreffende die geweldige levering van
spoorstaven en dwarsliggers aan de Mexicaansche regeering. Ik had hem
willen vragen wat er waar is van de geruchten, al zou hij op het punt
staan, een contract met de Sovjet Regeering af te sluiten tot een
bedrag van zeven millioen dollar. En dan had ik hem willen ondervragen
aangaande zijn gewoonten, zijn liefhebberijen! Gij moogt mij niet
zeggen dat dit alles bekend is, want dan begrijpt gij niet welk een
roem een goed journalist erin stelt, alles van eigen aanschouwing te
hebben en alleen zijn eigen indrukken neer te schrijven, uit de eerste
hand!
—Ik kan mij dat zeer goed denken, mijnheer Morel, maar mijnheer Cormick
is een zeer eigenaardig man en moeilijk genaakbaar voor vreemden. Hij
doet alle groote zaken persoonlijk af, dat is waar, maar ik wil er niet
omheen draaien, hij heeft een hekel aan journalisten!
—Die kwaal is helaas meer verbreid dan men wel denkt! merkte Morel
hoofdschuddend op. Maar ik neem het niet kwalijk, ik kan mij zeer goed
voorstellen, hoe die honderden aanvragen om interviews hem het leven
hebben verzuurd. Welnu, mijnheer Dean, als het dan niet anders gaat,
dan zal ik genoegen moeten nemen met uw inlichtingen. Zoudt gij mij om
te beginnen willen zeggen waar mijnheer Cormick eigenlijk werkt?
—Een oogenblikje, mijnheer Morel, sta mij toe, met te vragen of gij mij
uw papieren zoudt willen toonen!
En toen de Franschman hem met open mond aanstaarde, vervolgde hij:
—Ik moet het u nogmaals herhalen, ik moet voorzichtig zijn! Begrijp
toch, dat mijnheer Cormick duizenden verbitterde vijanden heeft, die
niets liever dan zijn dood wenschen! Herinner u, dat in de laatste
dagen dat afschuwelijke genootschap van Het Kwade Oog opnieuw van zich
doet spreken!
Kortom, met mijnheer Cormick moeten dezelfde voorzorgen worden genomen
als met een Staatshoofd.
—Niet verder, mijnheer Dean! viel Morel haastig in de rede, ik begrijp
u volkomen, het is alleen voor een Franschman een weinig ongewoon.
Hij had de hand in zijn binnenzak gestoken en nam nu uit zijn
portefeuille eenige papieren, stak ze Dean toe, die ze luchtig doorlas
en ze toen weder terug gaf met de woorden:
—Het is in orde, mijnheer! Ik zie uit deze papieren, dat gij inderdaad
Edmond Morel zijt, vertegenwoordiger van het bekende Fransche blad „De
Figaro”. Wat nu uw verzoek betreft om mijnheer Cormick te interviewen,
ik moet u tot mijn spijt herhalen, dat hiervan wel geen sprake kan
zijn, tenzij er zich, zooals men in criminalistische kringen zegt, „een
nieuw feit” zou voordoen, een gebeurtenis van belang, laat ons zeggen
een revolutie in Mexico, aan welk land wij onze spoorstaven moeten
leveren, of iets dergelijks! Gij zult het dus met mij voor lief moeten
nemen, vraag mij wat gij wenscht maar ik waarschuw u, dat ik u
hoogstens tien minuten kan geven!
—Dan zal ik moeten berusten! zeide Morel zuchtend. Ik begin dan! Wordt
mijnheer Cormick steeds zoo goed bewaakt?
—Zoolang mij heugt! Hij is, zooals ik reeds zooeven zeide, een man van
groote beteekenis, die zich zeer veel vijanden heeft gemaakt! Ook zijn
politieke overtuiging heeft hem veel haat berokkend.
-~Mag ik weten waar zich de werkkamer van mijnheer Cormick bevindt?
—Het is geen geheim, zijn werkkamer is hier boven, mijnheer, het is het
bovenste vertrek van den toren en het is slechts aan zeer weinigen
vergund, daar binnen te treden.
—Mijnheer Cormick is immers ongehuwd?
—Ja, hij is jonggezel.
—Dus, dan vervalt bij zijn dood zijn ontzaglijk fortuin aan den Staat?
Dean scheen een oogenblik te aarzelen, voor hij ten antwoord gaf:
—Dat zou slechts het geval zijn, wanneer hij geen erfgenamen had! Die
zijn er evenwel! Zijn broeder heeft twee zoons en die komen natuurlijk
het eerst in aanmerking.
—Mijnheer Cormick geeft zeker jaarlijks zeer groote bedragen uit aan
instellingen van algemeen nut of van liefdadigheid?
—Niet meer en niet minder dan.... de meeste lieden in zijn positie,
mijnheer! antwoordde Dean tamelijk kortaf.
Nu stelde de Fransche journalist nog een aantal vragen betreffende de
gewoonten van den staalkoning en eindigde tenslotte met de vraag:
—Nu nog dit, mijnheer Dean en gij moet deze onbescheidenheid vergeven
aan een man, wiens beroep het nu eenmaal is indiscreet te zijn! Ik heb
hooren verluiden, dat mijnheer Cormick uitermate trotsch is op de
bescherming van zijn huis tegen inbrekers. Gelooft gij dat hij
overdrijft?
—Niet in het minst, mijnheer! Hier komt geen enkel inbreker binnen, dat
verzeker ik u. De particuliere brandkast van mijnheer Cormick staat in
zijn eigen werkkamer en de inbreker zou een tiental moeilijkheden
moeten overwinnen, alvorens hij dat vertrek kon binnentreden.
—De veronderstelling is dus niet te boud, dat deze kamer van ijzer en
staal een onderdeel vormt van dat verdedigingsstelsel? vroeg de
journalist glimlachend.
—In zekeren zin wel, mijnheer! antwoordde de secretaris, die een weinig
ongeduldig scheen te worden.
—Ja, ja, die verschillende hefboomen daarginds brachten mij op dat
denkbeeld! hernam Morel onverstoorbaar. De electriciteit is een
wonderbaarlijke uitvinding en de man die er zich goed van te bedienen
weet, heeft een grooten voorsprong, zelfs op den meest bekwamen
inbreker! Gij hebt er zeker niet op tegen, mij de geheele installatie
te laten zien?
—Dat zal ik tot mijn spijt inderdaad moeten weigeren, mijnheer Morel!
antwoordde Dean koeltjes. Gij begrijpt wel, dat men al ware het slechts
uit voorzichtigheid, zulk een geheim niet prijs geeft.
Hij had een blik op zijn horloge geworpen en stond op.
Morel begreep, dat het gesprek als geëindigd moest worden beschouwd en
maakte zich gereed om te vertrekken. Hij liet zijn aanteekenboekje in
zijn zak glijden, schroefde zijn vulpen in elkaar, stak haar weg en
greep zijn hoed.
Dean had reeds op een electrischen knop aan het blad van zijn
schrijftafel gedrukt en een oogenblik later ging de deur geruischloos
open en Mills verscheen op den drempel.
Morel boog voor Dean en zeide:
—Ik zeg u dank voor uw vriendelijke inlichtingen, mijnheer Dean en ik
hoop, dat ik de gegevens welke gij mij verstrekt hebt, dezer dagen zal
kunnen verwerken in een artikel, hetwelk ik voornemens ben over
toestanden in de Amerikaansche industrie te schrijven.
—Ik wensen u succes, mijnheer! zeide Dean en hij liet zijn bezoeker uit
tot bij de deur. Hij keek hem een oogenblik na, sloot de deur weder en
ging langzaam naar zijn schrijftafel terug.
Maar voor hij daar nog was, klonk het scherpe geratel van een
electrischen wekker.
Hij ging haastig naar het bureau en luisterde aan de monding van de
spreekbuis, die daar uitkwam en door de zoldering verdween.
Toen sprak hij in het mondstuk:
—Ik kom aanstonds bij u, mijnheer Cormick!
Hij keek wachtend naar de zoldering en begon de wenteltrap te
bestijgen, toen daar boven de ronde schijf om de onzichtbare as
wentelde en langzaam de opening vrij maakte, waarin de wenteltrap
verdween.
Even later had Dean de trap beklommen en toen hij boven was, schoof de
ronde deksel geruischloos weder op zijn plaats.
Intusschen was Morel op de hielen van Mills langs denzelfden weg weder
teruggekeerd en de butler liet hem zwijgend uit.
De Franschman scheen verlicht adem te halen toen hij de heerlijke
lentelucht weder opsnoof na zijn verblijf in dit reusachtige huis met
zijn drukkende pracht, zijn kolossale afmetingen en zijn zonderlinge
inrichting.
Hij had vrij spoedig een huurauto gevonden en gaf den chauffeur een
adres op.
Een half uur later stond de auto stil aan het begin van een breeden
weg, of liever een laan, die naar een der voorsteden leidde.
Morel stapte uit, betaalde den chauffeur en ging te voet verder.
Omstreeks een kwartier later had hij een klein, eenvoudig landhuis
bereikt, waar men hem waarschijnlijk verwacht had, want de deur ging
open nog voor hij haar bereikt had en in de gang verwelkomde hem Charly
Brand met de woorden:
—Niets bijzonders! Maar ik zal je aanstonds wel alles vertellen—laat ik
eerst mijn vermomming gaan afleggen.
En Morel trad een gelijkvloers gelegen vertrek binnen, bleef daar een
kwartier en toen hij het weder verliet, vertoonde hij zich in de
gedaante van graaf Palmhurst—van den Engelschen edelman, achter wien
John Raffles zich verborg!
Hij stak de gang over en trad een eenvoudig gemeubeld, helder verlicht
vertrek binnen, waar de zon in breede bundels door het openstaande raam
naar binnen scheen.
Brand wierp aanstonds het dagblad weg, dat hij zat te lezen, keek
Raffles vol verwachting aan en vroeg toen:
—Je optreden als Morel heeft dus niet het gewenschte resultaat
opgeleverd?
—Neen Charly—ik erken het volmondig! Ik had er meer van verwacht, maar
ik had moeten bedenken dat die man als het ware met koninklijke
waardigheid bekleed is en dat het niet zoo gemakkelijk is hem te
naderen!
—Je hebt hem dus niet zelf gesproken?
—Neen—ik heb genoegen moeten nemen met zijn secretaris.
—Wat is dat voor iemand?
—Een heel merkwaardig man, naar ik meen—maar dien ik toch niet gaarne
onder mijn vrienden zou rangschikken. Zijn oogen bevallen mij niet al
te goed—en de vorm van zijn voorhoofd is bepaald ongunstig. Hij heeft
mij echter geduldig te woord gestaan—en ik weet nu hoe laat Cormick
pleegt op te staan, dat hij veel van macaroni houdt, dat hij iederen
morgen een bad in koud water neemt, dat hij ongehuwd is en meer
dergelijke zaken, die mij eigenlijk volkomen onverschillig laten.
—Maar de hoofdzaak—de verdedigingswerken van de vesting?
—Die heb ik uit den aard van de zaak slechts zeer vluchtig kunnen
onderzoeken. Maar ze zijn formidabel, daar kunnen wij gerust op
rekenen. Cormick werkt op groote schaal met electriciteit. Zijn
secretaris zit in een kamer, bijna geheel uit ijzer en staal bestaande,
tot den vloer en het ameublement toe—en ik vermoed, dat men die geheele
kamer electrisch zal kunnen laden en dat iedereen die maar even in
aanraking komt met een van die voorwerpen op slag gedood wordt door een
electrischen stroom met een spanning van een paar duizend volt.
—Sakkerloot! riep Brand verschrikt uit, dat klinkt niet bepaald
geruststellend.
Maar Raffles haalde de schouders op en hernam:
—Een bescherming van een huis door middel van electriciteit heeft haar
zwakke zijden ook, mijn waarde! Want in dergelijke gevallen moet degeen
die haar toepast nog altijd gebruik maken van een geleidingsdraad en
daarin schuilt voor hem het gevaar! Want men behoeft slechts dien draad
door te knippen—en het heele prachtige systeem valt als een kaartenhuis
in elkaar. Natuurlijk is die draad zorgvuldig verborgen en de groote
moeilijkheid ligt hierin, hem desniettemin te ontdekken.
—En is dat alles?
—O neen! Er zijn ook nog geweldige grendels aan de voordeur, meer dan
een duim dik, er is een Yaleslot, er is nog een ketting, er is een
bascule onder de mat, die des nachts contact maakt, als zij door het
gewicht van een inbreker wordt neergedrukt en dan waarschijnlijk een
alarmschel in beweging brengt, er zijn zware ijzeren rolluiken voor de
ramen—kortom, de gebruikelijke, omslachtige bewapening, die ik
niettemin, zooals je je misschien wel zult herinneren, herhaalde malen
heb weten te doorboren! Het is slechts de zaak om ze te kennen en te
weten hoe zij werken!
—Met dat al kan ik niet inzien, op welke wijze je thans zult slagen, om
je plan ten uitvoer te brengen! Want ik behoef je natuurlijk niet te
vragen of Dean geweigerd heeft, je op jouw verzoek die electrische
installatie te toonen?
—Natuurlijk weigerde hij en ik had ook verstandiger en voorzichtiger
moeten zijn! De man leek mij toch al een weinig wantrouwend. Enfin, de
morgen is toch niet geheel en al verloren, want ik weet nu althans
waarop het verdedigingsstelsel gebaseerd is. Ieder huis, hoe goed ook
uitgerust om heeren inbrekers te bestrijden, heeft een zwakke plek,
soms meerdere—en het is een grondwaarheid, dat zij toenemen met de
grootte van het huis! Er zijn maar twee deuren, dat is waar, een voor
Cormick, zijn secretaris en zijn ander personeel, waarvan ik trouwens
nog niemand gezien heb en een voor de bedienden. Beide zijn even sterk
en ze worden goed verdedigd. De laagste ramen bevinden zich op de
eerste verdieping, ongeveer zes meter van den grond. De dakrand is
zeker minstens vijfentwintig meter van de straat verwijderd en de toren
is honderd twintig meter hoog! En toch moet men dat huis binnen kunnen
komen!
—Er is geen kelder?
—Er is zelfs een zeer uitgestrekte kelder. En omdat die toch verlicht
moet worden, zijn er ter hoogte van de straat hier en daar een paar
lage ramen aangebracht, waardoor een niet al te zwaarlijvig man zal
kunnen heenkruipen, maar die dan ook beschermd worden door kruiselings
aangebrachte armdikke tralies! Ja, mijnheer Cormick gaat niet over een
nacht ijs, dat zal men hem onmogelijk kunnen verwijten. Maar ik geef
het niet op! De grootste moeilijkheid zal waarschijnlijk zijn
binnenshuis te komen, maar zijn we er eenmaal dan kan het niet zoo
moeilijk zijn, tot boven in den toren te komen—als wij maar eerst de
bron van electrische energie hebben ontdekt en die hebben kunnen
afsnijden!
—Maar er zullen nachtwakers om het huis patrouilleeren, Edward! Je zult
die duimdikke stalen grendels nooit van buitenaf kunnen doorzagen,
evenmin als de tralies van de kelderramen, je zult die ramen op de
eerste verdieping onmogelijk kunnen bereiken—ik zie dus niet in, hoe je
binnenshuis zult kunnen komen.