3 Pelder = lijkkleed.
4 Damp, nevel.
HOE ZEERE[1] VALLEN ZE AF.
Hoe zeere vallen ze af,
de zieke zomerblâren;
hoe zinken ze, altemaal,
die eer zoo groene waren,
te grondewaard!
Hoe deerlijk zijt gij ook
nu, boomen al, bedegen[2];
hoe schamel, die weleer
des aardrijks, allerwegen,
de schoonste waart!
Daar valt er nog een blad;
het wentelt, onder 't vallen,
den alderlaatsten keer,
en 't gaat de duizendtallen
vervoegen[3] thans:
zoo zullen ze, een voor een,
daarin de winden bliezen
vol luider blijdzaamheid,
nu tonge en taal verliezen,
en zwijgen gansch.
Hoe zeere vallen ze af,
onhoorbaar in de lochten,
en schier onzichtbaar, in
de natte nevelvochten
der droeve maand,
die, 't ijzervaste speur,
ontembaar ingetreden,
die al de onvruchtbaarheid,
die al de onvriendlijkheden
des Winters baant!
Daar valt er nog een blad,
daar nog een, uit de bogen
der hooge boomenhalle,
en 't dwerscht den onbewogen
octobermist:
't en roert geen wind, geen een,
maar 't leken, 't leken tranen,
die men gevallen zou
uit weenende oogen wanen:
één kerkhof is 't!
Gij, blâren, rust in vreê,
't en zal geen een verloren,
geen een te kwiste gaan
voor altijd: hergeboren,
die dood nu zijt,
zal elk van u, dat viel,
de zonne weêr ontwekken,
zal met uw' groenen dracht
de groene boomen dekken,
te zomertijd.
o Zomer!... Ik zal eens
ook Adams zonde boeten,
gevallen en verdord
in 's winters grafsteê, moeten;
maar, 's levens geest,
dien Gij gesteken hebt
in mijn gestorven longen,
dien zult gij mij voor goed
niet laten afgedwongen,
die 't graf ontreest!
VOETNOTEN:
1 Spoedig, snel.
2 Geworden.
3 Zich voegen bij.
VAN DEN OUDEN BOOM.
Met uitgestroopten arm,
ten halven afgeknuist,
wie staat er daar, en steekt
eene onbestaande vuist
ten hemel? Is 't een reus
in beelde? Neen 't, 't en is
geen menschenbouw, 't is eer
een' wangedaantenis;
een steenen berggedrocht,
dat, staande fel en fier,
de scherpe houwen torst
van 't vonkend hemelvier.
Doch neen, 't en is geen berg,
geen wangedrocht voorwaar;
't zijn takken stijf en stomp,
't is schorse, die 'k ontwaar;
die, dikke en diepgegroefd,
geborsten en gescheurd,
van uit den ouden grond
heure oude bonken beurt;
't zijn spanders overal,
't zijn spillen, die 'k aanschouw,
een loof, dat kroont alom
een steenoud boomgebouw.
De Winter heeft erop
zijn boos gebijt vermoord;
het Water heeft het merg
en 't herte eruit geboord;
de Bliksem spookte erom,
en kraakte, met geweld,
er halve boomen uit,
en takken ongeteld;
de Tijd onteerde laf
en langzaam al zijn lijf,
en nog en roert hij niet:
hij staat daar, rotsestijf.
En ieder jaar dat loopt
hergroent hij nog, en laat,
wanneer de lente lacht,
zijn spaarzaam loofgewaad
omschaduwen het stuk
hooge uitgepuilden grond,
daar, als hij jonger was,
zijn' geile wortel stond.
Eilaas, niet langer meer
en kan hij, moegeleefd,
de wonden duiken[1], die
men hem geslagen heeft!
Hij staat daar, oud en strem,
in 't wilde windgegons,
gelijk te Roomen, van
groenuitgeslegen brons,
men beelden ziet: geen een
en weet hoe lang gestaan
zij hebben; geen hoe lang
de Tijd voorbij zal gaan
en groeten ze, ongedeerd.
--Ik groete u! God beware
u, Vlaamschen ouden "tjok",
nog honderd, duizend jaar!
VOETNOOT:
1 Verbergen.
=BLOOTAKKER=.
Geen één blad op de boomen! Af
is alles; voor de vlagen
gevallen onder voet en van
de winden weggevaagd,
het schilderschoone aanschouwen, dat
het bonte najaar draagt:
noch wit en zijn, noch groene meer,
de scherpe doorenhagen.
'k Zie heinde en verre, deur end deur
de velden nu, de kerken,
de huizen en de hoven staan,
zoo bloot als op mijn' hand;
van verre zie 'k de peerden en
de menschen, op het land,
zoo neerstig en zoo kleene, alzoo
de mieren zijn, aan 't werken.
't Is wijd en breed al, ommentom,
'k gevoel 't nu, aan de baren
des wilden Winds, die henentuimt
en, tierende onder 't hout,
zijn' stemme schijnt te missen en
zijn' tale, die zoo boud,
zoo bulderende, aan 't roepen zat,
hier voortijds in de blâren.
't En wonen meer geen' vogels in
de boomen! Zoo gij, wepel[1],
nen overjaarschen aksternest
entwaar nog hangen vindt,
van boven in de abeelen, 't is
een' wiege zonder kind,
die waagt[2], en geen geluid en geeft:
een' klokke zonder klepel.
'k Zie geren nu de takken, dikke
en dunne, uit eenen stamme
gesprongen, rechte omhooge staan,
hun' handen uitgestrekt;
zoo schoone, als of zij baden, dat
de Winter hunne ontdekte
en teere, jonge leden toch
niet teenemaal en stramme.
Vervarelijke Winter, laat
u murwen, u verzoeten:
dekt alles, eer gij vriezen komt,
voorzichtig, in de snee;
'n ijzelt op de boomen niet,
die breken zouden! Wee
der takken, als ze 't wegen van
den ijzel tillen moeten!
In stukken slaat ge, Winter dan
de boomen. Hoort ze kermen:
ze sleuren elk den anderen
zijn telgen, zwaar als steen,
te grondewaard; ze stubbelen[3]
ze storten, al deureen...!
Vervarelijke Winter, laat 't
der schoonen u ontfermen!
VOETNOTEN:
1 Eenzaam, verlaten.
2 Wagen = bewegen.
3 Vechten.
=MOEDERKEN=.
't En is van u
hiernederwaard
geschilderd of
geschreven,
mij, moederken,
geen beeltenis,
geen beeld van u
gebleven.
Geen teekening,
geen lichtdrukmaal,
geen beitelwerk
van steene,
't en zij dat beeld
in mij, dat gij
gelaten hebt,
alleene.
o Moge ik, u
onweerdig, nooit
die beeltenis
bederven,
maar eerzaam laat
ze leven in
mij, eerzaam in
mij sterven.
=PERELS=.
Nog eer de blâren schieten,
in 't hofbeluik[1],
hoe geren zie 'k uw' sprieten,
o perenstruik;
hoe geren zie 'k uw takken
vol blommen staan,
vol perels, al in pakken
eer ze opengaan!
En mochte ik maar, zoo even,
door Gods beschik,
u, peretakken geven
nen toovertik;
't en zou geen pere krommen
uw hout, voortaan:
veel liever zie 'k de blommen,
eer ze opengaan.
'k Zie geren, in de hoven,
uw' peren groot,
de zonne zitten stoven,
al rijp en rood;
maar 'k zie wel nog zoo geren
uw blommen staan,
de perels van de peren,
eer ze opengaan.
VOETNOOT:
1 Beluik = besloten ruimte.
=SPREEUWEN=.
"'k Zie-'t!" zoo vliggert, vlug te vlerke,
recht den torre in van de kerke,
daar ze is nest aan 't bouwen!... "'k zie-'t!"
piept de spreeuwe, en anders niet.
Maar wat is mij, scherpgebekte,
zwart-halfgroen gevliggervlerkte,
vage vogel, dan 't bedied
van uw eeuwig zeggen: "'k zie-'t?"
Ziet gij, daar omhoog aan 't broeden,
ziet ge, aan 't blijde jongskes voeden,
in uw pierende oogskes, iet
dat elk mensche niet en ziet?
Zegt, of is 't de zonne rijzen,
dat gij ziet, is 't buien bijzen[1];
kwade wichten of kwa died[2]
zitten ievers, diepe in 't riet?
"'k Zie-'t!" zoo piept gij; ziet gij, binnen
deze borst, mij iet beminnen,
haten, willen, wenschen iet,
blijdschap hebben en verdriet?
"'k Zie-'t!" uw roepwoord doet mij delven
diepe in 't diepste diep mijns zelven
en ontdekken daar 't bedied
van uw eeuwig zeggen, "'k zie-'t!"
Een daar is, die aan de leeuwen
't leven gaf, en aan de spreeuwen,
Een die, vrij van al 't verdriet,
hooge zit en verre ziet.
Een... Hij zit in zijnen torre,
zonder schaalje[3] en zonder schorre[4];
en, van 't gene in mij geschiedt,
Hij mag eeuwig zeggen: "'k zie-'t!"
VOETNOTEN:
1 Stormen, snel vliegen.
2 Volk.
3 Schalie = lei.
4 Arduinen vloersteen.
=WEDERWIJVEN=.
Hoe wijsterwaster[1] vliegt de lucht
vol witte en lange stressen
van wolken, die ontvlochten zijn
lijk haar van tooveressen.
't Zijn wederwijven, boos en fel,
die, kwaad van hande en vinger,
malkanderen te keere gaan
en vechten slag om slinger.
De wind zit in 'k weet niet welk
geweste, 't buischt en 't bommelt
alhier, aldaar een zwepe los,
die deur de wolken schommelt.
Zij stuiven heinde en verre, en van
malkaar gescheurd, in stressen
van wijsterwaster vechtende, en
verwaaide tooveressen.
VOETNOOT:
1 Door elkander.
=EXCELSIOR=.
'k Zie liever die te bergewaard
zijn roekloos opgeklommen,
als die, om loon, zoo zaan[1] de vaart
gedaan is, nederkommen.
Die stijgt noch af- noch om en ziet
naar die in de eerde wroeten;
noch, dwee van halze, en kust hij niet
of waren 't keizersvoeten.
'k Zie liever die de zegevaan
mij deur de wolken steken,
_excelsior_, en, vóórgegaan,
mij moed in 't herte spreken.
Dan zegge ik: "Op! Dat ander kan,
dat kan, dat wil, dat zal ik:
geen oneere en geen schande en kan
mijn durven deren, valle ik."
Hooveerdigheid is valsch van doen,
van zeggen en van zeden:
ootmoedig wil ik, ridder koen,
tot stijgen mij besteden.
Zoo God mij helpt, en gij mijn vuist,
op Libans hoogste kragen[2],
of vielender omtrent mij duist[3],
nog wil, nog zal 'k het wagen.
VOETNOTEN:
1 Dra.
2 Punttoppen, kamlijn.
3 Duizend.
=ZEGEPRAAL=.
De zonne vecht! Het noordervolk
komt woedend opgestoven,
de diepten uit, afgrijzelijk
verbolgen. Bergen boven
malkanderen zij werpen gaan,
in 's hemels aangezicht:
den al te schoonen dag uitdoen,
en dooden 't zonnelicht!
Het spettert, uit de wolken, vier
en vlamme; kwade steenen,
van rammelenden hagelslag,
en bliksem, al met eenen,
vergâren mij de reuzen in
hun vuisten vol geweld,
en ruien ze, onbermhertiglijk
daarheen, in 't zonneveld.
't Is donker nu, 't is donkerder,
nog donkerder! Gevaren,
als machtig, overmachtig groote,
en mammothsche adelaren,
omslaan de wolken alles, en,
voor 't nachtelijk bedwang,
onthemelt al dat hemel is,
in 's hemels zwart gevang.
't Is donker! Zal 't verwonnen zijn,
dat overheerlijk blaken,
dat altijd even schoone van
de schoone zonnekaken?
't Is nacht! En zijt voor goed nu gij
gedompt en doodgedaan?
Gij, beeld des Alderhoogsten, zult
gij, stervend, ondergaan?
Staat op! Het worde dag weerom!
Staat op, en slaat die booze,
die duistere onbedachten, gij,
des hemels schoone rooze;
gij, onverkrachte lichtvorstin,
staat op, uit uwen schans,
en plettert, onbermhertiglijk,
die domme reuzen gansch!
De zonne vecht! Zij duwt den spiet,
den onverwonnen gaffel
des zonnelichts, de reuzen in
den zwartgezwollen naffel;
ze bersten, en ze bulderen
malkander slaande, intween;
en, hersens in de kele, valt
het reuzenrot ineen.
Ze pletteren te grondewaard,
ze pletsen en ze plassen,
dat 't bommelt in de lucht alom:
lijk honden zijn 't die bassen.
De wereld stroomt, afgrijzelijk,
van 't bloed alsof het waar',
van de eindelijk verwonnen, en
verwenschte reuzenschaar.
Ze 'n zijn niet meer,... ze 'n zijn niet meer.
Ze waren!... In hun stede
komt helderheid, komt hemelsblauw,
komt goud, dat schittert, mede.
De zonne vocht, de zonne won,
en, tierende overluid:
"Hier ben ik!" roept ons zonneken,
"des vijands vonke is uit!"
DE DOORNENBOOM.
De schamele, oude boom,
die midden in de vaten,
veracht en ongetroost,
des olieboeters[1] staat;
hij weet dat 't zomer is
en zou hij, zou hij 't laten,
te bloeien, nu dat al
dat blomme is opengaat?
Gestapeld, rondom hem,
zijn tonnen, tonnen, tonnen,
die olie zweeten al,
en stinken. Schouwen ook,
verheven boven 't dak
des oliebouws, en jonnen[2]
maar bitterheid den boom
en afgerolden rook.
Hij bloeien zal nochtans,
en, blij, de zonne bieden
de vreugde van zijn hert:
maar éénen keer in 't jaar
en wilt het zomer zijn,
en mag't den boom geschieden
te bloeien in den dwang
van al die tonnen daar.
Hij bloeit en staat in 't wit
getooid, langs alle kanten
één vlage blommen duikt
zijn' takken, scheef en krom;
de bietjes zie'k er zog
van zuiver zeem in zanten[3],
de blommen in en uit
en uit en in, weêrom.
Bloeit helder, helder op,
o boom, en luide pralen
laat al uw lief gewaai,
deur dikke en dunne. Neen't,
't en is maar éénen keer,
dat 't meie is; hillen, dalen
zijn blijde; blijde zijt,
genoeg, genoeg geweend.
De tonnen staan alom
gestapeld: zwarte zware
gedaanten, ongehier[4]
van leelijkheid. Welaan,
o taaie doornenboom,
daar midden in, verjare
nog menigmaal uw hoofd,
vol bloeiend wit gelaân!
VOETNOTEN:
1 Olieslager.
2 Gunnen.
3 Samenlezen.
4 Onguur.
=MIETJE=.
't Meiske, met zijn' teele melk,
op zijn bloote voetjes,
lang, gelijk nen terruwstelk[1],
zoetjes, zoetjes, zoetjes
terdt[2] het voort, en anders niet
als zijn teele melk en ziet't.
't Meisken hoorde: "Goedendag!"
zeggen, zoetjes, zoetjes:
"Mietje!" 't Meisken ommezag...
op zijn bloote voetjes
viel de melk en, vol verdriet,
wie dat 't was en wist het niet.
Meiske, meiske, meiske snel,
op uw bloote voetjes,
melk aan 't dragen, wacht u wel:
zoetjes, zoetjes, zoetjes,
mijdt u, meiske, en hoort gij iet,
vóór u, maar niet omme en ziet!
VOETNOTEN:
1 Tarwestengel.
2 Treedt.
CYTISUS LABURNUM[1].
Gevlerikt, na der vliegen aard;
gereesemd[2], al omleegewaard;
eenvervig, en van goude fijn,
des goudenregens blommen zijn.
Zij staan in krabben[3], lang en smal
van lijve, en recht een regenval
gelijken zij, van goude.... neen,
van zijde en licht en edelsteen.
't En is van al dat bloeit entwat
zoo geluw, in geen blommenstad;
't is geluw, naast aan 't groen.... 't en doet,
't is groen, ten geel'wen uitgezoet.
Als, ievers in den hof gestaan,
de goudenregens opengaan,
de duisterheid van 't groen verdwijnt,
"het regent en de zunne schijnt."
Hoe jammer dat zoo gauw voorbij,
uw vlagen gaan van goude, en gij,
o gulden regen, al te broos
van leven zijt ge, en tijdeloos[4]!
Gij strooit den weg, nen dag nadien,
of twee, dat wij u open zien:
zoo derf[5] is dan uw dood gelaat,
als kaf, daarop de vlegel slaat!
En, eens dat eene aan 't vallen is,
de stervenstijd van allen is
gekommen: geen een blomme en kan't
meer houden: 't goud is uitgebrand.
O goudenregen, heel en al
het jaar, zoo heet gij regenval;
doch regenval van goude, aleer
het meien zal, en zijt gij meer.
'k Verlange al, eer de maand daar is
weêromme, en tend[6] de hoven, frisch;
vol goudeware[7] en zonneschijn
geregend door uw' blommen, zijn.
VOETNOTEN:
1 Goudenregen.
2 Gerist.
3 Tros.
4 Zonder tijd, kort van duur.
5 Bleek.
6 Tend, tenden, t'enden = aan het einde.
7 Goudwaar.
BUIGEN OF BERSTEN.
Het jong hout staat, den rugge krom,
ootmoedig neêrgestopen[1]
terwijl de wind, den afgrond van
zijn diepe longen open,
gevaren komt, door bilk[2] en bosch;
en, bruischende in de boomen,
losbandig, al den gruwel van
zijn' gramschap heen laat stroomen.
De boomen staan geworteld in
den bodem diepe, en, weren
en zal de wind hun sterkheid noch
hunne oude stammen deren;
ze zuchten en ze stenen wel,
ze roepen en ze razen,
maar wederstaan, zoo willen ze, en...
dat durven ze, die dwazen!
Ze 'n buigen niet. Hun' wortels staan
in de eerde neêrgegrepen
als ankers, die gebonden staan
doen ijzervast de schepen;
ze 'n buigen niet. Hun hoofdgewaai
scheurt af en weg: om 't even,
en zullen noch en willen ze, en
voor wie dat 't zij, begeven.
Het jong hout ligt den grond nabij,
voorover, neêrgedwongen;
verpletterd en vernietigd haast.--
De wind komt losgesprongen
en, stampende op dat ligt... "Zoo wel
den naasten als den versten,...
die boomen daar zal 'k buigen doen,
of willens nillens bersten!"
't Is donker, van al 't zand, dat vliegt.
Geen hersendolle koeien
en kunnen, zoo de wind nu doet,
zoo ongedoevig[3] loeien.
Ei! poffen nu, en paffen gaan
de pezen af, en kraken
de wortels: als geweren zijn 't,
die dood en donder braken.
De doelen staan, bij vijftigen,
bij honderden, te perre[4],
ter aarden uitgeheven, en...
de boomen zijn omverre,
de teenen in de lucht; tot in
den vasten grond gezonken,
verdwijnt, al even slaggelings[5],
hun' kroone, in de elzentronken.
Het jong hout heft den hals weer op;
allengskens stilt het weder,
en legt het, op de rompen van
geroeide boshout, neder
zijn grimmigheid. Een slagveld is 't
vol lijken. Ongeschonden,
zoo staan de jonge stammen daar
nog, al die buigen konden.
VOETNOTEN:
1 Neêrgebogen.
2 Omsloten weide.
3 Wild, woest.
4 Op hun kop.
5 Met één slag.
DE SPERRETAKKEN.
De sperretakken staan, nabij
den boom, alsof hun blâren
gestorven, over langen tijd
aan jeugd en jonkheid waren;
maar, als zoo zaan[1] de zomer komt
herzie 'k hun verste vingeren
met jeugdig groen en zappigheid
den ouden boom omslingeren.
Nog winter is 't, men zeggen zou,
omtrent het bol[2]; en neven
het bol, zijn zwart de takken, die
maar tendenwaards en leven:
het oude draagt het nieuwe, dat
nog jong is; maar van dagen
ook oud geworden, beurtelings
zal 't oude 'et nieuwe dragen.
Op de ouden blijft gesteund, en zijt
voorzichtig, jonge spranken;
'n laat u nooit verleiden, om
te vroeg u vrij te danken
van 't oude: uit de oude grauwte van
de schiergestorven boomen
zal nieuwgeboren schoonheid eens,
en sterkte, henenstroomen.
VOETNOTEN:
1 Dra.
2 Stam.
HET GULDEN VLIES.
't Is scherenstijd in 't houtgewas.
De blaren vallen: grond en gras
zijn effen, van den wind die waait,
vol zilver en vol goud gezaaid.
Zoo groene en is de grond nu meer
als wijlen, toen de lente teer,
en 't jonge jaar zijn herte ontlook,
de weiden en de bosschen ook.
't Is scherenstijd. De schapen niet
maar 't houtgewas men scheren ziet;
en 't scherpe van de windenschaar
aan 't knippen is in 't houtgeblaar.
Daar vallen en vergaderen
nu honderdduizend bladeren,
die reuzen[1] af de rijzekens,
zoo lustig en zoo lijzekens.
't Is 't boomenvlies dat nederstort,
dat altemaal gesneden wordt;
dat af en dóór de schare moet,
zoo 't al, en te elken jare doet.
Het gulden vlies, dat Jason zocht,
en reeuwroofde[2] op het wangedrocht,
aanschouwe ik al mijn leven lang,
als wangeloove en kwenenzang[3].
Maar 't geen alhier, aldaar gestrooid,
den weg dien ik nu ga vermooit,
dat menigvuldig boomverlies,
voorwaar dat is mij 't gulden vlies.
Het blinkt, het bleust, het laait, het ligt
doorschoten van den zonneschicht,
onmeetbaar, verre, één schapendracht
van ooienwolle en lammervacht.
Een kleed is 't, als van engelkens,
van louter liefdebengelkens,
die zijde en wolle en gouden blaân
doen liggen, daar ze spelen gaan.
Het rilt, bij elker schree, die 'k doe;
het roert en 't ruischt, 'k en weet niet hoe;
en 't riekt, alsof er reuke fijn
van amber uit zou dampend zijn.
't Is scherenstijd, in 't houtgewas;
geen stap mij ooit zoo zoet en was
als dien ik eens, in Ipersteê,
deur de afgevallen blâren deê!
VOETNOTEN:
1 Vallen.
2 Reeuwroof = lijkroof.
3 Kwene = oud wijf.
HEBT MEÊLIJEN.
Hebt meêlijen met de boomen, laat
den bast hun ongeschonden;
bewaart ze voor de nijdigheid
der kwade nagelwonden;
geen onbermhertig menschenkind
ze dood en kwelle: geeft
de vrijheid aan des scheppers hand,
die in hun lenden leeft.
Hoe schandelijk ontmaakselt en
ontmooit gij mij de vrome,
de vrije en blije boomen, die 'k
zoo geren tegenkome
omtrent uw huis en hof, o gij,
dien God met herte en oog
heeft toegerust, om hem te zien
in 't heerlijk boomvertoog.
'k Zie opgeroeste pikken, moe
van kappen en van kerven,
gehamerd om den esschenboom,
den esschenboom bederven,
daaraan het hekken vastgehaakt
de bilken[1] sluit, en 't vee
belemmert, dat zijn vulte zoekt
en voedsel, in de wee.
'k Zie boomen, die gebonden staan,
in 's dwingers booze handen,
die nooit geen duimbreed af en laat
zijn ijzervaste banden,
maar spannende en onroerbaar, al
dat leeft en roert in 't lijf
der boomen doet misdragen tot
een eerloos wanbeklijf[2].
Gebulte boomen zie'k, en die,
doorhakkeld en dooreten,
vol krammen en vol haken staan
gespijkerd en gesmeten[3];
die werken zoo Gods wet hun wijst,
die tranen en die bloên,
o mensche, om eenmaal vrij te zijn
van al uw dertel doen.
Of staan ze meer niet vast genoeg,
de wortelvaste boomen?
En vreest gij dat zij henengaan
en meê met 't water stroomen;
of vliegen in de lucht, omdat
gij scherpe draden spint,
en lange reken[4] boomen al
in snijdend garen windt?
Och arme, en is 't genoeg u niet
dat, schier nog ongeboren,
het hout alreê geknipt moet zijn,
geschonden en geschoren;
dat 't, galoos[5] en tot alles dat
het niet en is gepraamd,
wordt "gloriette" en "pyramide",
en "espalier" genaamd!
Hebt meêlijen met de boomen, laat
hun schoonheid ongeschonden,
die schoonder is, onaangeroerd,
onvast en ongebonden,
zoo God ze liet gewassen zijn,
gewonnen en gebaard,
als al hetgene gij, o mensch,
verzint en hebt vergaard.
VOETNOTEN:
1 Omsloten weide.
2 Wangewas.
3 Geslagen.
4 Rij.
5 Weergaloos.
DE DAGERAAD.
In 't blauwe van den hemel doekt
een kleene, witte wolke
de zonne mij;
en 't witte van die wolke en komt
geen vlekkelooze molke[1],
geen wolle bij;
geen witgewasschen wolle, noch
geen snee die, versch gevallen,
te gronde ligt;
zoo wit is, op de boorden van
die witte wolke, 't brallen
van 't zonnelicht.
'k En kan 't niet meer bezien bijkans,
mijne oogen willen dolen;
't is vermiljoen,
dat, zwart in mijnen boek gedrukt,
zoo zwart is als de kolen,
en 't rood is groen.
De Leye, die daar stille ligt,
het water in de beken,
is rood voortaan;
terwijl, van top tot tee'n mij als
van 't morgenrood ontsteken
de boomen staan.
Het schemert hooge en leege nu,
en diepe in 's hemels gronden,
vandage staat,
beneên dien witten zonnedoek,
in 's middags hooge stonden,
de dageraad!
VOETNOOT:
1 Zuivel.
NEVELDUISTERNIS.
Gegrauwdoekt is de grond
der kimme en allenthenen
vol damp en duisternis;
de boomen, half verdwenen,
half zichtbaar, hebben, daar
ze stille staan en stom,
van wolkenweefsel elk
een grauwen tabbaard om.
't Hoogmorgent en, zoo 't schijnt,
't en wilt geen dag meer dagen:
daar moet iets ongesteld
of los zijn aan den wagen
der zonnehingsten, dat
ze in toom gehouden staan
en, immer nippend, nooit
een schreê vooruit en gaan.
De wereld mist den troost
dier zoete zonnestralen,
die alles leven doen,
daar ooit zij nederdalen;
die 't schoone schoon doen en
die 't goede goed doen zijn:
die God verbeelden in
Gods beeld, den zonneschijn.
De wereld mist dat nu:
ze treurt en, langs de lanen,
daar 't eenmaal blommen droop
en druipen nu maar tranen;
daar 'k eenmaal stemmen hoorde
en vogelzang, en ziet
mijne ooge onschoonheid maar
en sprakeloos verdriet.
Dat 't schaduw nu nog ware
en wolken, daar de winden,
zoo in een schapentrop
de honden, weg in vinden,
en bleve een plekske vrij,
dat blauw is, hier of daar!
Och, neen, 't is nevel, al
omtrent me, en nevel maar.
O nevelduisternis,
bij nachte zien mijne oogen
de duizend teekens nog,
die 't ommegaan vertoogen
des sterrenhemels! Gij,
o nevelduisternis,
en toogt mij niets van al
daar hope of troost in is.
't Is meer als leed genoeg,
en droefheid in mij, zonder
uw droef afwezig zijn,
o 't weergalooste wonder
van al dat wonder is
in 's werelds heerlijkheid!
o Zonne, en zij mij nooit
te lange uw licht ontzeid.
=WINDTOCHT=.
't Is helderblauw, vandage,
en warmer als twee dagen
of drie geleên, de locht
die 'k aseme is voortaan[1]
zoo licht en onbelaân,
dat door mijn longen ik
hem lustig late jagen.
Hij loopt omtrent me heen,
hij speelt me vóór de voeten;
mijn haar omwentelt, en
mijn kaken kust hij koel;
in lijf en leên gevoel
ik weer den jongen dag
den ouden dag verzoeten.
Hoe raast die wilde wind
mijne ooren vol! Ze tuiten,
ze tieren allerhand
geruchten in mij, recht
een stamerend gevecht
van stemmen is't, die 'k slaan
en bermen[2] hoore, buiten.
Dan buige ik mij vooruit
en wil de borst hem bieden;
'k ga stevig, stap voor stap,
en 'k leune, lijf sta bij;
wie zalder, ik of gij
nu zege halen, wind,
of 't zegeveld ontvlieden?
Zoo wierd er vroeger, 't is
mij eeuwen lang geleden,
door hem die "_Israël_"
nadien voor name droeg,
bij nachte en 's morgens vroeg,
op een die, na den strijd,
hem zegen gaf, gestreden.
Dan, laat mij zegen ook,
uit uwen mond, verwachten,
o sterke vechter, Wind,
die, loopende achter 't veld,
mij schier omverrevelt
en worstelt tegen mij,
en wijgt[3] uit al uw krachten.
Ik bidde u, zegent mij:
niet eer en wille ik wapen
omleege leggen, u
ontwijkende, eer gij doet
ontwaken mij dat bloed,
dat al te langen tijd,
gerust heeft en geslapen.
VOETNOTEN:
1 Nu.
2 Golven.
3 Strijdt.
AKSTERNESTEN.
Nog ijdel staan de boomen, in
de blauwe lucht, en blaren
en zie 'k ze hebben, meer als of
ze dood en duister waren
voor goed nu. Lang is alles zwart
en zonder zap gebleven,
dat wijleneer zoo groene stond
in 't zoete zomerleven.
't Is zwart nu al, tot boven in
de hooge abeelensprangen,
daar zwarte en zware bonken in
van aksternesten hangen.
't Zijn teekens in de lucht, en wel
bekende hemelbaken,
dat wederom de zonne zit
aan 't lieve zomermaken.
Toch bladerloos is al 't geboomte
en, verre heen, in 't westen,
in 't noorden, 't zuiden, 't oosten zie 'k
alom vol aksternesten
de abeelen staan.--Verdappert uw
bezoek en wilt de bronne
des aksterslevens duiken al
in 't groen, o lieve zonne!
=LENTEGROEN=.
Hoe lief is, op het donkerblauw
der zwangergaande wolken,
die donderpijlen dreigen dra,
het lieve lentegroen,
daar schielijk, uit de zuiderlucht,
de middendaagsche dolken
der zonne, 'et lustig meievier
een deuntje op dansen doen.