't Is groen, dat diepe in 't blauwe bijt,

zoo hel en zoo doorschijnend,

of eerst het uit den regenboog

geboren ware; en blauw,

dat dieper nog als hemelsch blauw

des avonds is, verdwijnend

in 't zwangergaande duister van

de wolken, gram en grauw.

De zonne loopt daar smijtende in

heur middendaagsche dolken,

die speiten[1] zoo geweldig op

het lieve lentegroen,

dat 't pinkelt en dat 't pierelt op

de blauwheid van de wolken,

die, zwangergaande, dreigen dra

nen donderdeun te doen.

VOETNOOT:

1 Spatten.

=CINXEN=.

't Is stille, Cinxendag en, over 't plekske vloers,

van waar ik henenzie en schouwen kan, daarboven,

de hemelsblauwe lucht, en hoore ik niemendal,

't en zij, voorbij geschoven,

een langzaam bellen, dat, herhalende, eens en nog

zegt: "komt te kerkewaard, met mij den Heere loven!"

't Is stille en kerkewaard vervoere ik mijn gedacht,

vervoere ik heel en al mijn innewaardste wezen,

tot vóór uw voeten, God, die uit het duister graf

zijt heerlijk opgerezen;

die in uw kerke rust en dáár, in 't hoogste blauw,

terwijl het klokske luidt, mij uwen naam laat lezen.

O groote kerke Gods, o hemelwelven, daar

het minste mensch van al, bij nachten of bij dagen,

U in de sterren kan aanschouwen, groote God,

zoo ver zijne oogen dragen,

en in de blauwe lucht des hemels!.... kerke Gods,

gewijde kerke, wie zal u te schenden wagen?

OCH WARE IK...

Och, ware ik ongevoelig en

mijn herte een steen bedegen[1],

wanneer de boosheid bijten komt

van die mij toegenegen

en dankbaar wezen moesten! ach!

't en is geen een verschenen,

of, was er een, hij verre weg

van hier is en verdwenen.

'n Ware ik maar gevoelig als

ik tranen zie en lijden,

bereid om al dat doenlijk is

te doen en hen te blijden

die troostloos zijnde, zeggen: "Helpt:

u wille ik al mijn leven,

bedanken!" Neen: beloven is

een ander ding als geven!

Ach, weze dan mijn herte zoo't

voor u, moet zijn, o Vader,

die meer mij als ik immer mocht

verdienen, altegader

ontvangen liet; die vroolijk zijn

mij doet, mijn herte pramend;

en al te menig keeren mijne

ondankbaarheid beschamend!

VOETNOOT:

1 Geworden.

AAN DEN LINDEBOOM.

O! wat schoon, wat bolgekruinden

lindeboom,

van verre ik staan zie, blinkende in den

morgendoom[1]!

Heel is hij gewelkerd al en

duizendvoud

van verwen, langzaam afgesleten

guldengoud.

Dag en schijnt erop noch noensche

zonneglans:

't is vochtig en de hemelkomme is

duister gansch.

Doch, ik zie mij, zonnewijs in

't nedergaan,

die najaarsche, ei, die bolgekruinde

linde staan.

Ringsom rijzen hooge en groote

zwart en zwaar

getakte boomen, naast die lieve

linde daar.

Diepe schaduw schieten ze en een

donker groen

gewelf zij om het wezen van die

linde doen.

Wees gegroet mij, nauwlijks uit den

morgendoom

erkenbaar Lieve-Vrouwken, aan den

lindeboom!

VOETNOOT:

1 Doom = damp, nevel.

=EGO FLOS=...

(CANT. II: 1).

Ik ben een blomme

en bloeie vóór uwe oogen,

geweldig zonnelicht,

dat, eeuwig onontaard,

mij, nietig schepselken,

in 't leven wilt gedoogen

en, na dit leven, mij

het eeuwig leven spaart.

Ik ben een blomme

en doe des morgens open,

des avonds toe mijn blad,

om beurtelings, nadien,

wanneer gij, zonne, zult,

heropgestaan, mij nopen,

te ontwaken nog eens of

mijn hoofd den slaap te biên.

Mijn leven is

uw licht: mijn doen, mijn derven,

mijn' hope, mijn geluk,

mijn eenigste en mijn al,

wat kan ik, zonder u,

als eeuwig, eeuwig sterven;

wat heb ik, zonder u,

dat ik beminnen zal?

'k Ben ver van u,

ofschoon gij, zoete bronne

van al dat leven is

of immer leven doet,

mij naast van al genaakt

en zendt, o lieve zonne,

tot in mijn diepste diep

uw aldoorgaanden gloed.

Haalt op, haalt af!...

ontbindt mijn aardsche boeien;

ontwortelt mij, ontdelft

mij!... Henen laat mij,... laat

daar 't altijd zomer is

en zonnelicht mij spoeien

en daar gij, eeuwige, ééne,

alschoone blomme, staat.

Laat alles zijn

voorbij, gedaan, verleden,

dat afscheid tusschen ons

en diepe kloven spant;

laat morgen, avond, al

dat heenmoet, henentreden,

laat uw oneindig licht

mij zien, in 't Vaderland!

Dan zal ik vóór...

o neen, niet vóór uwe oogen,

maar naast u, nevens u,

maar in u bloeien zaan[1];

zoo gij mij, schepselken,

in 't leven wilt gedoogen,

zoo in uw eeuwig licht

me gij laat binnengaan.

VOETNOOT:

1 Dra.

+------------------------------------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |

| |

| Plaats Bron Correctie |

| |

| Regel 76 ziele Ziele |

| Regel 131 nachten nacht |

| Regel 1024 Hoe hoe |

| Regel 1210 , . |

| Regel 1319 [Niet in bron] , |

| Regel 1615 , . |

| Regel 2243 , . |

| Regel 4168 neergestopen neêrgestopen |

| Regel 4189 Ze ze |

| Regel 4195 neergedwongen neêrgedwongen |

| Regel 4232 Neergebogen Neêrgebogen |

| Regel 4353 MEELIJEN MEÊLIJEN |

| |

+------------------------------------------------------+

Bloemlezing uit Guido Gezelle's Gedichten · 第 4 / 4 段