Verstaat gij malkanderen,

elk in zijn' taal?

Verstaat, gij die meest en

die merelt,

die lijstert, die leeuwerkt, die

muscht, altemaal

uw maagschap, tot tenden

de wereld?

Geen slagers en kenne ik, zoo

dapper als... ei!

die, slaande uwen klank uit

der kelen,

komt vinken en klinken hier,

vroeg in de mei,

en zitten en zingen

en spelen.

Ge 'n hebt me noch dit, in uw'

zangen, gedwaald;

noch dat, in uw zingen,

vergeten;

gelijk is het altijd, al

't gene gij taalt,

gewikt en gemikt en

gemeten.

Zoo zongen uwe ouders, zoo

gij ook, nadien;

en, na u, zoo zingen

uw' jongen;

hebbe ievers ik nachtegaals-

zonen gezien,

't was nachtegaalszang, dat

zij zongen.

Dan--alles van buiten weet ge:

al dat gij zingt

en zurkelt en zabbert;

't zit even

zoo net in zijn' haken en

oogen, mij dinkt,

of ware 't met inte[1]

geschreven.

Daar leerde toch iemand u 't

liedergeluid

naar maten en wetten

bedwingen;

nu heffen, nu leggen: dan

in en dan uit,

van 't hoogere in 't leege

verspringen!

Geen scholen en wete ik, daar,

lastig en lang,

gij zaat, om uw' lessen

te leeren,

zoo menschen dat moeten, die

spel en gezang

betalende menschen

vereeren!

Gods werken, zijt wonder: ik

wille u verstaan,

doch, helder en wordt het...!

Geraden

en kan ik het raadsel, hoe

Hij heeft gedaan,

de Godlijke Dader,

zijn' daden!

VOETNOOT:

1 Inkt.

=ZONNEWENDE=.

Een blomken heb ik staan, nabij

me, in de oude boekenzale,

dat altijd, naar den dag toe, keert

zijn' blaârkes, altemale;

het wenden mag ik zus of zoo,

dat ik begere volgt het noo,

en 't zoekt, weerom naar mij gericht,

nog altijd liever 't zonnelicht!

Och, ware ik als dat blomken is,

in al mijn doen en laten,

mijn zorgen, mijn bekommernis,

in huis en achter straten:

't zij wat men doet of niet en doet,

't zij wat ik immer lijden moet,

naar u, met herte en ziel, gericht,

o alverzettend zonnelicht!

't Is duister nu en zwaar, te mets[1],

omtrent mij: oude kwalen

en nieuwe, doen, van zielgekwets,

mij moe zijn, menigmalen,

tot dat, o God, naar U gewend,

mijn' duisterheid den dag erkent,

en ziende U, met mijne oogen dicht,

ik asem hale, in 't zonnelicht.

VOETNOOT:

1 Somwijlen.

BONTE ABEELEN.

Wit als watte, en teenegader

groen, is 't bonte abeelgeblader.

Wakker, als een wekkerspel,

wikkelwakkelwaait het snel.

Groen vanboven is 't en, zonder

minke[1], wit als melk, vanonder.

Onstandvastig volgt het, gansch,

't onstandvastig windgedans.

Wisselbeurtig, op en neder,

slaat het, als een' vogelveder:

Wit en grauw, zoo, dóór de lucht,

"bonte-abeelt" de duivenvlucht.

VOETNOOT:

1 Iets dat ontbreekt, vlek.

DE BLEEKERSGAST.

't Ververscht mij, in 't geweld gestaan

der hooge zonnekrachten,

te zien van verre, aan 't water slaan,

vuls arems, uit de grachten,

den bleekersgast: de regenvloed

't geleschte lijnwaad ronken doet.

Den lepel zwaait hij, zwak van leên,

ter beken uit, omhooge;

en waken doet, hoe verre heen

hij werpen kan, zijne ooge:

de laatste lage en mist hij niet,

en al dat drooge is nat hij giet.

De groote zonne lacht daarop

heure alderliefste lonken;

die, vallende in den dreupeldrop,

den dreupeldrop ontvonken:

ik regenbogen, smal van bouw,

nu hier nu daar, in 't gers[1], aanschouw.

Het lijnwaad is, en 't gers, nu nat

genoeg; de lanen leken;

en wederom zijn spegelglad

van aanschijn al de beken;

de bleeker zit en droogt entwaar[2]

de peerlen uit zijn kroezelhaar.

Verzachten doet dat regenbeeld

't geweld der heete stralen,

en lichter in de longer[3] speelt

voortaan mij 't asemhalen:

zij vrede aan al die 't schoone van

Gods wonderheên beseffen kan!

VOETNOTEN:

1 Gras.

2 Ergens.

3 Long.

=RIJMRAM=.

Daar viel mij in 't gedacht entwat,

dat, al te onveerdig opgevat,

verloren liep; en, mondgemeens,

en zal 't noch ik, noch iemand eens

genieten.

Het deert mij danig! Ei! 't en doet;

en heel en is en al, voor goed,

dat ongedicht gedachtje, dat

was al te onveerdig opgevat,

te nieten.

Het leeft entwaar[1] entwat dervan,

dat visschende ik nog vangen kan,

wellicht; en, eens in 't net, wie is 't,

genaan[2]! die mij den visch ontvischt,

en 't garen?

Mij rijmvast en, van stonden aan,

zal 't stijf en sterk in staven staan,

nu, mondgemeen, het onverwacht

gedacht gedicht, gedicht gedacht,

nog jaren.

VOETNOTEN:

1 Ergens.

2 Wat weerga!

=TWEE HORSEN=.

Ze stappen, hun' bellen al klinken,

de vrome twee horsen te gaar;

ze zwoegen, ze zweeten; en blinken

doet 't blonde gelijm[1] van hun haar.

Ze stappen, ze stenen, ze stijven

de stringen; en 't ronde gareel,

het spant op hun' spannende lijven:

de voerman beweegt ze aan een zeel.

De wagen komt achter. De rossen,

gelaten in 't lastig geluid

der schokkende, bokkende[2] bossen[3],

gaan, stille en gestadig, vooruit.

Geen zwepe en behoort er te zinken,

geen snoer en genaakt er één haar:

zoo stappen, hun' bellen al klinken,

de vrome twee horsen, te gaâr.

VOETNOTEN:

1 Geblink.

2 Stooten.

3 Naaf.

=HET KLOKGEBED=.

Hoe helder klinkt

de klokkentaal

ten torren uit:

tot negenmaal

herhaalt, herhaalt

de klepel, op

den rooden boord,

zijn beêgeklop!

De landman laat

zijn' rossen staan:

naar huis zal hij,

en rusten, gaan!

maar, eer hij stap

van stede zet,

zoo bidt hij nog

zijn klokgebed.

Een engel naar

Maria kwam:

de boodschap hij

van 't Boetelam

had medebracht:

en negenmaal

begroet haar nu

de klokkentaal.

Gods eeuwig Woord

het licht verliet

des hemels, en

Maria hiet

het moeder zijn

van Hem die, aan

den boom, voor ons

heeft boete ontvaân[1].

De landman, na

den laatsten klop,

van bidden houdt,

van werken, op;

zijn' rossen staan

op stal weerom,

en moeder wenscht

hem willekom.

VOETNOOT:

1 Ontvangen.

=SCHOONHEID=.

Hoe schoon zijn de ongekunstenaarde

boomen, die

'k, erkenbaar uit elkander, in den

hemel zie

geschoten staan, en dragende elk een

beeltenis,

daar 't werken van Gods hand nog aan te

vinden is!

Hoe schoon is, ongeschonden, in de

zonnenkracht,

't wijduitgespreide bouwsel van de

boomenpracht,

ten toppen uit gedreven, en, van

dracht, alzoo 't

de Schepper eerst, beminnende, uit zijn

handen goot!

Het was alzoo geschapen en, van

God gemaakt:

waarom en laat ge 't, mensch, door u niet

aangeraakt,

geworden, 't onverbeterbare en

't schoonste van

de schoonheid, daar geen menschenhand ooit

aan en kan?

=DE DAKPANNEN=.

De oude roo dakpannen schijnen zoo schoon,

schuren bedekkende en boeien[1],

laat er de zonne, van uit heuren throon,

vierige vonken op gloeien.

Duister, zoo waren ze, een wijle geleên,

vunzig, oneffen bedegen[2]:

deerlijk ontodderd[3] en schamel, beneên

't vochtig gezijp van den regen.

Blijde nu blinken ze, in 't zadgroene veld;

schuren bedekkende en boeien:

'k zie mij zoo geren, in 't zonnengeweld,

de oude roo dakpannen bloeien.

VOETNOTEN:

1 Schuurtje.

2 Geworden.

3 Uit de voegen.

=TERUG=.

Scheef is de poorte van

oudheid, geweken:

zaâlrugde[1] 't dak van

de schure; overal

stroo op de zwepingen[2]

zit er gesteken;

vodden beveursten[3] het

huis en den stal.

Boven die vodden zijn

blommen gesprongen;

onder die vodden zit

volk en gezin;

blommen van vrede, zoo

ouden, zoo jongen,

blommen van buiten en

blommen van bin.

Daar is 't, dat moeder zat;

daar is 't, dat vader

vond die hem arbeid en

herte bracht; daar

knielden wij, kinderen,

handen te gader,

baden wij, kleenen en

grooten, te gaâr.

Daar is de schippe nog,

daar is de tange;

't ovenbuur[4] staat daar, zoo

't vroeger daar stond;

't hondekot staat daar, en...

--'t is al zoo lange!--

Hoe is de naam van dien

anderen hond?

Ach, hoe verheugen mij,

ach, hoe verheffen

de oudere dagen mijn

diepste gemoed!

Is er wel iemand, die 't

ooit kon beseffen

wat gij, oud hof, mij nu

zegt, mij nu doet?

Zalige lieden, al

te arglooze menschen,

weinig begeerdet gij,

groot was uw hert!

--Kon het maar helpen, met

weenen en wenschen,

weêr ate ik roggenbrood,

naast u aan 't berd[5]!

VOETNOTEN:

1 Met een rug als een zadel.

2 Dwarshout tot koppeling van de kapgebinten.

3 Zoden vormen de dakvorst.

4 Ovenhuis.

5 Tafel.

HET GETOUWE.

En mocht ik maar

twee zielen hebben,

'n mocht ik maar

twee menschen zijn,

'k zou weven mij

tweêrhande webben:

een' webbe groef,

een webbe fijn.

Een webbe zou 'k,

van zonne en zijde,

mij weven, en

van goudgespin;

met boomen en

met blaren, blijde,

met meer als een

schoon blomken in.

Mijn ander' webbe,

en tweede leven,

'n liet ik maar,

onaangemoeid,

geschoren zijn,

getouwd, geweven,

zoo 't in en deur

't getouwe vloeit!

Doch neen: ik zal,

van ziele en lijve,

de wever van

één webbe zijn,

zoo lange 'k in

dit leven blijve,

van zuur en zoet,

van groef en fijn.

Den inslag en

den drom[1] van 't leven,

van goed, heeft God,

en kwaad gespin,

van zijde en wolle

en werk gegeven,

met hier en daar

een blomken in.

En, zittende op

mijn krank getrouwe,

zoo weve en werke

ik, dag en nacht,

aanziende, vol

goe hope en rouwe,

den Heere, die

mijn werk verwacht.

VOETNOOT:

1 Schering.

=WIEROOK=.

Thus ardens in igne.

o Wierookgraan,

geronnen traan

van ceder- en van lorkenstammen,

gebedenbeeld,

daar 't vier in speelt,

en 't vonkelen van 's herten vlammen.

Geen gave van

fijn goud en kan

mijn hand den Heer, geen myrrha bieden,

maar wierook zal,

en overal

en allen dag, Hem dank bedieden.

o Wierookgraan,

in 't vier gedaan,

en rookende uit mijns herten midden,

van aardsch en grauw

wordt hemelsch blauw:

gaat, wierookgraan, den Heere aanbidden.

O HEEMELIJKE DIEPTEN...

o Heemelijke diepten van

't vol schaduw hangend boschgebied:

vol schaduwe en vol duisterheid,

vol nacht en dauw, dooreengespreid!

't Is morgen, en de zonne berst

alhier, aldaar, ontembaar, uit

den nachtelijken moederschoot:

"Hier ben ik!" roept de zonne groot.

"Hier ben ik!" En, ze doet den dauw,

in 't veld, en al dat vochtig is,

verdampen. Deur de glazen valt

ze in 't huisgezin:--ontwekken zal 't!

't Is licht alom: 't is leven al,

dat 't zonnebeeld aanschouwde: alleen,

daar diepe, in 't eenzaam boschgebied,

en zie 'k, o schoone zonne, u niet.

't Is duister, en 't is nacht daar nog;

met hier en daar een' gulpe of twee,

daar 't groen wordt, uit der grouwbaarheid...

'k en weet niet hoe 't nen naam gezeid!

De zonne grijpt al vaster nu

de trappen aan des luchtgebouws:

ter zege vaart ze, hooge en blij;

geen boom die heur weêrbarstig zij!

Zij giet, dat elk het merken mag,

bij geuten, vier en werkzaamheid

den bossche in: dweersche balken gaan,

vol speitend licht, den bodem slaan.

Het mosch, het loof, het blinkend hout,

de takken zware of lijze, loopt

zij lustig laven:--heerlijk is

verwonnen weêr de duisternis.

Verwonnen zij de dood, en al

dat duisternisse of boosheid heet,

door 't Licht van U, die, tallertijd

verwinnende, onverwonnen zijt!

='T GROEIT=.

't Groeit overal entwat:

tot op de blauwe schorren[1],

maalt, onbemerkt, het mos,

bij kleene kleene porren[2],

zijn platte penningen,

die, groene en grauw gedaan,

of geluw, op 't gelent[3]

van de oude bruggen staan.

De zonne valt daarop,

de regen valt daaroppe;

ze groeien zijwaards uit,

ze zetten, doppe, doppe,

een dopken hier en daar,

dat, zoo en zus geleid,

aan elke schorre geeft

heur' schoone uitwendigheid.

Gaat, kijkt ernaar entwie[4],

die oogen heeft, en staat er

een stonde wijlend bij,

daar zunne valt en water;

en toogt mij dan tapijt,

of legwerk, of 't zij wat,

dat kunstiger gewrocht,

en schoonder, is als dat!

Laat mieren nu daarbij,

daarin, daaroverhenen,

of muggen reppen hun'

't zij hooge of leege schenen;

laat vlerken, hel als glas,

vol regenboogsch gepraal,

daarbij zijn, ach, hoe schoon,

hoe lief is 't altemaal!

't Leeft overal entwat:

't zij op, 't zij onder 't vloeien

der waters; op de veurst[5]

gezaaide blommen bloeien;

de pannen, levenloos

'n zijn zij; noch in 't stroo

van 't schamel dak en weunt

het schamel blomke noo.

't Zijn spalten in den wand,

't zijn gerren[6] in de pelen[7]

der boomen, daar hun spel

de varentjes in spelen,

die, boom- en wortelvast,

nog tieren in den schoot,

die, jaren leên, is hout-

en stam- en worteldood.

Geen moes[8] en gaat te kwist,

geen veite[9], entwaar, bedorven,

of 't leven kruipt erin

terug, al is 't gestorven;

geen hout en is zoo voos,

geen mesch[10], of, stap aan stee,

zit wulvenkaas[11] erop,

met paddenstoelen meê.

Waar is, van Leye tot

aan Schelde, aan zee, in zande,

op huis, op stake, entwaar

een plekke, in onzen lande,

daar niemendalle en leeft,

van blommen of van blad,

dat lief is? Overal,

't groeit overal entwat.

VOETNOTEN:

1 Arduinen vloersteen.

2 Wrat.

3 Borstwering.

4 Iemand.

5 Dakvorst.

6 Spleet.

7 Pel, schors.

8 Van overrijpe, rottende vruchten.

9 Het een of ander dat verrot is of vergaan, waaruit nieuw welig leven

kan opschieten; vei = vet, sappig, groeizaam, vruchtbaar.

10 Mest.

11 Slijmzwam.

NAJAARSVERWEN.

Schilderschoon, zoo zijn de verven

van de blâren, die, aan 't sterven,

's najaars, op de boomen staan,

schouwt de lieve zonne ze aan.

Groen, wat moet gij heldere vlagen

lichts in uwer lenden dragen,

dat gij, tanende ende ontaard,

toch zoo schoone verwen baart!

Groen, gij zijt me een eêl aanschouwen,

als ge, op de aarde wijd ontvouwen,

leven biedt aan volk en vee,

zegen giet op wald en wee!

Groen, gij sterkt mij dan, en vinden

doen mij locht, de groene linden;

maar, uw bloeloos bont gerief

is mij, 's najaars, nóg zoo lief.

's Voorjaars zingt het al te prachtig,

al te menig, al te machtig

groen, te oneindig luide een lied:

maar het groen dat weggaat niet.

Ei, hoe orgelt dan, hoe kwedelt,

harpt en zingezangt en vedelt

mij dat henenstervend... neen,

henenlevend--loofgeween!

NIEMANDSVRIEND.

Ge 'n weet niet, die, in stad gewend

te wonen, maar Gods koorne en kent,

wanneer het, brood bedegen[1],

en voedzaam, u wordt voorgeleid,

hoe heerlijk is de uitwendigheid

van 't groene, langs de wegen.

Van 't groen, dat hooge en leege groeit;

van 't groen, dat in de weiden bloeit;

van vogelvitse[2] en krokke;

van wegbree, murke en roozewied;

van onderhave en retse[2] en riet,

van distel en van dokke[3].

Ach distel, ik en kende maar

van zeggenswege uw streuvelhaar[4];

ik liet mij, van die 't zeiden,

verwittigd zijn, in 't akkerland,

dat ge overal de kroone spant,

om onraad uit te breiden.

'k En kende u niet en, bovendien,

'k en zocht u van nabij te zien,

voorwaar, noch aan te roeren,

zoodanig is de rake[5] omtrent

uw kwaadheid, overal bekend

en ruchtbaar, bij de boeren.

Men scheldt dat ge, iedereen ontvriend,

tot voedsel van den ezel dient;

men schuwt uw' scherpe bladen;

doch, hij en scheldt onnut u niet,

die 't schoone in al Gods werken ziet,

en 't goede zoekt te raden.

Men scheldt... of, erger nog, men hoort,

van wetswege, en bij koningswoord,

gebannen en geboden,

dat 't distelvolk men, een en al,

te zeisene en te spade, zal

verdoen, en de eerde uit roden.

Bermhertigheid voor 't schamel wied,

eilaas, dat ge al te ongeren ziet:

aanschouwt hoe 't, ja, de steenen,

de vuile brokken, daar 't geweld

der steêlie'n meê den buiten kwelt,

komt zedig groen verleenen.

Aanschouwt, op elken staf, hoe lief

elk distel hoofd zijn' blommen hief,

geheel of half maar open;

hoe net, van niemand aangeraakt,

een' krage om elke blomme blaakt,

vol verschen dauw gedropen.

Aanschouwt hoe 't schubbig distelhaar

omspannen hangt, vol Godssamaar[6],

vol kobbenetsche[7] kanten;

die roeren in den zonnenlaai,

die blinken in elk windgewaai,

vol stof van diamanten.

Hoe 't wikkelachtig witje wipt,

alhier, aldaar, verlekkerlipt

om 't zijne, uit al de bloeien,

te ontsnoepen aan de krabben[8] bie'n,

die 't, nijdig, elken distel zien

bezoekend henenspoeien.

'k En rieke, alwaar men lieflijkheid

van zalvende olie toebereidt,

geen' aangenamer' roken

als die, des zomers, vroeg en laat,

daar 't distelt en vol blommen staat,

de distelblommen stoken.

Aanschouwt, op de oude toppen, hoe 't

gevlugde zaad omhooge woedt,

en waait voor alle winden,

om ievers, daar 't geen ziele en zag,

den vrijen hergeboortedag,

onsterflijk, weêr te vinden.

Zoo leeft gij, distels immer voort,

van wetswege en bij koningswoord

verboden en gebannen;

en, schoon zij, om uw schamel zaad

te worgen daar 't gewonnen staat,

zoo lange al samenspannen.

't En zal, verdiend of onverdiend,

't en zal u, distel, niemandsvriend,

minachtend ooit versmaden,

dit Vlamingshert, dat, 't baten niet,

maar 't schoone in al Gods werken ziet,

en 't goede zoekt te raden.

VOETNOTEN:

1 Geworden.

2 Vogelwikke, ruige wikke, weegbree, gewone muur, klaproos, hondsdraf,

perzikkruid.

3 Wilde zuring.

4 Verwarreld opstaand haar.

5 Roep.

6 Zomerdraad.

7 Kobbe = spin.

8 Zwerm.

=CASSELKOEIEN=.

Aanschouwt mij, hier en daar,

die bende Casselkoeien;

die, louter bruin van haar,

als zooveel blommen bloeien,

in 't gers[1] en in de zon, die, zinkend henentiet[2]:

die, rood, het roode veld vol roode vonken giet.

't Is prachtig overal,

't is prachtig, hoe de huiden

dier koeien liefgetal[3]

van vouwe en verwen luiden;

't is prachtig hoe ze staan, gebeiteld en gesneên,

lijk beelden, over heel die wijde weide heen.

Daar zijnder, roode als vier;

castanjebruin geboende[4];

naar donkerbaaide[5] bier,

naar bijkans zwart bier doende:

beglinsterd en beglansd; van vel en verwigheid,

gelijk en ongelijk,--terwijl de zonne beidt.

Al langzaam langer speelt,

dwersdeur de weidegronden,

't zij welker koe een beeld

van schaduw bijgebonden;

en, wangedrochtig groot, in 't donker gers, voortaan,

zie 'k zwarte spoken van gevlerkte koeien staan.

Goên nacht! De zonne beet[6]

ten neste neêr: tot morgen

is al dat verwe heet,

en oogen aast, verborgen:

de koeien zijn voorbij, gedelgd en uitgedoofd,

en... morgen weêr, ontwekt ze 't blinkend zonnehoofd.

VOETNOTEN:

1 Gras.

2 Henentijgt.

3 Lieftallig.

4 Gevlekt.

5 Roodbruin.

6 Daalt.

=TRANEN=.

't Is nevelkoud,

en, 's halfvoornoens, nog

duister in de lanen;

de boomen, die 'k

nog nauwlijks zien kan,

weenen dikke tranen.

't En regent niet,

maar 't zeevert[1]... van die

fijngezichte[2], natte

schiervatbaarheid,

die stof gelijkt, en

wolke en wulle en watte.

't Is aschgrauw al,

beneên, omhooge, in

't veld en langs de lanen:

de boomen, die 'k

nog nauwlijks zien kan,

weenen dikke tranen.

VOETNOTEN:

1 Zeeveren = kwijlen, motregenen.

2 Fijngezift.

SCHOONE NACHT.

Wolken, 't zijn... lijk sperreboomen,

uitgespreid, alhier aldaar,

staan, ten oosten heen, de zoomen

vol, van 's menschen woonsteê. 't Jaar

wendt te zomerwaard zijn schreden,

nacht aan 't worden is 't, en heden

helder was 't een dag, voorwaar.

Tusschen 't sperreboomsch geveder,

't donkerzwarte, zie 'k het zwerk

duisterblauw nog, hier end weder,

ieder stonde minder sterk:

ieder stonde, en, dóór den donker,

scherper wordt het scherp geflonker

van één sterre, in 't wolkgevlerk.

'k Zieder twee, drie, vier, vijf, zesse,

die, elkander nagespoed,

tusschen hier en daar een stresse[1],

gaandeweg, mijne ooge ontmoet

in de wolken; die maar droomen

meer en zijn van sperreboomen:

nacht en donker is 't voor goed.

o Alleen nu zichtbaar schoone

woonsteê, van geen' menschen, neen

maar van God, die in den throone

zijner hoogheid heerscht alleen:

schoone nacht, die 't menschdom duistert,

die van God en sterren fluistert...

zoeter zicht en zag ik--geen!

VOETNOOT:

1 IJle wolkstreep. Stresse = 'n bosje draden, halmen of haren.

=AVONDROOD=.

Nog nauwlijks is het groen

der boomen groene, en even

zijn, toppewaards, alleen

de takken groen gebleven;

al 't ander zwarter wordt

en zwarter: boomen net,

van zwarte zijde zijn 't,

op blauw satijn gezet.

't Leeft alles langzaam uit,

dat verwe is: henen dalen

de laatste en langste van

de lieve zonnestralen;

't wordt watergroene, omhooge;

omleege, brandt en broeit

de groote zonne nog,

die zinkt en grooter groeit.

Ze duikt heur aangezicht

beneên des werelds neggen[1],

die, eindloos, slinks en rechts,

hun lange lijsten leggen;

die 'k opwaardstriemen, die 'k

een' wolke twee of drie

den zonnezienden kant

geheel vergulden zie.

In 't heerlijk zonnenveld,

dat donker wordt omhooge,

en langzaam donkerder

en dieper, staan ten tooge[2],

geschreven, zwart op goud,

een bende reuzen groot:

het eindloos boomenvolk,

in 't eindloos avondrood.

Beziet mij haastig nu

die schoonheid! Neder nijgen

de duisternissen: 't veld,

het vee, de vogels zwijgen;

het nauwt, in 't westen; nog

een tijdtje, en, doodgedaan,

zal al die heerlijkheid

gedekt en donker staan.

VOETNOTEN:

1 Boord, kim.

2 Ten toon.

=FIAT LUX=[1].

't Smoort, het smuikt, het smokkelwedert[2]

allentheen! Waar zijn ze thans,

waar de boomen, waar de huizen,

waar de wereld, heel en gansch?

Handen uit! Wat is 't? Wat hapert

er, genoot, dien 'k niet en zie;

die "goendag!" mij, uit den nevel,

roept, van hier nen stap of drie?

Van den hoogen torre en blijft er

speur! Wat uur, hoe late is 't wel,

aan den tijd? De zonne en zie 'k niet:

slaapt of waakt het wekkerspel?

Hier en daar een' plekke boenend,

zit de zonne in 't duister veld;

rood, gelijk een oud versleten

stuk ongangbaar kopergeld.

Wind, waar zijt gij heengeloopen?

Ligt ge, of ievers doodgekeid,

neêrgevallen, plat ter aarde?

Wind, waar is uw' roerbaarheid?

Op! Hervat uw' vluggen bezem,

vaagt des werelds wegen vrij

van die vale en vuile dompen:

dat het dage en daglicht zij!

Zonne, krachtig krauwt vaneen die

hoopen: ruimt uw ridderspeur:

slaat er dwers en nogmaals dwers uw'

scherpe, sterke hoeven deur!

Werpt uiteen de onvaste vlagen;

vluchten doet ze, en verre voort

zij de smoor van hier gedreven:

nevel, 's Heeren stemme aanhoort!

_Fiat lux!_--De zonne, ontembaar,

zegepraalt; de nevel zwicht:

onverwinlijk is de Waarheid,

onverheerbaar is het Licht!

VOETNOTEN:

1 Het worde licht!

2 Het mist.

=DE WINDEN=.

De zee, de zee, ze 'n zoeft bijkans

zoo zeer niet als de boomen,

daar, wild, de winden deure rijen,

te peerde, en zonder toomen.

Aan 't roepen gaan tienduizenden

tienduizenden van blâren,

alsof 't zooveel tienduizenden

van dolle menschen waren.

De regen ronkt, en geuten gaan,

gegeeseld, allenthenen,

de natte boomen buigen doen,

en bulderen en stenen.

Hoort! Nog nen keer, en nog nen keer,

hertuiten en hertieren

de wilde winden: wederom

is 't zeegeruchte aan 't gieren.

Geen einde ervan! De vogels zijn

gevlucht, de takken breken;

verloren is de stemme mij

gegaan!--De winden spreken.

DAT WILDE IK WETEN.

Wanneer ben ik U naast, o God,

of verst, dat wilde ik weten:

wanneer ik mij, in 't donker kot,

vernibbele[1], aan de keten;

of dan, wanneer ik henentie[2]

en vliege, schier vermeten,

naar 't licht, dat ik zoo geren zie?

o God, dat wilde ik weten.

'k Heb overal mij zelven meê,

omhooge en aan de keten!

Die los mij van mij zelven deê,

diens woonsteê wilde ik weten;

diens hulpe hiete ik duizendvoud

mij wilkom, onvermeten!

Wat is 't nu, dat mij tegenhoudt?

o God, dat wilde ik weten!

Bedwingen zulk een vrage zal

uw menschelijk vermeten,

die levende, altijd, overal,

gevangen in de keten,

zult zoeken, om 't geheeme van

Gods wetenschap te weten...

Wie, buiten U, die 't wijzen kan?

o God, dat wilde ik weten.

VOETNOTEN:

1 Hevig verlangend begeer.

2 Tiën = tijgen.

=SPAMAN=.

Voorover, naar den grond gegroeid,

die haast hem hebben zal,

traag-traagskens met zijn' spade spoeit

en delft, in 't diepe dal,

de moegemoeide, ontmergde man,

die schaars zijn hoofd nog heffen kan.

Hij werkt nochtans, en delft en doet

zijn beste, tot der dood,

die wacht naar hem en elders spoedt,

totdat in heuren schoot

hij vallen zal, en willekom

bij God zijn, recht en sterk weerom.

o Sterkheid, die, veel sterker als

de dood, op God betrouwt;

die stadig ook dien slavenhals

zijne eigen woonsteê bouwt,

daar, vrij en blij hij wezen zal

bij U, o hope en troost van al!

HET HAZEGRAUWT.

Vroeg avondt het: geleden

een stonde of twee,

is 't zonnevier beneden

de kimme alree.

Niet heel en al verloren

het licht en is;

noch teenemaal geboren

de duisternis.

Het hazegrauwt: de lanen,

vol licht weleer,

de wegels[1] en de banen

en ziet men meer.

Zoo stille staan als beelden,

de boomen nu:

die roerden en die speelden,

ze droomen nu.

Die ruischten en die riepen

de boomen, nu,

ze doen alsof ze sliepen:

ze droomen nu.

De takken en de blâren,

de stammen zijn,

die menigwendig waren,

nu eens, in schijn.

Van verwen en van voeren[2]

al eensgedaan,

en reppen noch en roeren

ze 'n lid, voortaan.

't Is vochtig en, gekropen

uit de eerde, vaart

de wadem, op en open,

omhoogewaard.

De nevel valt, van boven

beneên gespreid;

gesponnen en geweven,

vol duisterheid.

Gepelderd[3] en gewonden,

elk hout nu staat;

gebunseld en gebonden,

in lijkgewaad.

Gestorven zijn de boomen:

één grafsteê, al

van dampen en van doomen[4],

ze bergen zal.

God geve aan oud- en jongen

nu roe' en rust:

de lijkdienst is gezongen,

en 't licht gebluscht.

VOETNOTEN:

1 _Wegel_ = Z. Ned. verkleinwoord van _weg_.

Bloemlezing uit Guido Gezelle's Gedichten · 第 2 / 4 段