Produced by Jeroen van Luin and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net
+-------------------deze regel heeft nummer 1----------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| |
| De voetnoten zijn verplaatst naar het eind van het gedicht. |
| Bladzijde-nummering is verwijderd. |
| |
| De in het origineel als uitgespatieerde weergegeven tekst is in |
| dit e-boek weergegeven als =uitgespatieerd=. |
| Het cursief is weergegeven als _cursief_. |
| |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel en |
| spellingsverschillen binnen een gedicht zijn gecorrigeerd. |
| |
| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
| aangebrachte correcties met bijbehorend regelnummer. |
| |
+------------------------------------------------------------------+
BLOEMLEZING UIT
GUIDO GEZELLE'S
GEDICHTEN
BLOEMLEZING UIT
GUIDO GEZELLE'S
GEDICHTEN
ZESDE DRUK
[Illustratie: L.J.V.
LABOR INTEGER VINCIT
MDCCCXXCVII]
L. J. VEEN--AMSTERDAM
Boek-, Courant- en Steendrukkerij G. J. Thieme, Nijmegen.
Deze Bloemlezing heb ik samengesteld om GEZELLE'S poëzie te brengen in
ruimer kring dan tot heden is bereikt. Op 'n paar uitzonderingen na in
't begin liet ik de volgorde der gedichten naar de verschillende
dichtbundels onveranderd. Hier en daar heb ik 'n enkel ons minder bekend
woord verklaard.
Maart 1904.
In volgende drukken is in de keuze der gedichten weinig veranderd; over
het algemeen zijn meer woorden verklaard.
DR. J. ALEIDA NIJLAND.
AMSTERDAM, April 1915.
=INHOUD=.
Bladz.
De vlaamsche tale is wonder zoet 1
Oneigene 2
Als de Ziele luistert 3
Het schrijverke 4
o 't Ruischen van het ranke riet 6
Het meezennestje 8
Dien avond en die rooze 9
Kom e' keer hier 11
Gewijde klok 13
o Gulden hoofd 15
o Vechter 16
Met kloeken arme 17
Slaapt gij nog 19
Hoe schittert mij die spa toch 22
o Leye lief 24
Hemellawerke heet gij 26
De boomen zien zwart 29
Geluwgroene legerscharen 31
Gekamde koning Canteclaar 34
o Wilde en onvervalschte pracht 36
Waar zit die heldere zanger 38
De navond komt zoo stil 41
De vliege 43
Wat hangt gij daar te praten 45
Als ge naar het kooren luistert 46
De wolkenweg bedijgt 48
Andleie 50
't Is stille 55
De rave 56
De tijd 59
Mijn hert is als een blomgewas 61
't Eerste 63
Wintermuggen 64
Winternacht 66
Arm huisgezin 68
Irrequietum 69
Velut umbra 70
Abeelen 72
Lentegroen 74
Vogelzang 76
Zonnewende 79
Bonte abeelen 80
De bleekersgast 81
Rijmram 83
Twee horsen 84
Het klokgebed 85
Schoonheid 87
De dakpannen 88
Terug 89
Het getouwe 91
Wierook 93
o Heemelijke diepten 94
't Groeit 96
Najaarsverwen 99
Niemandsvriend 101
Casselkoeien 105
Tranen 107
Schoone nacht 108
Avondrood 110
Fiat Lux 112
De winden 114
Dat wilde ik weten 115
Spaman 117
Het hazegrauwt 118
Hoe zeere vallen ze af 120
Van den ouden boom 123
Blootakker 126
Moederken 129
Perels 130
Spreeuwen 131
Wederwijven 133
Excelsior 134
Zegepraal 136
De doornenboom 139
Mietje 141
Cytisus Laburnum 142
Buigen of bersten 144
De sperretakken 147
Het gulden vlies 149
Hebt meêlijen 151
De dageraad 154
Nevelduisternis 156
Windtocht 158
Aksternesten 160
Lentegroen 161
Cinxen 162
Och ware ik 164
Aan den Lindeboom 165
Ego Flos 167
De vlaamsche tale is wonder zoet
voor die heur geen geweld en doet,
maar rusten laat in 't herte, alwaar,
ze onmondig leefde en sliep te gaar,
tot dat ze, eens wakker, vrij en vrank,
te monde uit, gaat heur vrijen gang!
Wat verruwprachtig hoortooneel,
wat zielverrukkend zingestreel,
o vlaamsche tale, uw' kunste ontplooit,
wanneer zij 't al vol leven strooit
en vol 't onzegbaar schoon zijn, dat,
lijk wolken wierooks, welt
uit uw zoet wierookvat!
=ONEIGENE=.
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn' handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heete ik mijn:
oneigene, ik late u,... gaat reizen!
Als de Ziele luistert
spreek 'et al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook en taal en teeken heeft:
blâren van de boomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stroomen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen[1] van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
't diep gedoken Woord zoo zoet...
als de Ziele luistert!
VOETNOOT:
1 _Wegel_ is een Z. Ned. verkleinwoord van _weg_.
HET SCHRIJVERKE.
(GYRINUS NATANS).
O krinklende winklende waterding,
met 't zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op 't waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zoo snel,
al zie 'k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zoo wel,
al zie 'k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over 't spegelend water klaar,
en 't water niet méér en verroert
dan of het een gladdige windje waar,
dat stille over 't waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan,--
met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die 't mij zeggen kan:--
Wat schrijft en wat schrijft gij zoo zeer?
Gij schrijft, en 't en staat in het water niet,
gij schrijft, en 't is uit en 't is weg;
geen Christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn 't visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn 't kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn 't keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of 't water, waarop dat ge drijft?
Zijn 't vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is 'et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken, zelf?
En 't krinklende winklende waterding,
met 't zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en 't bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf:
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zoo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nóg,
den heiligen Name van God!"
O 'T RUISCHEN VAN HET RANKE RIET.
[Grieks: Para rhodanon donakêa]
Hom. Il. XVIII, 576.
O! 't ruischen van het ranke riet!
o wist ik toch uw droevig lied!
wanneer de wind voorbij u voert
en buigend uwe halmen roert,
gij buigt, ootmoedig nijgend, neêr,
staat op en buigt ootmoedig weêr,
en zingt al buigend 't droevig lied,
dat ik beminne, o ranke riet!
O! 't ruischen van het ranke riet!
hoe dikwijls dikwijls zat ik niet
nabij den stillen waterboord
alleen en van geen mensch gestoord,
en lonkte 't rimplend water na,
en sloeg uw zwakke stafjes ga,
en luisterde op het lieve lied,
dat gij mij zongt, o ruischend riet!
O! 't ruischen van het ranke riet!
hoe menig mensch aanschouwt u niet
en hoort uw' zingend' harmonij,
doch luistert niet en gaat voorbij!
voorbij alwaar hem 't herte jaagt,
voorbij waar klinkend goud hem plaagt;
maar uw geluid verstaat hij niet,
o mijn beminde ruischend riet!
Nochtans, o ruischend ranke riet,
uw stem is zoo verachtlijk niet!
God schiep den stroom, God schiep uw stam,
God zeide: "Waait!..." en 't windje kwam,
en 't windje woei, en wabberde om
uw stam, die op en neder klom!
God luisterde... en uw droevig lied
behaagde God, o ruischend riet!
O neen toch, ranke ruischend riet,
mijn ziel misacht uw tale niet:
mijn ziel, die van den zelven God
't gevoel ontving, op zijn gebod,
't gevoel dat uw geruisch verstaat,
wanneer gij op en neder gaat:
o neen, o neen toch, ranke riet,
mijn ziel misacht uw tale niet!
O! 't ruischen van het ranke riet
weêrgalleme in mijn droevig lied,
en klagend kome 't voor uw voet,
Gij, die ons beiden leven doet!
o Gij, die zelf de kranke taal
bemint van eenen rieten staal,
verwerp toch ook mijn klachte niet:
ik! arme, kranke, klagend riet!
HET MEEZENNESTJE.
Een meezennestje is uitgebroken,
dat, in den wulgentronk
gedoken,
met vijftien eikes blonk;
ze zitten in den boom te spelen,
tak-op, tak-af, tak-uit, tak-in, tak-om,
met velen,
en 'k lach mij, 'k lach mij, 'k lach mij bijkans krom.
Het meezenmoêrtje komt getrouwig,
komt op den lauwen noen,
al blauwig
en geluwachtig groen;
het brengt hun dit en dat, om te azen,
tak-om, tak-op, tak-af, tak-uit, tak-in,
ze razen,
en kruipen, vlug, het meezennestjen in.
Het meezenvaârtje zit--de looveren
verduiken 't voor 't gestraal--
te tooveren,
al in de meezentaal;
daar vliegen ze, al med' een, te zamen,
tak-om, tak-op, tak-af, tak-in, tak-uit,
en, amen,
het meezennestje is weêrom ijele en uit.
DIEN AVOND EN DIE ROOZE.
AAN EUGENE VAN OYE.
'k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten.
'k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uit gedronken;
maar nooit een uur zoo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
_dien avond_, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.
Noch nooit een blom zoo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die _dien avond_ blonk op u,
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
--wie zal dit kwaad genezen?--
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
_die rooze_, al was 't een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen;
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
't en ware ik 't al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: _u_,
_dien avond_,--en--_die rooze_!
KOM E' KEER HIER.
AAN PIETER BUSSCHAERT VAN DAMME.
"Kom e' keer hier, fliefflodderke[1],
'k hebbe u, 'k hebbe u zoo lief!"
Maar 't wipte, 't wupte, 't en wachtte niet,
en 't liet mij alleene zijn.
't Was wel van dat lief fliefflodderke,
want, hadde ik het eens genaakt,
ik hadde 't, het lief fliefflodderke,
'k en wete niet wat gemaakt:
geen hand van 'nen mensche 'n mocht 'et ooit
genaken zijn lieve kleed,
of 't was en het wierd 't fliefflodderke,
het was en het wierd hem leed;
de hand van die 't miek alleene mag
't genaken en niet beschaân,
de wind van die 't miek alleene mag
er, wandelend, over gaan.
Dus, wakker en weg! fliefflodderken,
op planten en bloeiend gers[2],
alwaar dat u God geschapen heeft,
alwaar dat 't uw woning es!--
En zoekt gij nu, kind, een zin hierin,
't fliefflodderke, wie dat zij,
uw herte is het, alderliefste mijn,
ai, wat zou het anders zijn!
God miek het u, maakt dat God alleen
kan zeggen: Dit herte is mijn,
zoo zal het, en anders en zal 't, o neen,
het uw' noch gelukkig zijn!
Zoo zong hij, die lang en lusteloos
gezeten had, eenen dag,
wanneer hij, op de eerste lenteroos,
het eerste fliefflodderken zag.
VOETNOTEN:
1 Vlinder.
2 Gras.
GEWIJDE KLOK.
o Avond- noen- en morgenmate,
ik vrij mij op uw' klank verlate,
gewijde klok!
Uw hert is van metaal gegoten,
toch blijft het voor geen mensch gesloten,
gewijde klok!
Gij hangt zoo hooge, ik ga zoo leege,
och helpt de menschen, kranke en veege,
gewijde klok!
En dat uw klank in 't ronde vliege,
zij lief of leed aan sponde en wiege,
gewijde klok!
Den akker end' het veld verwekke,
en al dat hoort tot welzijn strekke,
gewijde klok!
Gij zegt aan elk het lang verleden
de mede- en wederspoedigheden,
gewijde klok!
Gij troost mij op den dag van huiden,
en zult wel eens mijn uitvaart luiden,
gewijde klok!
Nog zult ge waken lang na dezen,
en ongeboornen beeklank wezen,
gewijde klok!
Dan zal mijn taal geen mensch meer hooren;
maar God zal ze eeuwig toebehooren,
gewijde klok!
o 'k Wou dat, om mijn ziel te laven,
zij ook dan een gebed mij gaven,
gewijde klok, gewijde klok!
O GULDEN HOOFD.
o Gulden hoofd der blijde zonne,
volheerlijke, altijd nieuwe bronne
van levenskracht;
wie heeft u in die blauwe streken
het brandend voetspoor uitgesteken
en voorgedacht?
Gij staat des morgens op, beneden
't bereik van sterflijke oogenleden;
en, rijzend, dan
verblijdt gij mensch en dier en boomen;
en 's avonds laat gij los de toomen
van uw gespan.
o Edel' zonne, o machtig wezen,
o zienlijke afgezant van dezen
die 't al beveelt;
wat ben ik, of wat zijt gij, schoone,
als, in des Heeren schild en kroone,
een wapenbeeld?
Zoo kent men aan des Ridders wapen
zijn hofgezin, zijn huis, zijn' knapen,
zijn heerlijk slot;
zoo kan men, aan uw pronksieraden,
o zonne, uw edelen Ridder raden:
zijn name is--God!
=O VECHTER=.
o Vechter, die in 't vaderland,
met scherpgeschuurden tee en tand,
door vodde[1] en vilte[2] en voren vecht,
en 't taaie terwland ommelegt!
Ik zie u geerne, ontembaar aan,
uw' diepe en duistere wegen gaan,
van al dat vreeze is vrank en vrij!
--Mijn doen is dat, zoo dunk 'et mij!
Wanneer gij rust in 't wagenkot,
en roestend daar uw tanden bot,
dan zal wellicht een edel graan
alwaar gij vocht te golven staan.
Mij geve God dat, moegewrocht,
en 't zalig rusten weerd gerocht[3],
ik zie eens 't edel terruwveld,
dat stijve zakken koorn geldt[4]!
VOETNOTEN:
1 Zode.
2 Wortelvezelnet.
3 Geraakt.
4 Betalen, opbrengen.
MET KLOEKEN ARME.
Exiit qui seminat.
Met kloeken arme, en hand vol zaad,
aanschouwt, hoe hij zijn' stappen gaat
en zaait, vol zorgen
de man, wiens hope en troost en al,
met 't stervend zaad, nu zitten zal
in 't land geborgen.
Staat op, o zaad, 't is God die 't zegt,
den winter en de dood bevecht:
de zonnestralen
verwachten al, met menigvoud
geverwde pracht en levend goud,
uw zegepralen.
o Winden, waait om 't groene kind
des lands, uw zacht-, uw zoetsten wind;
o dauwrijk dagen
des morgenstonds, o wolkenvloed,
verleent het koorn, dat kenen[1] doet,
uw welbehagen.
Het wasse en 't worde een geluw graan,
het bloeie en 't blijve buigend staan,
vol zaad geladen;
vol zegen, die geen' nijd en baart,
geen' zucht, geen' zoek omleegewaard,
geen' euveldaden!
Houdt af, gij, wind- en wolkgeweld,
die de akkerzaaite omverrevelt,
en bleeke ellenden
verspreidt alom: houdt af uw' hand;
wilt verre weg van 't dragend land
uw' geesels wenden!
Dan zal de landman, 't herte groot
van dankbaarheid, om 't daaglijksch brood
dat hij mocht winnen,
den ouden arbeid, zwart en zwaar,
zoo dit, zoo 't naaste en 't naaste jaar
weêr herbeginnen.
VOETNOOT:
1 Kiemen.
SLAAPT GIJ NOG.
Slaapt gij nog, gedaagde[1] kruinen
van de onzochte[2] doorentuinen?
slaapt gij nog, en weet gij niet
dat de ontwekte zonne u ziet?
Dat alree de dagen langen
zichtbaar, en de stralen strangen[3]
van de lente? Ontwekt, welaan,
doornen, en wilt wakker staan!
Onlangs nog, met sneeuw doorschoten,
hebt gij, naast uw' stamgenoten,
weken lang den tijd verbeid,
vaste in uwe onroerbaarheid.
Tijd is 't om den dag te groeten:
't Oosten blinkt, en wakker moeten
al die zonne- en zomerglans
schuldig zijn hun' liefde, thans.
Doorentuin dan, botten open;
los, uw dichte looverknopen;
los, uw zilveren reukallaam[4];
los, uw sneeuwwit blommenkraam!
Ei, 't en baat niet, dat robijnen
naalden deur de toppen schijnen
heen te bersten, hier en daar,
van uw doornig streuvelhaar[5]!
Ei, 't en baat niet dat uw' leden,
zwellende uit van vruchtbaarheden,
drinken 't zog der aarde, en bloot
laten heuren moederschoot!
Blâren moet ge en blommen schieten,
vol de vaten ommegieten
uwer zalven, en voortaan,
hagedoornen, bloeien gaan!
Slaapt gij nog? De bien ontwekken,
langende om uw zeem te lekken;
't vogelken zoekt, nestgezind,
waar 't uw vrije daken vindt!
Slaapt gij nog? De zangermonden,
zullende uwen lof verkonden
zoo gij wakker wordt, ze slaan
reeds hun liefste leisen[6] aan!
Slaapt gij nog? De dichters dragen
droevig, dorre doorenhagen,
het geheugen, lang verbeid,
van uw' zomerschoonigheid!
't Water zucht, de blauwe lochten,
de aarde deunt[7], vol minnetochten:
alles, alles wenscht om... och,
doorenhagen, slaapt gij nog?
VOETNOTEN:
1 Bedaagd, oud.
2 Onzacht.
3 Strang = streng.
4 Alm, allaam = handwerktuig.
5 Verwarreld opstaand haar.
6 Liederen.
7 Deunen = 1. dreunen, daveren, schudden, trillen tengevolge van een
hevig gedruisch, maar ook van blijdschap, voldoening, genot; 2. zingen,
weerklinken van geluid.
HOE SCHITTERT MIJ DIE SPA TOCH.
Hoe schittert mij die spa toch, als
gij, landman, uwen taaien hals
gebogen, langzaam eerselt[1], end'
nu hier nu daar Gods akker wendt!
De zonne komt u volgzaam na
en velt op uw geglimde spa,
terwijl gij zucht en arrebeidt,
den blik van heur' hoogmogendheid.
En, spittende in dat hel gestraal,
zoo keert uw werkzaam akkerstaal
med een den grond, en zendt den schicht
terug naar mij, van 't zonnelicht.
Daar speiten[2], uit den zwarten grond
der aarde, zoo veel stralen rond
uw' delfspa, dat 't een beeltenis
van Gods gevreesden bliksem is.
Doch neen: de duiven weten 't wel,
dat 't spawerk is en zonnenspel,
dit bliksemen, en hun vrije vlerk
vervolgt u, op uw akkerwerk.
De kwiksteert, zoo de duiven doen,
u nagaande, in zijn' stouteschoen,
en vreest, alwaar hij wormen ziet,
uw' spa noch heur geflikker niet.
Zoo volge ik ook, en geren ga
'k, van 's morgens vroeg, den delver na,
hem dichtende, als hij lam en moe
van werken is, mijn deuntjen toe.
God vordere u, mijn brave man,
en, zoo 't gebed u helpen kan
van een, die geerne uw' weêrga ziet,
de spa en delve uw graf nog niet!
Maar mocht gij eens, uw werk voldaan,
den blijden oest[3] zien binnengaan,
en zuchten: Die den arrebeid
mij zoet maakt, U zij dank gezeid!
VOETNOTEN:
1 Aarzelen = achteruitgaan.
2 Spatten.
3 Oogst.
O LEYE LIEF.
O Leye lief, wat mocht u boozen;
wat 's hemels kom, den vlekkeloozen,
weêrspiegeld in uw' schoot, dat blauw
verliezen doen? Dat blauw, och armen,
dat donkert in de ontstelde barmen[1]
van uw geweldig watergrauw?
'k En hoorde u niet, op vroeger dagen,
en 't was als of ze in slape lagen,
één glimmend glas, uw' baren; daar 't
nu brieschen is en woedend grimmen,
van breedgerugde waterkimmen,
die beurtlings berschen[2] boordewaard.
Nog nooit en zag ik witgekoofde[3]
gelederen rijen, den helm ten hoofde,
met zulk een daverend rukgeweld,
o Leye, als de ongetelde toppen
der witgekamde barenkoppen,
die rennen in uw waterveld!
Het klotst, het kleunt[4], de golven stooten
het hooge schip, de smalle booten:
het danst, het deunt[5], het roert, het maalt
alom, van 't vlugge schuim, dat vedert;
van 't zwalpend zop, dat weg- end- wedert;
en van den wind, die zegepraalt.
o Noorden, sluit uw dolle perken,
besnijdt dien boozen zoon zijn' vlerken:
laat af, genoeg, genade! Hij
is koning, heere en baas gebleken:
laat licht en zonne u schoone spreken,
dat 't windloos weêr en vrede zij!
Dan zal ik liefst, o Leysche boorden,
als 't zomer is, en zwijgt in 't Noorden
de felle reus, u volgend gaan;
dan zal ik weêr mijn hert vermeiden,
langs uw' gegroende en stille weiden,
en in uw' grond hun beeld zien staan.
VOETNOTEN:
1 Golven, watersprongen.
2 Met kracht en spoed gaan.
3 Koove = vrouwenmuts (fr. coiffe).
4 Slaan, kloppen.
5 Daverend schokken, schudden, trillen.
HEMELLAWERKE HEET GIJ.
Hemellawerke heet gij, wakkere en
snelgewiekte strale, die
'k, uit het zaailand opgestegen,
lijk nen vierpijl rijzen zie.
Striemen lichts ontlaat, en vonken,
't vluchtend vierwerk; en zoo hoort
me u ook vluchtend henentieren,
als gij deur de wolken boort.
Hemellawerke, schoon van name en
sprake zijt gij, maar uw kleed,
't valt te grauw toch: is 't de reden
dat men grijslawerke u heet?
Ben ik grauw, het is van zeilen,
en van, altijd reisgezind,
zoo de grauwgedoekte schepen,
heen te varen, vóór den wind.
Hemellawerke, grijslawerke,
luchtleeuwerke, hemelwaard,
weg met u, ja, leeuwerkt helder,
op uw' hooge hemelvaart!
Zingt en zeilt maar, al te zelden
hoore en zie 'k u, lieve; 't gaat
beter hem, die, vroeg en spade
hoort u, ende gadeslaat.
Midden in Gods werken levend,
't gaat hem beter, achter 't land,
die u naziet, te elker stonde,
daar hij zaait en zeeuwt[1] en plant.
Ach, om niet is 't, al te dikwijls,
dat gij dankend opwaarts stijgt,
daar geen mensch en is dien 't aangaat,
of gij, schamele, zingt of zwijgt.
Horkt er niemand, ik zal horken,
wilt ge, in 't droevig tranendal,
mij vertroosten, hemellawerke; en
ziet ons niemand, God ziet 't al!
Hij zal zien en hij zal hooren,
hij, die vlerke en tale u gaf,
en die mij, in stad begraven,
wekken eens zal uit dit graf.
Dan verrijze ik, luchtleeuwerke;
zette ik zeil en vaar getroost
naar de hoogten, daar gij schouwend
eert den dagraad en den oost.
Naar de streken die mij wijzende
is uw' vlerke en uw geschal,
en van waar ik, vrij en veilig,
niet meer, niet meer neêr en zal.
VOETNOOT:
1 Het gezaaide graan dekken met de uitgespitte aarde.
DE BOOMEN ZIEN ZWART.
De boomen zien zwart, van de zwellende botten;
o zonne, wanneer zal uw' macht, onbevaên[1],
weêr 't springende blad, en de banden ontknotten,
waarin 't twee drie maanden heeft houtvast gestaan?
Staat achter, o nijdig geweld van den winter;
houdt af uwen vuist, in de botten begint er
weer vreugdiger pulsslag en leven te slaan.
De boomen ontwekken, zij zidderen, zij beven;
zij striemen, dóór 't blauwe geluchte, onbekleed;
doch staan ze al bewust schier en blij dat zij leven,
lijk machtige reuzen, ten strijde bereed.
Staat achter, o nijdig geweld van den winter;
uw rijk heeft een einde, in de boomen begint er
weêr hope te rijzen, weêr hulpe aan ons leed.
De boomen zien zwart, en hun' dreigende schachten
staan veerdig en vrij, als de spere in de vuist
eens ridders, het teeken ten storme te wachten:
het klinke, en daar loopen zij henengedruischt!
Staat achter, o nijdig geweld van den winter;
de boomen slaan uit, en zoo zaan[2] herbegint er
weêr blijdag gevierd te zijn. Wreede, verhuist!
VOETNOTEN:
1 Onbevangen, ongehinderd, vrij.
2 Weldra, spoedig.
GELUWGROENE LEGERSCHAREN.
Geluwgroene legerscharen,
honderdduizend, waar vandaan
zijt gij, vastgevoette blâren,
komen op de boomen staan?
Nauwlijks heeft twee lentezonnen
's werelds blijde onthaal begroet,
of... wie zal 't getellen konnen,
't leger dat gij porren doet?
Werkzaam, onder 't machtig streelen
van des morgens windgeweld,
op de berken, op de abeelen
zie 'k u, in 't gelid gesteld.
't Ruischt alom vol zware talen,
't ruischt alom; en 't krijgsgebaar,
stortende in de diepe dalen,
dooft alle andere stemmen daar.
Waar vandaan zijt, al in 't blijde
doek gekleed, gij krijgeren dan?
Wie, die zulk een wereldwijde
legervastheid voeden kan?
Zijt ge uit louter locht gesteven,
zijt gij zonnestralen teer,
schielijk en van licht geweven,
duizendwendig bladerenheer?
Zijt gij 't bloed en 't merg der boomen,
't boomzijn zelve, of anders iet
onbekend, dat uit wil stroomen,
al zoo zaan[1] 't de zonne ziet?
Zijt gij... Uwe ontelbaarheden
staan het stormend volk gelijk,
strijdbaar in 't bezit getreden
van des Winters koninkrijk!
Nutloos, in zijn' zware ellenden,
heeft het land om hulp gewacht:
komt en stoort des vijands benden,
velt hem voor uw' legermacht.
Breekt zijn' bergsteê, slaat zijn' ridderen,
scheurt zijn' vanen: roept en tiert,
dat de verste velden zidderen
van 't geruchte: zegeviert!
Vluchten moet hij weg; verwonnen,
wapenloos en wepel[2], gaan
zitten waar, in 't ijs geronnen,
onbewoond, zijn' steden staan.
Ruischt dan maar, gij legerscharen;
zingt en trommelt overluid,
zegevolle zomerblâren:
morgen is de winter uit!
VOETNOTEN:
1 Dra.
2 Eenzaam, alleen, zonder maag of vriend.
GEKAMDE KONING CANTECLAAR.
Gekamde koning Canteclaar,
hoe geren zie 'k u komen daar;
gestapt zoo edeldrachtig
als Alexander, Atilla,
of Karloman zijn' wederga:
heel keizerlijk almachtig!
Gij kraait, terwijl ge uw' vlerken slaat,
en 't stemgeluid dat henengaat,
uit uwen hals gedreven,
herwekt het slapend menschendom,
het boodschapt hem den dag weêrom,
den dag, het licht, en 't leven.
Uw' vonkelende ooge, uw' rooden kam,
een laaiend beeld van vier en vlam,
uw' zwakken steert, uw' spooren,
uwe om end om geglimde borst,
uw' strijdbaarheid, uw' zegedorst,
uw' stem, zoo schoon om hooren...
Wie is er die dat al beschrijft,
die, heel in woord en taal gelijfd,
doet leven u en waken?
Wie is er? Anders geen als gij,
heer Canteclaar, die machtig zij
uw evenbeeld te maken.
Vaart wel dan: ik ontgeef 't mij, en
'k wil weten dat ik verre ben
bij u voortaan ten onderen;
gij hebt, o haan, den prijs behaald,
kraait koning nu, en zegepraalt,
en laat mij zwijgend wonderen!
O WILDE EN ONVERVALSCHTE PRACHT.
Alre creature sake ende yersticheit.
RUUSBROUCK.
o Wilde en onvervalschte pracht
der blommen, langs den watergracht!
Hoe geren zie 'k u, aangedaan
zoo 't God geliefde, in 't water staan!
Geboren, arg- en schuldeloos,
daar God u eens te willen koos,
daar staat ge: en, in den zonneschijn,
al dat gij doet is blomme zijn!
't Is wezen, 't geen mijne ooge aanziet,
't is waarheid, en ge'n dobbelt niet;
en die door u mijn hert verblijdt
is enkel, zoo gij enkel zijt!
Hoe stille is 't! 't En verwaait med al
geen bladtje, dat ons stooren zal;
geen rimpelken in 't lief gelaat
des waters, dat vol blommen staat;
geen wind, geen woord: rondom gespreid,
al schaduwe, al stilzwijgendheid!
Dan, diepe, diepe in 't water, blauwt,
half groen geblest[1], de hemelvaut;
en, priemend' hier en daar vergaat
een langgesponnen zonnedraad.
Hoe eerbaar, edel, schoone en fijn
kan toch eene enkele blomme zijn,
die, al med eens, en zorgloos, uit
de hand van heuren Schepper spruit!
Door Hem, en door geen menschenhand,
lag hier een nederig zaad geplant;
door Hem, op dezen oogenblik,
ontlook het, en dien troost heb ik,
dat, blomme, gij mij bidden doet,
en wezen zoo ik wezen moet:
aanschouwende en bevroedende in
elk uiterste einde 't oorbegin,
den grond van alles; meer gezeid,
maar nog niet al: Gods eerstigheid.
VOETNOOT:
1 Gevlekt.
WAAR ZIT DIE HELDERE ZANGER.
Waar zit die heldere zanger, dien
ik hooren kan en zelden zien,
in 't loof geborgen,
dees blijden Meidagmorgen?
Hij klinkt alom de vogels dood,
bij zijnder kelen wondergroot'
en felle slagen,
in bosschen en in hagen.
Waar zit hij? Neen, 'k en vind hem niet,
maar 'k hoore, 'k hoore, 'k hoore een lied
hem lustig weven:
het kettert in de dreven.
Zoo zit en zingt er menig man,
vroegmorgens op 't getouwe, om, van
goên drom[1], te maken
langlijdend[2] lijwaadlaken.
De wever zingt, zijn' webbe deunt[3];
de la klabakt, 't getouwe dreunt;
en lijzig varen
de spoelen heen, in 't garen.
Zoo zit er, in den zomer zoel,
een, werpende, op den weverstoel
van groene blâren,
zijn duizendverwig garen.
Wat is hij: mensche of dier of wat?
Vol zoetheid, is 't een wierookvat,
daar Engelenhanden,
onzichtbaar, reuke in branden?
Wat is hij? 't Is een wekkerspel,
vol tanden fijn, vol snaren fel,
vol wakkere monden
van sprekend goud, gebonden.
Hij is... daar ik niet aan en kan,
een' sparke viers, een' boodschap van
veel hooger' daken
als waarder menschen waken.
Horkt! Langzaam, luide en lief getaald,
hoe diep' hij lust en leven haalt,
als uit de gronden
van duizend orgelmonden!
Nu piept hij fijn, nu roept hij luid';
en 't zijpzapt hem ter kelen uit,
lijk waterbellen,
die van de daken rellen.
Geteld, nu tokt zijn taalgetik,
als ware 't op een marbelstik[4],
dat perelkransen,
van 't snoer gevallen, dansen.
Geen vogel of hij weet zijn lied,
zijn' leise[5] en al zijn stemgebied,
bij zijnder talen,
nauwkeurig af te malen.
't En deert mij niet, hoe oud gedaagd,
dat hij den zangprijs henendraagt,
en, vogel schoone,
mij rooft de dichterkroone!
Want mensche en heeft u nooit verstaan,
noch al uw' rijkdom recht gedaan,
o wondere tale
van koning Nachtegale!
VOETNOTEN:
1 Schering.
2 Langmeegaand, duurzaam. Lijden = gaan.
3 Schudt, trilt.
4 Stik = stuk.
5 Lied.
DE NAVOND KOMT ZOO STIL.
De navond komt zoo stil, zoo stil,
zoo traagzaam aangetreden,
dat geen en weet, wanneer de dag
of waar hij is geleden[1].
't Is avond, stille... en, mij omtrent,
is iets, of iemand, onbekend,
die, zachtjes mij beroerend, zegt:
"'t Is avond en 't is rustens recht."
De boomen dragen gansch de locht
vol groen, nog onbestoven;
en 'k zie, zoo dicht hun' blaren staan,
nog nauwlijks door de hoven;
'k en hoore niets, al om end om,
van 't zoetgekeelde vogelendom,
't en zij, het donker loof beneên,
den nachtegaal zijne avondbeên.
Hij zingt! Ach, wist hij zelf hoe schoon
hij zingt! Het is onwetend,
dat zingend hij mijne ooren boeit,
en aan zijn' kele ketent.
Ach, wist hij 't gene ik wetend ben:
dat dankbaar ik toch wete en ken
wie hem zijn' tale, en mij daaraf
't genoegen en 't genieten, gaf!
Hoe lieflijk zingt hij! Maar, wat hoor
eensgangs ik ginder gekken?
Wat is 't, dat her en weder her
verergerend gerrebekken?
Och, vorschenvolk, in 't waterwied,
houdt op! En stoort de stilte niet:
laat hooren mij dat leutig slaan...
en, kwelgediert, houdt op voortaan!
Hebt daar!... Het speit, den steen rondom,
en, uitgestrekter schenen,
zijn al de vorschen, diepe in 't goor,
in 't zwijgend goor verdwenen!...
Eilaas, de nacht en 't donker zijn
bezitten nu den zanger mijn:
noch nachtegaal, noch ruit, noch muit[2],
en hoore ik meer... 't is uit, 't is uit!
VOETNOTEN:
1 Voorbijgegaan.
2 Niet het minste stemgerucht.
=DE VLIEGE=.
o Gij dikke, welgekleede, welgevoede
vliege, die
'k daar zoo dikkens, om end weder om mij,
hoore en zie
vliegen, varen, vederen, ruischen, in den
zonnestraal,
met uw' ronkend-, hoog- en leeggevooisde
vedertaal!
Ha, 'k en kenne niemand die u ooit ééne arme
reke[1] of twee
heeft geschonken, schoon gij zingt en immer
zongt, alreê
ruim zoo lange als merelaan, of meeze, of
nachtegaal,
ruim zoo schoone allichte als honigbie- en
krekeltaal.
o Gij dikke, weltevreden, welgezinde
snaartrompet,
nooit en zag ik of en hoorde ik uwe
vlerken, net
lijk twee glazen ruitjes, daverende' 't zij
late of vroeg,
of 't was helder zomerweder, en de
zonne loech!
o Gij aardig dierken, 'k wou dat ik, zoo wel als
alle mensch,
zoo gij schijnt te hebben, had mijn herte en
wille en wensch,
en dat ge ons, al ronken in den mooien
zonneschijn,
wist den weg te wijzen naar 't gestadig
blijde zijn!
VOETNOOT:
1 Regel, schrift of zang.
WAT HANGT GIJ DAAR TE PRATEN.
Wat hangt gij daar te praten
aan die blomme, o bruine bie;
waarop, waaruit, waarover
ik u ronken hoore en zie?
Gij zijt er met uw' neuze en
met uw tonge al ingegaan;
gij hebt eraan geroken
en van alles aan gedaan,
daarom, daarin, daarover,
op uw' vlerken alle twee:
ik wonder hoe die blomme u
laat geworden, zoo ter lee[1]!
Och, ware ik in heur' plaatse, ik
hiet u varen, en ik sloot
zoo seffens al dat werk, al
dat geruchte uit mijnen schoot,
en 'k...: "Rap, uit mijnen weg en
uit mijn zunne, dat ik zie:
houdt op, en laat mij werken,
of ik strale[2] u!" zei de bie.
VOETNOTEN:
1 Gewillig.
2 Straal = pijl, angel.
ALS GE NAAR HET KOOREN LUISTERT.
Als ge naar het kooren luistert,
dat nu op- nu nedergaat;
daar een' zwepe wind in snuistert,
dat de lieve zonne baadt;
neen, 't en kan geen' snare talen,
die zoo zoete om hooren is
als 't gerep der roggestalen,
als 't geroer van 't kooren is.
't Vaart een fijn gelispeld leven
deur de toppen, altemaal;
daar de diepere stammen beven,
deunende als een' dondertaal.
Hel en duister, lijze en luide,
mingelmangelt in de lucht,
't ruischen van de groengekruide,
grauwgetopte koorenvrucht.
Drijft dan maar, gij dunne staven,
die den landman 't leven wint;
laat de zonne uw' lenden laven
zoetjes, en den zomerwind!
Hei, daar valt er volk te peerde,
losgetoomd, in 't veie[1] groen;
donker diept het neêr naar de eerde,
zoo in zee de schepen doen.
Volgende elk den andere, varen
ze, elk gevolgd, in 't volle veld;
't zonnelicht beglanst de baren
van dit rennend rosgeweld.
Schielijk, in de lucht ontkomen,
zijn de ridderen weg: 't en speelt
niets meer in de vrije vromen,
dat de zware zee verbeeldt.
Stille is 't nu: de zonne vonkelt
deur de wolken, blij en blank;
milde lacht het al en monkelt[2],
in en om mij, lief en lang.
Ach! 'k En gave om al het schoone,
dat de heldere zonne ziet,
--Vlanderen, Vlanderen spant de kroone,--
neen-ik, nog mijn Vlanderen niet!
VOETNOTEN:
1 Welig.
2 Glimlacht.
DE WOLKENWEG BEDIJGT.
De wolkenweg bedijgt[1]
vol eendlijke[2] oorlogschepen,
wier witgezeilde macht
de koele westerzwepen
des windloops drijven doen,
en, in 't gelid zoo zaan[3],
den hemel vol, tot in
zijn verste diepten, staan.
De zonne speelt daarin,
met honderd duizend monden
geschuts; die, scherp gelaên,
't gebuikte lijndoek wonden
van 't scheepgevaarte: 't licht
en 't duistert, keer om keer;
en, schielijk overwolkt,
en zie 'k geen zonne meer.
Gaat 't regenen eindelijk,
en, zoo 't de boeren vragen,
een' ongetelden oest[4]
van goud en zelver vlagen[5]?
Gaat 't regenen? Donker is 't,
nog donkerder. Med een,
daar bliksem' het, en 't buischt
een zware dondersteen!
Het windrad is gekeerd,
de hemelwanden breken,
en neerstig--vlucht in huis!--
zie 'k al de daken leken:
God zegent het geweld
des hemels, de eerde doomt[6]
en davert, van 't geluk
dat in heure aderen stroomt.
VOETNOTEN:
1 Bedijgen, bedijen, groeien, worden.
2 Angstig, groot.
3 Dra.
4 Oogst.
5 Het vlaagt = het buit, het is buiig weer.
6 Dampt.
ANDLEIE.[1]
Jordane van mijn hert
en aderslag mijns levens,
o Leye, o vlaamsche vloed,
lijk Vlanderen, onbekend;
hoe overmachtigt mij
de mate uws vreugdegevens,
wanneer ik sta en schouwe,
uw' vrijen boord omtrent!
Hoe vaart gij welgemoed,
de malsche meerschen lavend
met blijder vruchtbaarheid,
te Scheldewaard, en voort
ten Oceaan, u, zelf,
een' diepe vore gravend,
die 't oude en vrije land
van Vlanderen toebehoort.
Wat zijt ge schoone, o Leye,
als 't helderblauwe laken
der hemeltente wijd
en breed is uitgespreid,
en dat, uit heuren throon,
de felle zunne, aan 't blaken,
vertweelingt heur gezichte
in uwe blauwigheid!
Dan leeft het rondom al[2]
uw' groengezoomde kanten,
aanzijds en heraanzijds,
zoo verre ik henenschouw,
van lieden, die weêrom,
en nu in 't water, planten
den overjaarschen bloei
van hunnen akkerbouw,
den bast, die, onlangs, toen
hij jong was, jong en schoone,
't gezicht verblijdde, maar
één levend legtapijt;
die, veel te lichte, eilaas!
de blauwe maagdenkroone
verloos, en bleef het lieve
en jeugdig leven kwijt!
Het vlas! Nu staat 't gedoopt,
Jordane, in uwe lanken,
gegord in haveren stroo,
dat banden gouds gelijkt;
bij duizend duizenden
van bonden, die vier planken
bewaren, ketenvast
en aan den wal gefijkt[3].
Hoe zucht gij, om weêr uit
dit stovend bad te komen;
hoe zucht gij, zoo de ziel,
de vrome kerstene, doet,
die, na gedulde pijn,
vol hopen en vol schromen,
verlangt het licht te zien
dat haar verlossen moet!
Verdraagt den harden steen[4]
nog wat, die, korts nadezen,
gelicht, u helpen zal
ter vrijheid; en de dood,
die u gedwongen hield,
zal zelf gedwongen wezen,
u latende uit het graf
en uit den Leyeschoot.
Die steen heeft u gedempt,
g'ootmoedigd en gedoken,
tot dat uw taaie rug,
gemurruwd en verzaad,
geen' weerstand biên en zou
aan hem die u, gebroken,
tot lijn[5] hermaken zal
en edel vlasgewaad.
Hoe krielt het wederom,
langs al de Leyeboorden,
van lieden, half gekleed,
die half in 't water staan,
en halen, lekende uit,
lijk lijken van versmoorden,
't gebonden, zappig vlas,
en 't spreidende openslaan!
't Verrijst! Het wordt alhier,
het wordt aldaar bewogen,
gestuikt[6], gekeuveld[7] en
gehut. De zonne lacht
en speelt in 't droogend schif[8],
dat, 't water uitgezogen,
heur fijne stralen drinkt
en fijndere verruwpracht!
Wat zie 'k! o Israël,
lijk in de bibelprenten,
gekleend, den overtocht
van 't Abrahamsche diet[9];
gesmaldeeld en geschaard,
in lijnwaadgrauwe tenten,
ontelbaar, zoo 't den dwang
van Pharao verliet!
Beloofde land van God,
Jordane, in 't hooge Noorden,
hoe schoon 't gelegerd volk,
dat, God gehoorzaam, voet
en hand te zamen, zwoegt
naar uwaard, en de boorden
van 't stroomend waterkleed
strijdmachtig leven doet!
Ik hef, lijk Bala'am,
mijn woord op, en 'k bezegen
den arbeidweerden troost
dien 't neerstig Vlanderen vand...!
Zij 't immer God getrouw,
God dankbaar, God genegen,
en weerd de diere kroon
die hem de vrijheid spant,
zoo lang de Leye loopt,
zoo lang de velden dragen
den taaien lijnwaadoost[10],
die op heur boorden groeit;
zoo lang 't gestorven vlas
herleeft in kant en kragen,
en, sneeuwwit op de borst
van jonk- en schoonheid bloeit!
VOETNOTEN:
1 Aan de Leie.
2 Aan, langs.
3 Fijke is een stok of ijzeren staaf op den oever, waar de in 't water
neergelaten vlasbakken aan vastgebonden worden.
4 Die op de volle vlasbakken ligt om het vlas ter roting onder water
te houden.
5 Gesponnen draad om te weven.
6 Stuiken = korenschoven recht overeind zetten om te drogen.
7 Keuvel = gevelpunt op een dak.
8 Houtbast van 't vlas.
9 Volk.
[10] Oogst.
='T IS STILLE=.
't Is stille. Rustig ligt
en slaapt het altemaal,
dat leute en leven was,
dat locht- en vogeltaal.
Geen windeken en waakt:
november houdt den staf,
en stelpt dat wekken mocht
het eindloos duister graf
des aardrijks. Ongebaand
en dood zijn weg en straat;
de voet alleen verwekt,
en 't stappen van die gaat,
een doof gerucht in 't loof,
dat, afgevallen, plekt
den grond, dien 't in een' spree
van doodsche varwen dekt.
't Is stille. Gij alleen,
o vlugge en vlijtig ding,
dat, langs den natten tak
geklaverd, uw gepink
laat hooren, fijn en snel,
ge ontsnapt en snetst alom:
"Ik leef nog: piep! Ik leef,
spijts 's winters winterdom!"
=DE RAVE=.
Met zwart- en zwaren zwaai aan 't werken door de grauwe,
de zonnelooze locht, ik de oude rave aanschouwe;
die, roeiende op en dóór den schaars gewekten wind,
gelijk een dwalend spook, eilaas geen ruste en vindt.
Ze is zwart gebekt, gepoot, gekopt in 't zwarte; als kolen,
zoo staan heure oogen zwart, in hun' twee zwarte holen
te blinken; rouwgewaad en duister doek omvangt
het duister wangedrocht, dat in de nevelen hangt.
Ze is stom! Z'en uit geen woord en 't waaien van heur' slagers
en hoort gij niet. Alzoo de zwarte doodendragers
stilzwijgend gaan, zoo gaat zij zwijgend op de lucht,
en wendt alhier aldaar heur' zwarte ravenvlucht.
Wat wilt gij, duister spook! Waar gaat gij? Van wat steden
zijt gij, met damp en doom[1] en 's winters duisterheden,
alhierwaards aangewaaid? Wat boodschap brengt gij? Van
wat rampe of tegenspoed zijt gij de bedeman[2]?
Is ziek- of zuchtigheid, uit 's noordens grauwe landen;
is sterfte wederom, is hongersnood op handen?
Is moordaanslag, verraad de zin van uw vermaan;
of gaat de muil misschien des afgronds opengaan?
Geen woord! Dan, weg van hier, onzalige: gaat varen
alwaar nooit zonne en rijst; alwaar de grimme baren
staan ijsvaste overende, als rotsen; en waar nooit
noch blom noch blad den buik van moeder aarde en tooit!
Gaat aan! Of spreekt een woord, zoo de andere vogeldieren
te zomertijde doen, die in de bosschen zwieren:
ja, 's winters, als de snee' heur laken heeft gespreid,
nog vinkt en klinkt het hier, vol vogelvlijtigheid.
En gij! De rave trekt, met trage vederslagen,
voorbij mij, zwaar en zwart gelijk nen kerkhofwagen,
en roept mij, onverwachts, terwijl zij henenvaart,
al in één enkel woord, heur' winterboodschap: "Spaart!"
VOETNOTEN:
1 Damp.
2 Bode.
=DE TIJD=.
_Tempus non erit amplius._ Apoc. X, 6.
Verloren is 't gepijnd om aan
den tijd, die immer voort moet gaan,
een paal te zetten;
ja, stelt u maar en schoort u stijf,
ge 'n zult, met al uw leên en lijf,
zijn' baan beletten.
Hij lacht met u, en, moegesold,
gij vechtend in de vore rolt,
daar 't eeuwig varen
zijns wilden strooms voorbij u voert,
en zegepralend henenroert,
zijn' ruwe baren.
Hij stampt de hooge boomen om,
hij buigt den berg zijn' lenden krom,
hij springt de banden
van staal intween, die vastgedaan,
bij stede en stad, hem wederstaan,
in alle landen.
Geen wet en weet hij, noch 't en zal
hem dwingen eenig ongeval:
geen' legerbenden,
geen' wapens, geen geweld van iet
dat donderbusse of boge schiet,
en kan hem schenden.
Onraakbaar is hij, vluchtende ooit
en vechtende; verderfnis strooit
hij op die wilden
weêrzetten hem 't zij burgten van
orduin[1] gebouwd, 't zij duizend man,
't zij duizend schilden.
't En breekt den boozen beul, van al 't
geween dat hem te voeten valt,
geene enkele smerte,
geen Bethlehemsche kinderdood,
geen leêggeroofde moederschoot,
zijn steenen herte!
Zoo moet hij varend henengaan,
en al dat is aan stukken slaan,
tot ander stonden,
dat hij ook eens, het licht ontzeid,
voor eeuwig hebbe in de eeuwigheid
zijn' dood gevonden.
VOETNOOT:
1 Arduin.
MIJN HERT IS ALS EEN BLOMGEWAS.
Mijn hert is als een blomgewas,
dat, opengaande of toegeloken,
de stralen van de zonne vangt,
of kwijnt en pijnt en hangt gebroken.
Mijn hert gelijkt het jeugdig groen,
dat asemt in den dauw des morgens;
maar zwakt, des avonds, moe geleefd,
vol stof, vol weemoeds en vol zorgens!
Mijn hert is als een vrucht, die wast
en rijp wordt, in de schauw verholen,
aleer de hand des najaars heeft,
te vroeg eilaas, den boom bestolen!
Mijn hert gelijkt de sterre, die
verschiet, en aan de hooge wanden
des hemels eene sparke strijkt,
die, eer 'k heraêm, houdt op van branden!
Mijn herte slacht den regenboog,
die, hoog gebouwd dóór al de hemelen,
welhaast gedaan heeft rood en blauw
en groen en geluwe en peersch te schemelen!
Mijn hert... mijn herte is krank, en broos,
en onstandvastig in 't verblijden;
maar, als 't hem wel gaat éénen stond,
't kan dagen lang weêr honger lijden!
't Eerste dat mij moeder vragen
leerde, in lang verleden dagen,
als ik hakkelde, ongeriefd
nog van woorden, 't was, te gader
bei mijn' handtjes doende: "Vader,
geeft me 'en kruisken, als 't u belieft!"
'k Heb een kruiske dan gekregen,
menig keer, en wierd geslegen
op mijn' kake, zacht en zoet...
Ach, ge zijt mij, bei te gader,
afgestorven, moeder, vader,
't geen mij nu nog leedschap doet!
Maar, dat kruiske, 't is geschreven
diep mij in den kop gebleven,
teeken van mijn erfgebied:
die den schedel mij aan scherven
sloege, en hiete 't kruisken derven,
nog en hadd' hij 't kruisken niet!
WINTERMUGGEN.
De wintermuggen zijn
aan 't dansen, ommentomme,
zoo wit als muldersmeel,
zoo wit als molkenblomme[1].
Ze varen hooge, in 't vloe;
ze dalen diepe, in de ebbe;
ze weven, heen en weêr,
hun' witte winterwebbe.
Hun' winterwebbe zal,
dat lijnwaad zonder vlekken,
den zuiverlijken schoot
van moeder Aarde dekken.
Ze ligt in heuren slaap,
ze droomt den schuldeloozen,
den maagdelijken droom
van nieuwe lenteroozen.
Ze ligt in heuren slaap,
ze droomt den wonderbaren,
den liefelijken droom
van 's zomers harpenaren.
Ze ligt in heuren droom,
ze droomt van overvloed en
van voorspoed overal,
om vee en volk te voeden.
'n Wekt ze niet, 'n laat
heur geen geruchte dwingen,
om, al te schier ontwekt,
uit heuren slaap te springen!
Daar ligt ze nu en rust:
heur zwijgend beddelaken,
de wintermuggen spree'n 't,
die geen geruchte en maken.
Ze draaien op en af
en af en op en omme,
zoo wit als melk, als meel,
als molke en runselblomme[2].
VOETNOTEN:
1 Wrongel.
2 Wrongel.
=WINTERNACHT=.
Hoe zwart staan al de boomen in
de witheid, onverwacht,
van 't overdadig sneeuwen, dat 't
gedaan heeft, van den nacht!
Ze staan daar, als gekoolzwart en
met teekenen geprent,
al zwarte en zware staven, op
een eindloos pergament.
Ze 'n roeren noch ze 'n poeren[1] en,
bij 't nachtelijk gestraal,
men zweren zou dat 't spoken zijn,
of reuzen altemaal.
De sterren staan en bliksemen,
als oogen, ongeteld,
van boven, uit de koppen van
die reuzen vol geweld.
Ze groeien immer grooter, en
de witheid van de snee
verzwaart de zwarte stammen. Zich[2]!
van een' zoo wordt er twee!
'k Versta nu hoe van drollen[3], gij,
en droezen[3] hebt gedroomd,
wanneer ge, Noordsche heidenen,
verkeerdet in 't geboomt.
Bij 't razen van den winter en
bij 't nijpen van den nacht,
is de oude, grimme reuzenzegge[4]
ontstaan in uw gedacht.
VOETNOTEN:
1 Bewegen.
2 Zie.
3 Nikkers, spoken.
4 Sage.
=ARM HUISGEZIN=.
Onder 't duister dak gedoken,
stroo en vodden[1] altegaar,
heel onttodderd[2], half gebroken,
staat des werkmans woonsteê daar.
't Kaafgat[3], omme- en scheefgetrokken,
vallen gaat; en daar, deureen,
liggen afgerolde brokken
bruingebrand al, gruis en steen.
't Dak beneden, deur de wanden,
glazenloos, van latte en leem
zie 'k getelde turven branden,
doodsch, in 't deerlijk huisgeheem[4].
Open ligt het, aller oogen;
't waait erdeure en 't sneeuwt erin;
's zomers zal me' er hitte in doogen,
's winters koude.--Arm huisgezin!
VOETNOTEN:
1 Zoden.
2 Uit de voegen.
3 Kave = schouw.
4 Binnenhuis; heem, heim = huis.
IRREQUIETUM[1]....
Als één verdriet is uitgezucht,
er ruimte is, zult ge zeggen,
en reden daar, om ééns, toch ééns,
het rouwkleed af te leggen!
't En doet! Daar zitten zuchten al
volveerdig, neêrgedwongen,
en beidende, in de bange borst,
die geren henensprongen!
Ze kwellen en ze pramen u,
en baren zult ge, baren,
ach! de altijdonvolborentheid
des weedoms! De oude jaren
en letten 't herontvangen, noch
het grootgaan, immer: sterven
van droefheid, zult ge, in barensnood,
en 't eeuwig--leven--erven!
VOETNOOT:
1 Zonder rust.
=VELUT UMBRA=[1].
Hoe lange al, eer 'k aanschouwen mocht
mijn schaduwbeeld! en zonnestralen,
door 't scheuren van de ontstelde locht,
't daar schielijk, vóór mij, henenmalen!
'k Verschiete ervan, zoo lange al is 't,
dat, zonneken, mijne ooge u mist.
'k Gevoel 't zoo veerdig--: ommentom,
dien eersten blik van liefde, 't wezen
en 't uitzien van heel 't scheps'lendom,
gedeluwd[2] en ontziend[3] voordezen,
doet werkzaam, in den zonneschijn,
heropgestaan en wakker zijn.
De witte muur, het roode dak,
de grauwe baan, de zwarte moude[4],
het groene gers[5], de bruine tak,
't is al alsof 't herleven zoude
in 't licht, dat 't moede en 't doove, van
dat verruwloos is, verwen kan.
Een enkel scheurke in 't wolkgewand,
en 'k sta daar, vóór mij, heengeschreven,
van boven tot beneên, in 't zand
vertweelingd, in 't geweld te leven
des zonnelichts!... Och arme, 't sluit,
weêr toe: mijn beeld is,--al is uit!
Zoo gaat het, Heer des levens: al
zoo lange ik, in den hoogen throone,
U zelven eerst niet zien en zal,
den nu nog onaanschouwbaar schoone,
zoo lang zal licht en zonneschijn
me, en 't leven ook, een schaduw zijn!
VOETNOTEN:
1 Als een schaduw.
2 Loodverwig.
3 Onschoon.
4 Aarde.
5 Gras.
=ABEELEN=.
Verschgevelde abeelenboomen
liggen langs de grachten heen,
die den ouden zandweg zoomen,
hoofd en armen afgesneên.
Sterke stammen, kon dat wezen,
gij, die, op en in den grond,
met uw' voeten vastgevezen[1],
vamen diepe, ondelgbaar, stondt?
Gij, die 't zwaar geweld der winden,
kreunende, op uw kruinen droegt;
die zoo lang den boosgezinden
wintervijand wedersloegt?
't Edel hoofd intweengespleten,
knoken in den grond geboord,
wie heeft 't al u afgebeten,
dat uw' schoonheid toebehoort?
Spillen zie 'k, en spanen, dragen;
splenters, uit uw hoofdgewaai;
takken uit uw' toppen zagen,
kerven af uw' teenen taai!
Elk komt uit en wondt en snijdt u:
raapt en rooft, met volle hand;
nu dat, omme en verre en wijd, uw
hooge kroone ligt in 't zand.
Vijandschap, aan alle zijden,
woedt om uwe ellendigheid:
heeft u ooit, in vroeger tijden,
vrede en vriendschap één ontzeid?
Edel volk, wanneer gij wachttet,
langs den weg, en schaduw smeet
op die, moegegaan, versmachtte 't
zonnevier, was 't iemand leed?
Iemand leed! Ach, laat mij weten
wie dat 't is, die, afgemat,
heeft ondankbaar neêrgezeten,
in de schaduw! Leert mij dat!
Meermaals mocht ik asem halen,
vluchten onder 't groene dak,
als het zweerd der zonnestralen
scherp mij in de lenden stak.
Boomen, in uw' looverlane,
tellende, een voor een, u al,
's zomers, zoete abeelenbane,
zelden ik nog komen zal!
't Deert mij zoo!--De abeelenboomen
liggen langs de grachten heen,
die den ouden zandweg zoomen,
hals en handen afgesneên!
VOETNOOT:
1 Vijzen = schroeven.
=LENTEGROEN=.
't Is lentegroen genoeg,
voor honderdduizend oogen;
eilaas, 'k en hebbe er ik,
o grondig groene zee,
maar twee:
wie kander moedeloos,
den dwang mij doen gedoogen
van 't geen mij tegenhoudt
nen tocht in al dat groen
te doen?
Gij vlerkendragend volk,
gij allerhand gezwinde
doorvliegers van de lucht,
de lieve lente lacht
zoo zacht;
en gij, gij vliegt haar in
't gemoet, bij lork en linde,
in 't nieuwgeboren gers[1],
in 't onkruid en in 't riet:
ik niet!
Gij bietjes ongeteld,
gij tienmaalhonderdduizend
in 't rood, in 't geel, in 't blauw
gepinte[2] pepels[3], haait
en draait
en drentelt, op en neêr,
eer 't zonnelicht, verhuizend
van hier, u, 't lieve groen,
en mij, de moede nacht
ontkracht!
o Grondig, groene zee,
'k ben visschende op de baren
van uwe oneindigheid
van groen, en mijn gewin
daarin
verheugt mijn arem herte:
om 't gene ik late varen,
om 't gene ik vangen kan,
en.... God gebenedijd
mij zijt!
VOETNOTEN:
1 Gras.
2 Getooid.
3 Vlinder.
=VOGELZANG=.
Ik hoore 't, gij vogelkens,
luide genoeg
herhaalt en herhaalt gij
uw' spraken;
maar, hoe ik mijn beste doe,
spade ende vroeg,
'k en wete er geen zin van
te maken.