Beetsjoeanen (_Phacochoerus aethiopicus_), heeft een buitengewoon
breeden en platgedrukten snuit, al zijne snijtanden vallen vroegtijdig
uit en ontbreken dus aan het volwassen dier; de bovenkaakshoektanden
zijn tot 24 cM. ver buiten den bek verlengd. Zijn kleur is bruin,
aan den kop en den rug zwartachtig. Hij is 1.6 M. lang, bij een
schofthoogte van 75 c.M. Sparmann zegt van deze dieren: "Zij bewonen
gaten in den grond en zijn gevaarlijk, daar zij als een pijl uit
den boog op den mensch toerennen en met hunne lange slagtanden hem
den buik trachten open te rijten. Men vindt ze in kudden bijeen. Als
zij vluchten neemt ieder wijfje haar jong in den bek mede, hetwelk
een zeer zonderling schouwspel oplevert. In Kamdebo paren zij met de
Tamme Varkens; door deze kruising ontstaan vruchtbare nakomelingen." In
het jaar 1765 kwam het eerste exemplaar van deze diersoort levend in
Europa en wel in de diergaarde van het Kleine Loo bij den Haag, welker
directeur A. Vosmaer een uitvoerige beschrijving van de kenmerken
en van de levenswijze van dit dier heeft gegeven. Men meende, dat
het zeer goedaardig was; plotseling echter kwam zijn wilde aard
aan 't licht: het viel zijn oppasser aan en bracht dezen met zijne
vreeselijke slagtanden een doodelijke wonde toe. Later heeft het den
buik opengereten aan een tamme zeug, die in zijn hok was gebracht
in de hoop op nakomelingschap. Zijn voedingswijze verschilde niet
van die van andere Zwijnen. Het vrat allerlei soorten van graan,
maïs, boekweit, rapen, afval van groenten, vooral ook wortels van
gras en andere planten, die het met den voorkant van zijn snuit en
met de pooten uit den grond wroette. Het meest was deze "Hardlooper"
belust op roggebrood; ieder die dit bij zich had, liep hij als een
hondje na.--In lateren tijd heeft de Hardlooper en het Wrattenzwijn,
dat hem in noordelijker gedeelten van Afrika vervangt--de _Haroja_
der Abessiniërs (_Potamochoerus africanus_)--herhaaldelijk deel
uitgemaakt van de bevolking van verschillende dierentuinen; ik heb ze
in het Regentspark, te Antwerpen, in de Amsterdamsche diergaarde en te
Berlijn gezien en sommige gedurende langen tijd kunnen waarnemen. In
levenswijze komen zij overeen.
De _Navelzwijnen_ (_Dicotyles_) zijn kenbaar aan hun gebit, dat uit 38
tanden bestaat en welks hoektanden niet buiten den bek te voorschijn
komen, dus zoo min bovenwaarts gekromd zijn, als door de bovenlip
heengroeien. Hun lichaamsbouw is gedrongen, de korte kop eindigt in
een korten, slanken snuit en draagt tamelijk kleine ooren. Aan de
achtervoeten ontbreekt de buitenteen, zoodat achter de beide teenen,
welker hoeven op den grond rusten, slechts één kleine teen aanwezig
is. De staart is zeer klein, knobbelvormig. Op het achterste deel
van den rug mondt een klier uit, die voortdurend een sterk riekende
vloeistof afscheidt. Het wijfje heeft slechts twee tepels. Deze dieren
bewonen de wouden van Zuid-Amerika.
De _Pekari_ (_Dicotyles torquatus_), een klein Zwijn van hoogstens
95 cM. lengte (waarvan 2 cM. op den staart komen) en 35 à 40
cM. schouderhoogte, heeft een korten kop en een stompen snuit, maar
is overigens betrekkelijk slank gebouwd. De algemeene kleur van het
dier, zwartachtig bruin, gaat op de zijden in geelachtig bruin over
en is met wit gemengd; de voorborst is wit; aan weerszijden komt
op den schouder een geelachtig witte streep voor. De reuk van het
afscheidings-product der rugklier, hoewel voor ons onaangenaam,
schijnt voor deze dieren een groote aantrekkelijkheid te hebben,
daar zij aanhoudend met den snuit elkanders rug wrijven.
De _Tagnicati_, het _Bisamzwijn_ (_Dicotyles labiatus_) is aanmerkelijk
grooter dan de vorige soort en onderscheidt zich bovendien door de
tamelijk gelijkmatige, grauwzwarte kleur, waarbij een groote, witte
vlek op elke wang sterk afsteekt.
In alle woudrijke gewesten van Zuid-Amerika, tot op 1000 M. boven
den zeespiegel, zijn de Pekari en het Bisamzwijn zeer gewone
verschijningen. In talrijke troepen, die soms uit honderden individuën
bestaan, en aangevoerd worden door het sterkste mannetje van het
gezelschap, zwerven de Bisamzwijnen door wouden; hetzelfde doen de
Pekaris, die de kleinere troepen van 10 à 15 stuks vormen; dagelijks
veranderen zij van verblijfplaats. Zij zijn eigenlijk voortdurend
onderweg en bewegen zich gedurende geruimen tijd onverpoosd in dezelfde
richting; Rengger verzekert, dat men ze dagen lang kan volgen zonder ze
te zien. "Bij hunne tochten", zegt deze onderzoeker, "laten zij zich
zoomin door het openveld, dat zij trouwens slechts zelden bezoeken,
als door het water ophouden. Als hun pad op een veld uitloopt, zoo
doorsnijden zij dit in snellen draf; als zij onverwachts voor een
rivier komen, zwemmen zij deze over zonder zich te bedenken. Ik zag ze
over den Paraguay zwemmen op een plaats waar deze meer dan een half uur
breed was. Dicht opeengedrongen trekt de troep verder: de mannetjes
voorop, elk moederzwijn heeft hare jongen achter zich. Reeds op een
afstand hoort men de doffe, heesche geluiden, die de naderende dieren
maken, maar meer nog het gedruisch, veroorzaakt door het breken van
het struikgewas, waardoor zij zich met geweld een weg banen." Bonbland
kreeg eens gedurende het botaniseeren van zijn Indiaanschen gids den
raad zich achter een boom te verbergen, omdat het te vreezen was, dat
onze geleerde door een troep van deze Zwijnen omvergeloopen zou worden.
De Navelzwijnen gaan zoowel over dag als 's nachts fourageeren; juist
het gebrek aan geschikten kost geeft vermoedelijk aanleiding tot
de meer uitgestrekte zwerftochten. Hun voedsel bestaat uit allerlei
soorten van boomvruchten en wortels. Hun gebit is zoo krachtig, dat
zij volgens Schomburgk met het grootste gemak zelfs de hardste zaden
van palmen kunnen openen. In bewoonde streken dringen zij dikwijls
in de plantages door en vernielen den oogst. Behalve plantaardige
stoffen eten zij, naar men zegt, ook Slangen, Hagedissen, Wormen
en larven. Door hunne bewegingen en hun aard gelijken zij op onze
Wilde Zwijnen; men merkt echter bij hen zoo min de vraatzucht als
de onzindelijkheid van deze dieren op; nooit eten zij meer dan zij
noodig hebben; niet anders dan gedurende de grootste hitte zoeken
zij het water op, en ook dan slechts plassen, waarin zij zich kunnen
verfrisschen. Over dag verbergen zij zich in holle boomstammen of
tusschen losse wortels; als zij gejaagd worden, zoeken zij altijd
een toevlucht in zulke schuilhoeken. Hun waarnemingsvermogen en hunne
geestesgaven zijn gering. Het gehoor en de reuk zijn, naar het schijnt,
het best bij hen ontwikkeld; hun gezicht is zwak.
"De Bisamzwijnen worden," volgens Rengger, "veelvuldig gejaagd,
gedeeltelijk om hun vleesch, gedeeltelijk ook wegens de schade, die
zij in de plantages aanrichten. Gewoonlijk zoekt men ze met Honden in
de wouden op en doodt ze door schoten of lanssteken. Als zij dikwijls
in een plantage inbreken, graaft men aan de zijde, waar zij gewoon
zijn de akkers te verlaten, een breede, soms wel 3 M. diepe gracht,
wacht tot zij zich vertoonen en drijft ze dan met behulp van Honden en
onder luid geschreeuw naar de groeve, die, wanneer de troep talrijk
is, er soms voor de helft mede gevuld wordt. De Indianen vangen de
Bisamzwijnen in strikken."
De zeug werpt gewoonlijk één, bij uitzondering twee jongen,
die misschien reeds op den eersten levensdag, in allen gevalle
echter zeer kort na de geboorte, hun moeder overal heen volgen en,
in plaats van te knorren, bijna als Geiten schreeuwen. Zij kunnen
zonder moeite getemd worden en verkrijgen, als men ze goed behandelt,
geheel den aard van huisdieren. "De Pekari," zegt A. von Humboldt,
"die in huis is groot gebracht, wordt zoo tam als ons Zwijn of onze
Ree; zijn zachtaardige inborst herinnert ons aan de overeenkomst
in lichaamsbouw tusschen de Zwijnen en de Herkauwers, die door de
ontleding dezer dieren gebleken is."
Naar Europa worden de Pekaris vrij dikwijls, de Bisamzwijnen minder
vaak levend overgebracht. Beide verdragen ons klimaat betrekkelijk
goed; herhaaldelijk hebben zij in onze dierentuinen jongen
voortgebracht. Met het gewone varkensvoeder kan men ze verscheidene
jaren in 't leven houden. Van hun vriendschap voor den mensch heb ik
trouwens nooit iets kunnen bespeuren. Het kan wel zijn, dat zij zich
beminnelijk gedragen, als men hen veel vrijheid laat; die, welke
in een meer beperkte ruimte opgesloten zijn, doen zich kennen als
hatelijke schepsels: zij geraken licht in toorn en zijn boosaardig,
wraakzuchtig en valsch; door ervaren oppassers worden zij veel meer
gevreesd dan de grootere en sterkere leden van hun familie.
Het vel van de Navelzwijnen wordt hoofdzakelijk voor het vervaardigen
van zakken en riemen gebruikt; het vleesch wordt door den minderen
man gaarne gegeten. Het heeft een aangenamen smaak, welke echter
niet op dien van varkensvleesch gelijkt. Ook vindt men bij hen in
plaats van het spek slechts een dunne vetlaag. Als het Bisamzwijn
vóór zijn dood lang nagejaagd is, verkrijgt het vleesch de reuk van
rugklier, wanneer men deze niet onmiddellijk na den dood wegsnijdt;
in andere gevallen kan men, buiten den bronsttijd althans, het vleesch
van het gedoode dier in de huid laten besterven, zonder dat het een
onaangenamen reuk verkrijgt.
Veel plomper dan alle overige Evenvingerigen is het _Rivierpaard_ of
_Nijlpaard_ (_Hippopotamus amphibius_), die met een veel kleineren,
verwanten vorm--het nog weinig bekende, in Opper-Guinea voorkomende
_Liberische Rivierpaard_ (_Hippopotamus liberiensis_)--de eenige,
nog levende vertegenwoordiger is van een afzonderlijke familie--die
der _Rivierpaarden_ (_Hippopotamidae_).
Veel juister dan de Grieken, die aan deze dieren den naam gaven,
welks letterlijke vertaling door ons gebruikt wordt om ze aan
te duiden--juister ook dan de Arabieren, die hen "Waterbuffels"
noemen--, gebruikten de oude Egyptenaars voor den onbehouwen reus
den naam "Rivierzwijn"; want beter dan met eenig ander dier kan men
het Nijlpaard, den "Behemot" van den bijbel (Job. XII: 10-19), met
het Zwijn vergelijken.
Wat de uitwendig waarneembare verschijnselen betreft, onderscheidt
het Nijlpaard zich van de overige Zoogdieren meer door den kop dan
door eenig ander lichaamsdeel. Eigenaardig zijn de bijna vierhoekige
vorm van den kop, de kleine oogen en ooren, alsmede de scheef aan den
elkander tegenovergestelde, groote, op boogvormige spleten gelijkende
neusgaten, die met de ooren en de oogen de hoogste punten zijn van
een vlak, waaronder het voorhoofd en het daarvóór gelegen deel van
't aangezicht trogvormig afdalen. Voorts is hij gekenmerkt door den
wanstaltigen snuit, welks glad en dik, van achteren bovendien tamelijk
smal bovenste gedeelte zich naar voren verbreedt en verheft, vervolgens
echter in de gedaante van een dikke bovenlip langs de zijden steil
afdaalt, om den ontzaglijken muil aan alle kanten te bedekken en te
sluiten. De hals is kort en krachtig, de romp hoewel langwerpig toch
bovenmatig dik en daarom buitengewoon plomp, de rug in 't kruis hooger
dan in de schoft, in het midden benedenwaarts gebogen, de buik vol
en rond, in 't midden zoo diep afgezakt, dat hij den bodem aanraakt
bij 't gaan op den slijkerigen grond; de staart is kort en dun, bij
de spits zijdelings samengedrukt; de onevenredig korte, vormelooze
pooten hebben breede, vierhoekige voeten, welker teenen door korte
zwemvliezen verbonden en alle naar voren gericht zijn. Alleen aan
de spits van den staart staan korte, op draden gelijkende borstels;
overigens bemerkt men op de meer dan 2 cM. dikke huid, die vooral
aan den hals en voor aan de borst eenige diepe plooien vormt, slechts
hier en daar eenige borstelvormige haren. Door groeven, die elkander
kruisen, wordt de huid in velden verdeeld die op schubben gelijken,
en nu ééns grooter dan weer kleiner zijn. Hun kleur is koperbruin en
heeft een eigenaardige tint, die aan de bovenzijde in vuil donkerrood,
aan de onderzijde in licht purperbruin overgaat. Tamelijk regelmatig
geplaatste, bruinachtige en blauwachtige vlekken geven aan de overigens
eenvormige massa een zekere afwisseling. De kleur van het Nijlpaard
verandert trouwens, al naar de huid droog is of nat. Wanneer het dier
zoo juist uit het water komt, zijn de bovendeelen bruinachtig blauw
en de onderdeelen bijna vleeschkleurig; daarentegen is het, wanneer
de huid droogt, donkerder, bijna zwartbruin of leikleurig, of, als de
zon op zijn rug schijnt, gelijkmatig blauwachtig grijs.--De totale
lengte van een volwassen mannetje bedraagt, met inbegrip van den
45 cM. langen staart, 4.2 à 4.5 M., bij 1.5 M. schouderhoogte. Het
gewicht van het dier zal gemiddeld 2000 à 2500 KG. bedragen en bij
vele oude mannetjes waarschijnlijk boven de 3000 KG. stijgen; alleen
de kop van zulk een reus weegt ruim 200 KG.
Het gebit van het Nijlpaard komt nog het meest overeen met dat van
het Zwijn, waarvan het, minder door het aantal dan door den vorm der
tanden, verschilt. In ieder kaakhelft bevinden zich 2 snijtanden,
1 hoektand en 7 maaltanden; het gebit bestaat dus uit 40 tanden. De
beide middelste onderkaaks-snijtanden zijn door een tandelooze
tusschenruimte van elkander gescheiden; zij zijn aanmerkelijk grooter
dan de zijdelingsche snijtanden en gelijken in sommige opzichten
op hoektanden, maar hebben een horizontalen stand; die van de
bovenkaak zijn kleiner, gekromd en verticaal benedenwaarts gericht. De
hoektanden van de onderkaak zijn reusachtig groot; gemiddeld zijn zij
bij groote dieren 50 cM. lang en 4 KG. zwaar; zij zijn driezijdig,
half cirkelvormig gebogen, aan de spits scheef afgesneden en met
diepe, overlangsche groeven voorzien; de bovenkaaks-hoektanden zijn
benedenwaarts gericht, aanmerkelijk korter en dunner, maar op dezelfde
wijze gekromd en scheef afgeknot. Alle deelen van het geraamte zijn
buitengewoon zwaar gebouwd: de schedel is bijna vierzijdig, plat en
benedenwaarts gedrukt; het deel dat de hersenen bevat, is klein; de
oogkas heeft een vooruitstekenden rand, die door het voorhoofdsbeen en
het jukbeen gevormd wordt; alle overige beenderen zijn eveneens dik,
plomp en zwaar.
Dat het Nijlpaard den Ouden goed bekend was, blijkt duidelijk uit de
Egyptische gedenkteekenen en sommige bijbelteksten. Door de Grieksche
en Romeinsche schrijvers, en wel het eerst door Herodotus en Plinius,
wordt dikwijls melding gemaakt van dit dier; zij beschrijven het zoo
goed zij kunnen, en schilderen zijne zeden en gewoonten. Alle latere
auteurs ontleenden hun kennis hoofdzakelijk aan de berichten der Ouden;
eerst door Gesner worden hieraan nieuwe, door Belon medegedeelde
feiten toegevoegd; voor latere onderzoekers bleef de taak weggelegd,
om de natuurlijke geschiedenis van dit dier op te helderen.
Tegenwoordig moet men van 't noorden af tamelijk ver in het binnenland
van Afrika doordringen, om Nijlpaarden te ontmoeten. Vooral in het
stroomgebied van den Nijl hebben de van oudsher beroemde dieren zich
meer en meer teruggetrokken naar het hartje van Afrika. Hier echter
ziet men de gestalten, die op de vier duizend jaar oude Egyptische
tempels afgebeeld zijn, in levenden lijve liggen: dezelfde dieren
te midden van menschen, die aan hunne voorouders gelijk gebleven
zijn. Naast den Baviaan en den Krokodil, naast de heilige Ibis en
den Tantalus, ontmoet men hier de laatst overgebleven, reusachtige
land-Zoogdieren: den Olifant, den Neushoorn en het Nijlpaard--wezens,
die aan vormen uit den voortijd herinneren. Overal waar de mensch
alleenheerscher is geworden, zijn deze schepsels voor zijne vreeselijke
vuurwapens bezweken; daar, waar hij ze alleen met den speer en den boog
bestrijdt, staan zij ook thans nog vijandig tegenover hem. In geheel
Egypte en ook in Nubië, waar Rüppell nog in den aanvang dezer eeuw
het Nijlpaard in vrij grooten getale aantrof, is het thans uitgeroeid.
In de rivieren van Oost-, Zuid- en West-Afrika vindt men de
Nijlpaarden veel nader bij de kust, dan in de noordelijke helft van
dit werelddeel; zelfs zwemmen zij daar niet zelden op korten afstand
van den riviermond in de zee. Stroomopwaarts gaan zij, zoover de
strooming het hun veroorlooft; daarom zijn zij nog inheemsch in het
Tana-meer in Abessinië, dat 1940 M. hoog gelegen is.
Het Nijlpaard is meer dan eenige andere Dikhuidige aan het water
gebonden; eigenlijk verlaat het dit slechts bij uitzondering om zich
aan land te begeven. Daar, waar de stroom zelf niet rijk aan planten
is, geschiedt dit geregeld 's nachts, met het doel om voedsel te
zoeken; bij uitzondering echter verlaat het ook wel over dag den
stroom, om zich op de zandbanken door de zon te laten koesteren.
Op plaatsen, die hiervoor gunstig gelegen zijn, zal de deskundige
de aanwezigheid van het reusachtige dier spoedig bemerken. Met
tusschenpoozen van ongeveer 3 (hoogstens 4) minuten zal een (bij
stil weder duidelijk zichtbare) nevelstraal zich ongeveer een halven
meter boven den waterspiegel verheffen; te gelijker tijd wordt dan
een bruischend gesnuif of gesnork gehoord; beide verschijnselen
worden veroorzaakt door de ademhaling van een Nijlpaard, dat zooeven
boven gekomen is. Als men niet te veraf staat, kan men ook een
deel van zijn kop zien: een vormlooze, roode of bruinachtig roode
massa, waaraan men twee spitsen, de ooren, en vier verhevenheden,
de oogen en neusgaten, onderscheidt. Meer dan het bovenste deel van
den kop krijgt men van een Nijlpaard, dat zich in 't water ophoudt,
zelden te zien; hij die het voor de eerste maal aanschouwt, zal het
waarschijnlijk niet herkennen. Als men onder den wind blijft en iedere
storing vermijdt, kan men het op- en neerzwemmende dier, dat in 't
water als 't ware speelt, gemakkelijk nagaan; men ziet dan ook op het
ingedrukte voorhoofd, tusschen de oogen en de ooren, een kleine plas
overblijven, die genoeg water bevat om tot verblijfplaats te dienen
van een Goudvischje of een paar Bermpjes. Hoogst zelden blijft een van
de waterreuzen een weinig langer onder water dan hierboven aangegeven
werd; hij moet alle 4 of 5 minuten ademhalen. De mededeelingen van
sommige reizigers, die het dier 10 à 15 minuten onder water zagen
vertoeven, berusten waarschijnlijk op onjuiste waarnemingen. Zoodra
n.l. een Nijlpaard ongerust is, rijst het zeer behoedzaam omhoog,
zoodat alleen de neusgaten boven de oppervlakte komen; het ademt dan
zeer zachtjes, zoodat de uitgeblazen lucht gemakkelijk onopgemerkt
kan blijven. Ook gebeurt het wel, dat het zich onder water zwemmend
verwijderd, om elders omhoog te stijgen, terwijl zijn vroegere plaats
misschien door een ander individu wordt ingenomen.
Het Nijlpaard leeft gezellig; slechts oude mannetjes ontmoet men
afzonderlijk. Dikwijls vindt een gezelschap reeds in een grooten
vijver gedurende geruimen tijd een voldoende verblijfplaats. Als het
een klein, minder diep water bewoont, waar in het droge jaargetijde
vele droogten ontstaan, merkt men op, dat de dieren den geheelen dag
door op bepaalde plaatsen blijven. Waarschijnlijk hebben zij daar te
midden van het rivierbed kuilen gegraven: lange, diepe, trogvormige
groeven, welker richting met de strooming van het water overeenstemt;
hier kunnen zij gemakkelijk onderduiken en zich verbergen, wanneer zij
vervolgd worden. Verscheidene zulke kuilen staan soms door straten,
die op grachten gelijken, met elkander in gemeenschap; deze zijn als
't ware de onder water gelegen wissels der Nijlpaarden.
Slechts in streken, waar zich in 't geheel geen menschen vertoonen,
verlaat het gezelschap over dag het water om zich in de nabijheid
van den oever, hetzij op ondiepten of op het land zelf, door de zon
te laten koesteren en op een droomerige wijze in te dommelen. Nu
toonen de op hun gemak liggende dieren hetzelfde welbehagen als de
Zwijnen, die zich in een plas wentelen, of als de Buffels, die in een
stroom baden. Van tijd tot tijd knorren de mannelijke Nijlpaarden op
soortgelijke wijze als de Zwijnen; nu eens licht deze dan weer gene
den kop op om de omgeving te bespieden. Overigens bekommeren zij zich
niet veel om hetgeen er om hen heen gebeurt en slechts daar waar zij
den mensch en zijn vreeselijke vuurwapen leerden kennen, nemen zij
zich meer in acht voor hun gevaarlijksten, ja zelfs eenigen vijand.
Tegen den avond komt er leven in het gezelschap. Het knorren der
mannetjes neemt toe en de geheele kudde duikt spelende op en neder in
den stroom; af en toe begint zelfs een dartel gestoei. Vooral in de
nabijheid van schepen vertoonen zij zich gaarne, naar het schijnt;
ook begeleiden zij booten, die des avonds varen, over een grooten
afstand. Soms maken zij een helsch leven in 't water door hun gesnuif
en gegrom, gebrul en gegorgel, zoodat men er werkelijk vermoeid van
zou kunnen worden. Zij zwemmen met bewonderenswaardig gemak op elke
diepte onder den waterspiegel, rijzen omhoog of duiken onder, bewegen
zich bij rukken of zetten, wenden met verrassende behendigheid in alle
richtingen en wedijveren bij het doorklieven van de golven met de beste
roeiboot. Nooit heb ik het dier, dat bedaard voortzwemt, een hevige,
roeiende beweging zien maken: het water blijft glad en onbeweeglijk;
juist het tegendeel van hetgeen men opmerkt, als het woedend op een
vijand aanvalt of, na gewond te zijn, als een razende in den stroom
te keer gaat. Dan slaat het de achterpooten buitengewoon hevig naar
achteren, schiet met echte sprongen vooruit; het brengt het water van
een geheel meer in beroering, zoodat er hooge golven op ontstaan; het
maakt zelfs zulke geweldige bewegingen, dat het, zooals gebleken is,
middelmatig groote vaartuigen oplichten en verbrijzelen kan.
"Woorden zijn onvoldoende," zegt Von Heuglin zeer terecht, "om van
de stem van deze reuzen een eenigermate duidelijke voorstelling te
geven. Hun gebrul zou men des noods met dat van de Buffel-stieren
kunnen vergelijken; het is een zware, ver hoorbare basstem, die den
indruk maakt, alsof zij uit een grooten, hollen ton afkomstig is. Het
gebrul van verscheidene, met elkander wedijverende, mannelijke
Nijlpaarden, dat plotseling in de eenzaamheid door den stillen
nacht weerklinkt, verbonden met het plassen, en blazen plompen der
duikende monsters, maakt een ontzaglijk grootschen indruk, die, naar
het schijnt, ook door dieren van de wildernis wordt ondervonden:
want de Jakhals, de Hyena en zelfs de Leeuw zwijgen en luisteren,
als Behemot's donderende stem, met het gerommel van een aardbeving
vergelijkbaar, over den waterspiegel rolt en, door het verafgelegen
oerwoud gedempt, tot op grooten afstand zich voortplant." In allen
gevalle overtreft de stem van het Nijlpaard door zijn geweldige kracht
die van alle andere dieren; in haar vollen omvang wordt zij echter
betrekkelijk zelden gehoord.
In de op meren gelijkende gedeelte van den Boven-Nijl, die zoo rijk
zijn aan planten, verlaat het Nijlpaard ook 's nachts het stroombed
niet of slechts hoogst zelden. Het vreet zoowel des daags als des
nachts de waterplanten die daar groeien.
In andere gewesten moet het op het land gaan laveien. Ongeveer één
uur na zonsondergang verlaat het den stroom, voortdurend uiterst
voorzichtig luisterend en rondkijkend, om zich, als er bewoonde
plaatsen in de nabijheid zijn, naar de bebouwde velden te begeven. Hier
richten de Nijlpaarden groote verwoestingen aan; in één enkelen nacht
worden dikwijls vele akkers vernield. Hun vraatzucht is zoo groot, dat
zij, ondanks de vruchtbaarheid van hun vaderland, een ware landplaag
worden, overal waar zij eenigermate talrijk voorkomen. Veel meer
gewassen dan zij verslinden, worden tot gruis gestampt onder hunne
logge pooten, of worden vernield, wanneer zij zich, na verzadigd
te zijn, op de wijze van de Zwijnen, behagelijk in een ondiepen
kuil heen en weer wentelen. Alle soorten van graan en groenten,
die in hun vaderland verbouwd worden, zijn van hun gading, o.a. ook
watermeloenen; hoewel deze vruchten de groote hebben van pompoenen,
maakt elk daarvan voor hen slechts één enkelen hap uit.