Het Tamme Zwijn is tegenwoordig over het grootste gedeelte der

aarde verbreid. Zoover noordwaarts als de landbouw beoefend wordt,

leeft het als huisdier, in zuidelijke landen komt het meer in de

vrije natuur voor. Daar het eigenlijk in moerassige gewesten thuis

behoort, ondergaat het wijzigingen, wanneer men het in het gebergte

brengt. Hoe hooger het komt, des te meer neemt het de eigenschappen

van een bergbewoner aan. De romp wordt kleiner en meer gedrongen, de

kop korter en minder spits toeloopend, het voorhoofd breeder; de hals

verkort zich en verkrijgt een grootere dikte, het achterdeel wordt meer

afgerond en de stevigheid der pooten neemt toe. Met deze veranderingen

gaan gepaard: het afnemen van de vetvorming, het malscher en fijner

worden van 't vleesch en de vermindering van de vruchtbaarheid. Het

klimaat, de aard van den bodem, de wijze van fokken en de kruising

hebben ook een zekeren invloed op de kleur; daarom heeft in sommige

gewesten deze, in andere gene kleur de overhand. Zoo ziet men in

Spanje bijna niet anders dan zwarte Varkens, terwijl deze bij ons in

't noorden zeldzaam zijn.

De Varkens wonen en worden gemest in een hok, of wel gedurende

een groot deel van 't jaar in de open lucht gehoed. De in een hok

opgesloten dieren worden grooter en vetter, maar zijn zwakker en aan

meer ziekten blootgesteld dan die, welke gedurende een groot deel

van hun leven in de vrije natuur verkeeren; deze staan gewoonlijk een

weinig hooger op de pooten; zij zijn magerder, maar veel krachtiger,

zelfstandiger en moediger dan gene. Niet alleen in Amerika houdt men de

varkens om zoo te zeggen in 't bosch, maar ook in de meeste provinciën

van Rusland, in de lage landen langs den Donau, in Griekenland,

Italië, het zuiden van Frankrijk en in Spanje. In Skandinavië loopen

de Varkens, altijd gedurende den geheelen zomer, naar vrije verkiezing

rond, ieder met een klein, driehoekig, houten gareel om den hals,

dat hun het doordringen in de omheinde eigendommen verhindert, maar

hen overigens niet hindert. Als men door Noorwegen reist, ziet men

de Varkens op hun gemak langs de wegen loopen, hier allerlei afval

opzoeken en op andere wijze in hun onderhoud voorzien. In het zuiden

van Hongarije, in Kroatië, Slavonië, Bosnië, Servië, Turkije en Spanje

worden de Varkens gedurende het geheele jaar aan zich zelf overgelaten;

men past er alleen maar op, dat zij niet te ver afdwalen. Zij maken

hier gebruik van al wat het bosch oplevert, en verkeeren vooral in de

eikenwouden in de meest gunstige omstandigheden om zich te voeden en

vet te worden. In Spanje komen zij tot op groote hoogte in 't gebergte

voor; in de Sierra Nevada b.v. tot op 2500 M.; zij maken landstreken

productief, waar andere dieren niet veel vinden zouden. Door het

leven in de vrije natuur hebben al hunne lichamelijke en geestelijke

vermogens zich hooger ontwikkeld. Zij loopen behendig, klimmen goed

en dragen zelf zorg voor hun veiligheid. Bij de zoogenaamde half-wilde

varkensteelt laat men de Zwijnen gedurende den zomer vrij rondloopen,

maar houdt en voedert ze 's winters in den stal.

Ten onrechte heeft men gemeend, dat drek en vuil voor den welstand

van het Varken onontbeerlijk zijn. Uit de ervaringen van lateren

tijd is gebleken, dat ook dit huisdier veel beter gedijt, wanneer

het rein gehouden wordt, dan wanneer het voortdurend in 't vuil

ligt; daarom sluiten de ontwikkelde veefokkers tegenwoordig

hunne Varkens niet meer op in de afschuwelijke gevangenissen,

welker onreinheid spreekwoordelijk is geworden, maar vervangen de

ouderwetsche varkenshokken door ruime, luchtige woonplaatsen, die

gemakkelijk gereinigd kunnen worden; zij fokken op deze wijze veel

gezonder en krachtiger Varkens dan die, welke in kleine, vuile hokken

leven. Wenschelijk is het den bodem van den stal met platte steenen

te bevloeren.

Het Tamme Zwijn is vraatzuchtig, weerspannig en onhandig; het toont

weinig gehechtheid aan den mensch. Er zijn echter uitzonderingen op

dezen regel. Varkens, die van hun jeugd af meer in het menschelijk

gezin dan in de eenzaamheid geleefd hebben, zooals men ze op

het platte land niet zelden vindt, oefenen hunne geestvermogens,

en worden veel verstandiger dan andere dieren van hun soort. Een

houtvester verhaalde mij, dat hij een tijdlang een klein, zoogenaamd

Chineesch Varken gehad heeft, dat hem als een hondje naliep, naar

den naam, dien hij het gegeven had, luisterde, dadelijk kwam, als

het geroepen werd, met hem den trap opging, zich in de kamer zeer

fatsoenlijk gedroeg, aan bevelen gehoorzaamde en velerlei kunstjes

verrichtte. Het was afgericht om in het bosch morilles te zoeken

en volbracht deze taak met veel ijver. Vooral in Frankrijk worden

Zwijnen voor het truffels-zoeken gebruikt. Ook velerlei andere

kunststukken kunnen zij leeren. Toen Lodewijk XI ziek was, was

niets in staat den droefgeestigen koning aan 't lachen te brengen,

totdat een troep goed afgerichte varkentjes voor hem werd gebracht,

die, op vreemdsoortige wijze uitgedost, op de tonen van een doedelzak

dansten en sprongen. Andere Varkens heeft men geleerd, de woorden die

men hun voorzeide, uit groot gedrukte letters samen te voegen, op een

horloge te zien, hoe laat het is, enz.--Een Engelschman had een Zwijn

voor de jacht afgericht, "_Sloed_", gelijk het dier genoemd werd,

hield bijzonder veel van jagen en ging oogenblikkelijk met iederen

jager mede. Hij was geschikt voor alle jachtbedrijven, behalve voor

de jacht op Hazen; om deze dieren scheen hij niet te geven. Hij had

zulk een fijnen neus, dat hij een Vogel reeds op een afstand van

40 schreden opmerkte. Men gebruikte Sloed verscheidene jaren, maar

was eindelijk genoodzaakt hem te dooden, omdat hij de Schapen niet

lijden mocht en in de kudden schrik veroorzaakte. Andere Zwijnen heeft

men afgericht om een wagen te trekken. Een boer in de nabijheid van

het vlek St. Albans bezocht deze plaats dikwijls in een wagen door

vier Varkens getrokken; hij reed in een zonderlingen galop één- of

tweemaal het marktplein rond, voederde zijn vierspan en keerde eenige

uren later naar huis terug. Een andere boer wedde, dat hij, op zijn

Zwijn gezeten, in één uur van zijn huis, vier Engelsche mijlen ver,

naar Norfolk zou rijden, en won de weddenschap.

Uit deze verhalen blijkt, dat het Zwijn geschikt is om afgericht te

worden, of, wat hetzelfde beteekent, dat men zijne geestvermogens

niet gering achten moet. Zonderling is het feit, dat Zwijnen altijd

een zekeren afschuw voor Honden hebben. Tamme zoowel als Wilde Zwijnen

zien er geen bezwaar in om, als de gelegenheid zich voordoet, krengen

te vreten; naar men zegt, raken zij hondenvleesch niet aan. Daarentegen

loopen vreemde Honden gevaar door de samengerotte Zwijnen van een dorp

aangevallen te worden. Jagers of wandelaars, die met hunne Honden een

dorp bezoeken, waar de Varkens in het veld gehoed worden, hebben alle

reden om voorzichtig te zijn.

Over 't algemeen is het Tamme Zwijn een echte alleseter. Er bestaat

werkelijk bijna geen voedingsstof, die door dit dier versmaad

wordt. Eenige planten raakt het niet aan en scherpe kruiderijen kunnen

zijn dood veroorzaken: overigens verslindt het al wat ook door den

mensch gegeten wordt, en nog honderd andere zaken bovendien. Het

ontleent zijn voedsel even graag aan het plantenrijk als aan het

dierenrijk. Op braakliggende velden en stoppel-akkers is het nuttig,

omdat het hier Muizen, engerlingen, Slakken, Regenwormen, Sprinkhanen,

vlinderpoppen en allerlei onkruid verdelgt, daarbij zeer vet wordt en

ook den grond los maakt. Zwarte Zwijnen verdienen trouwens, naar men

zegt, in zoover de voorkeur boven die, welke een andere kleur hebben,

omdat zij zonder nadeel allerlei vergiftige planten opeten kunnen;

men beweert, dat dit de reden is, waarom zij in sommige streken de

overhand hebben, of zelfs met uitsluiting van alle overige voorkomen.

Hoewel het voor het mesten van de Varkens bevorderlijk is, dat zij zich

niet veel bewegen, moet men echter aan die, welke voor de fokkerij

bestemd zijn, eenige speelruimte gunnen. Noodzakelijk is het ook,

dat hunne stallen zindelijk en warm zijn. De paring heeft gewoonlijk

tweemaal in 't jaar plaats (in 't begin van April en in September),

soms ook driemaal in de twee jaren. Na 16 à 18 weken werpt het Tamme

Zwijn 4 à 6, soms 12 à 15, en bij uitzondering 20 à 24 jongen. De

moeder behandelt hare jongen niet zorgvuldig; dikwijls maakt zij niet

eens een leger voor de biggen gereed. Niet zelden komt het voor, dat

zij, als de talrijke kinderschaar haar te lastig wordt, eenige van de

kleintjes opvreet; gewoonlijk doet zij dit, nadat zij ze vooraf heeft

doodgedrukt. Sommige zeugen moet men na het biggen in 't oog houden

en haar reeds lang vóór het werpen het dierlijk voedsel onthouden. De

jongen van goede moeders laat men 4 weken zuigen, zonder dat men zich

intusschen verder om hen behoeft te bekommeren. Daarna neemt men

ze weg, en voedert ze met gemakkelijk verteerbare voedingsstoffen

groot. De groei heeft zeer schielijk plaats; reeds in de achtste

maand is het Varken voor de voortplanting geschikt.

Over het gebruik, dat men van het geslachte Varken maakt, behoef ik

hier niets te zeggen; iedereen weet, dat eigenlijk geen enkel deel

van dit dier weggeworpen wordt.

Op de tot dusver genoemde Zwijnen moeten wij de _Knobbelzwijnen_

(_Potamochoerus_) laten volgen; deze zijn ongetwijfeld de fraaiste

leden van de geheele groep; zij onderscheiden zich door het bezit

van een beenigen knobbel tusschen het oog en den neus, door het meer

verlengde aangezichtsgedeelte van den kop, den middelmatig langen

en fijn gebouwden snuit, de groote, smalle, scherp toegespitste en

met een haarkwastje versierde ooren, den middelmatig langen, ruig

behaarden staart en door de vier tepels van het wijfje.

Reeds sedert het midden van de 17e eeuw kent men het _Penseelzwijn_

(_Potamochoerus porcus_), het fraaiste van alle Zwijnen. Het is

aanmerkelijk kleiner dan het Wilde Zwijn, maar bereikt toch, als het

volkomen ontwikkeld is, een lengte van 1.5 à 1.6 M., met inbegrip

van den 25 cM. langen staart; de schouderhoogte bedraagt dan 55 à 60

cM. De huid is met korte en zachte, borstelige haren bekleed, die op

de ruggegraat korte en zwakke manen vormen; onder het oog ontwikkelen

zij zich tot een bos, op de wangen tot een dichten bakkebaard, op

de spits van den overigens kalen staart eindelijk tot een ruigen

kwast. Een fraai en vroolijk, naar geelachtig zweemend bruinrood,

de heerschende kleur, strekt zich uit over den nek, den achterhals,

den rug en de zijden; het voorhoofd, de kruin en de ooren, benevens

de pooten zijn zwart; de rugmanen, het haarkwastje op het oor,

de wenkbrauwstreek, een streep onder het oog en de bakkebaard zijn

wit. Dit dier is voornamelijk in West-Afrika inheemsch; Böhm bericht

evenwel, dat hij het ook eenige malen in Oost-Afrika heeft gezien.

Over het leven van het Penseelzwijn in vrijen toestand zijn de

berichten nog zeer schaarsch. De Loango-expeditie onder de leiding

van Güszfeldt kreeg meermalen jonge Penseelzwijnen; één daarvan,

die in het apenhuis werd ingekwartierd, kon zeer goed overweg met

zijne huisgenooten en vermaakte de toeschouwers door zijn potsierlijke

opgewektheid. Van de in 't wild levende dieren zegt Pechuel-Loesche:

"Het zijn levendige en zeer vlugge zwijnen. Naar hun spoor te

oordeelen, trekken zij steeds in groote troepen bij de rivieren

langs, vooral in de vochtige wouden, hoewel zij ook in het gebergte

niet zeldzaam zijn. Men hoort ze menigmaal dicht naast zich in het

kreupelhout knorren, nog vaker echter op een zeer eigenaardige,

tevreden wijze brommen. Als zij opgejaagd worden, laten zij zelden

hun stem hooren, maar trekken zich veeleer, op de hen beschuttende

boomen en struiken vertrouwend, zonder gedruisch te maken terug. Zij

hebben een taai leven en gaan met een goed gemikte kogel dikwijls

nog ver door. Zij leveren een smakelijk wildbraad."

Evenals alle soorten van Zwijnen zijn ook deze vrij goed bestand tegen

ons klimaat; zij verdragen het verblijf in onze dierentuinen goed,

wanneer zij althans beschut worden tegen strenge winterkoude. Er zou

reden zijn om een goede verwachting te koesteren van het aanfokken

dezer dieren, indien de moeder hare jongen maar beter wilden verzorgen,

dan de zeugen, welke in de gevangenschap jongen wierpen, tot dusver

deden.

Een tweede soort van hetzelfde geslacht--het _Boschvarken_ van

de Zuid-Afrikaansche Boeren, ook _Rivierzwijn_ of _Maskerzwijn_

genoemd--(_Potamochoerus africanus_), komt naar het schijnt, alleen

in Zuid- en Oost-Afrika voor. Het is iets grooter dan de vorige soort

en tamelijk gelijkmatig behaard, met uitzondering van de liggende

nekmanen en den tamelijk dichten bakkebaard. Zoowel de baard als de

manen zijn witachtig grijs, het aangezicht is vaalgrijs, overigens

is het lichaam roodachtig grijsbruin.

Op Celebes en de naburige, verder oostwaarts liggende eilanden,

(n.l. de Soela-eilanden, Mangola en Boeroe) leeft een zeer eigenaardig

Zwijn. Het is veel slanker en hooger op de pooten dan zijne verwanten;

het onderscheidt zich echter van deze vooral door zijne hoektanden,

die wegens de buitengewone lengte, welke zij bereiken, aan hoornen

herinneren. De Europeanen hebben den naam _Babiroesa_, dien dit

dier in zijn vaderland draagt, onveranderd overgenomen of door zijn

letterlijke vertaling "Hertzwijn" vervangen, omdat hij de meest in

't oogloopende eigenaardigheid van dit dier duidelijk uitdrukt. Door

zijne hoektanden verschilt de Babiroesa van alle overige leden zijner

familie; terecht wordt hij als vertegenwoordiger van een afzonderlijk

geslacht (_Porcus_) aangemerkt.

Het _Hertzwijn_ (_Porcus babyrussa_) is een dier van aanzienlijke

grootte. De jagers uit den laatsten tijd beweren, dat zij

enkele exemplaren hebben gezien, even groot als een middelmatige

Ezel. Gemiddeld zal de lichaamslengte van het volwassen dier wel 1.1

M., de staartlengte 20 cM., de hoogte van de schoft en van het kruis

80 cM. bedragen. De romp is langwerpig, de rug zwak gewelfd, de kop

betrekkelijk klein; de pooten zijn krachtig, maar betrekkelijk lang, de

voorste zoowel als de achterste met vier teenen voorzien; de staart is

dun en hangt naar beneden. De hoektanden van de bovenkaak zijn bij het

mannetje buitengewoon lang, dun en spits, aan de voorzijde afgerond,

zijdelings samengedrukt en aan de achterzijde stomp wigvormig. Zij

zijn bovenwaarts en tevens achterwaarts gericht, zoodat zij op

lateren leeftijd soms in de voorhoofdshuid doordringen. In bovenwaarts

gerichte tandkassen bevestigd (het bovenkaaksbeen is op deze plaats

als 't ware buitenwaarts omgebogen) en door de bovendeelen van den

snuit heengroeiend, vormen zij de helft of nog een grooter deel

van een cirkel. De onderkaakshoektanden zijn eveneens lang, vooral

als men het in de tandkas verborgen deel mederekent; ook zij zijn,

hoewel met een flauwere bocht, achterwaarts gekromd. Bij het wijfje

zijn de hoektanden zeer kort. Daar de hoektanden van deze (evenals

die van andere) Zwijnen open wortels hebben, groeien zij steeds

door; daar bovendien hun afslijting meestal betrekkelijk gering

is, kunnen zij een zeer aanzienlijke hoogte bereiken; soms is het

boven de huid zich verheffende deel van de bovenkaakshoektanden

langs de kromming gemeten wel 25 cM. lang.--Het haarkleed bestaat

uit verspreide, tamelijk korte borstels, die langs de ruggegraat,

tusschen de talrijke rimpels van de huid en aan de spits van den

staart, waar zij een kleinen kwast vormen, dichter bijeengeplaatst

zijn dan op de overige lichaamsdeelen. De huid is dik, hard, ruw,

sterk gerimpeld en vertoont diepe plooien aan het aangezicht, om de

ooren en aan den hals. De algemeene kleur is vuil aschgrauw op de

buiten- en bovenzijde, en roestrood aan de binnenzijde der pooten;

over het midden van den rug loopt een blauwachtig gele streep, gevormd

door de spitsen der borstelige haren. De ooren zijn zwartachtig.

Naar het schijnt, is het Hertzwijn reeds aan de ouden bekend

geweest. Schedels van den Babiroesa kende men reeds voor vele honderden

van jaren; de vellen werden echter in vroegeren tijd evenals nu,

zeer zelden naar Europa gebracht; de afbeeldingen van dit dier waren

caricaturen, en zijn levensbeschrijving was een samenraapsel van

de ongerijmdste sprookjes.--"Ook thans nog," zegt Wallace, "is het

moeielijk te begrijpen, wat het nut kan zijn van deze zonderlinge,

op horens gelijkende tanden. Oudere schrijvers hebben de gissing

gewaagd, dat zij als haken zouden dienen, waardoor het dier in staat

gesteld wordt zijn kop op een tak te laten rusten. Daar zij juist

op de hoogte van de oogen uiteenwijken en over deze heengroeien,

hebben andere reizigers de veel waarschijnlijker meening geopperd,

dat zij zouden dienen om de oogen voor beschadiging te vrijwaren,

terwijl het dier in de verwarde, met rotans en andere doornachtige

planten doorgroeide wildernissen afgevallen vruchten zoekt. Bij

nadere overweging bevredigt ook deze verklaring niet, omdat de zeug,

die op dezelfde wijze voedsel moet zoeken, deze beschermingsmiddelen

mist. Eerder zou ik geneigd zijn te gelooven, dat deze slagtanden

wel nuttig waren voor de voorouders van den Babiroesa, en bij hen

door het gebruik even sterk afsleten, als zij aangroeiden, maar dat

zij, door een wijziging der levensomstandigheden overtollig geworden

zijnde, zich nu ontwikkelen tot een monsterachtige grootte, evenals de

snijtanden van een Bever of van een Konijn steeds zullen doorgroeien,

als zij niet door de tegenovergestelde tanden worden afgeslepen. Bij

oude dieren krijgen zij een verbazende grootte, maar zijn zij veelal

afgebroken, als waren zij verminkt in een gevecht. De Babiroesa

vertoont eenige overeenkomst met het Afrikaansche Boschvarken, welks

bovenkaakshoektanden eveneens naar buiten groeien en omkrullen. In

andere opzichten schijnt er geen verwantschap tusschen deze dieren

te bestaan: de Babiroesa staat geheel op zich zelf, gelijkt niet op

de Zwijnen van eenig ander deel der wereld."

Behalve op Celebes, dat als het eigenlijke vaderland van den

Babiroesa moet worden beschouwd, komt het alleen nog op de hierboven

genoemde eilanden voor; op de overige eilanden van de Australische

Middellandsche Zee en ook op het Aziatische en het Australische

vasteland ontbreekt hij. In levenswijze komt hij met de andere Zwijnen

overeen. Moerassige wouden, rietbosschen, broekland en meren, waarin

vele waterplanten groeien, zijn de liefste verblijfplaatsen van deze

dieren. Hier vereenigen zij zich tot meer of minder groote troepen;

zij slapen over dag en gaan 's nachts fourageeren; al wat gegeten kan

worden is van hun gading. Het Hertzwijn ontwijkt den mensch, zoolang

het kan, stelt zich echter, wanneer een vijandelijke ontmoeting

onvermijdelijk is, met evenveel moed als alle andere Evers te weer;

zijn onderkaakshoektanden zijn zulke vreeselijke wapens, dat zij

zelfs den moedigsten man aanleiding zouden kunnen geven tot eenige

aarzeling. De inboorlingen dooden het, naar gezegd wordt, met lansen

en houden dikwijls drijfjachten, waarbij de Babiroesas gewoon zijn

hun heil te zoeken in de vlucht.

Naar gezegd wordt, werpt de zeug omstreeks de maand Februari 1 of

2 jongen: kleine, aardige biggen van 15 à 20 cM. lengte, die door

de moeder met veel liefde verzorgd en verdedigd worden. Als men deze

dieren vangt, terwijl zij nog zeer jong zijn, nemen zij langzamerhand

een zekeren graad van tamheid aan en geraken aan den mensch gewoon;

soms volgen zij hem zelfs en toonen hun dankbaarheid door de ooren te

bewegen en met den staart te kwispelen. De opperhoofden hebben soms een

levenden Babiroesa op hun erf, daar ook de inboorlingen hem als een

zeer vreemdsoortig dier beschouwen en wegens zijn bezienswaardigheid

in gevangenschap houden. Dit geschiedt echter slechts zelden en men

verlangt hooge prijzen voor getemde Zwijnen van deze soort.

De Fransche natuuronderzoekers Quoy en Gaimard, die op hun reis om

de wereld ook de Molukken bezochten, kregen van den Nederlandschen

gouverneur Markus een paar Hertzwijnen ten geschenke; dit paar was het

eerste, dat (in 1820) levend naar Europa werd gebracht. Beide dieren

werden tamelijk tam. Voor de koude waren deze gevangen Babiroesas

zeer gevoelig. In Maart wierp het wijfje een donkerbruin jong en was

van dit oogenblik af zeer prikkelbaar en kwaadaardig; zij wilde niet

hebben, dat iemand haar kind aanraakte, verscheurde de kleederen van

hare oppassers en trachtte iedereen te bijten. Ongelukkig bleven deze

dieren niet lang in leven. Het koude klimaat werd hun noodlottig. Het

jong, een mannetje, groeide voorspoedig op en had binnen weinige

weken een aanzienlijke grootte bereikt. Het stierf, voordat het twee

jaar oud was geworden. Later, maar altijd als groote zeldzaamheid,

kwamen andere levende Hertzwijnen in den Londenschen dierentuin,

waar zij meer of minder lang geleefd hebben.

Behalve de Penseelzwijnen en de Boschvarkens bevat Afrika nog

andere, werkelijk monsterachtige leden van dezelfde familie,

n.l. _Breedsnuitige Zwijnen_ of _Wrattenzwijnen_ (_Phacochoerus_). Zij

zijn de plompste en leelijkste van alle bekende Borsteldieren en

onderscheiden zich vooral door hun wanstaltigen kop en eigenaardig

gebit. Hun romp is rolvormig, de hals kort, de kop kolossaal,

het breede voorhoofd laag. De snuit is over zijn geheele lengte,

vooral aan de bovenlip, buitengewoon sterk verbreed en wordt aan

weerszijden ontsierd door drie wratvormige verhevenheden: een daarvan,

die zich onder het oog bevindt, is verscheidene centimeters hoog,

loopt puntig toe en kan bewogen worden; een andere, kleinere, staat

rechtop, en is verder naar voren aan de bovenkaak geplaatst; de derde

is op de plaats van aanhechting aan de onderkaak zeer lang en strekt

zich in overlangsche richting tot bij de mondspleet uit. De kleine

oogen puilen uit, evenals die van het Nijlpaard, de wroetschijf aan

't einde van den snuit is breed en vormt een van boven naar onderen

samengedrukt eirond. De huid is, met uitzondering van den bakkebaard en

van de rugmanen, slechts met zeer korte, meestal geheel afzonderlijk

staande borstels bekleed. Het gebit bevat oorspronkelijk 6 snijtanden

in elke kaak, waarop reusachtige overlangs gevoerde slagtanden volgen,

die evenals bij het Zwijn alle naar boven groeien; er zijn 6 kiezen

in elke kaak. Dit dier heeft dus 40 tanden in 't geheel; gewoonlijk

vallen echter niet alleen de kiezen, maar ook de snijtanden voor

't meerendeel uit.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen · 第 26 / 28 段