schade door het vernielen van planten, maar bedreigt soms ook het leven
van menschen en dieren. De vier kolossale hoektanden zijn vreeselijke
wapens: Rüppell bericht, dat een Nijlpaard vier trekossen doodbeet,
die rustig bij een scheprad stonden. "Aan den Kingani," verhaalt Böhm,
"werden twee vrouwen, die 's avonds, luid met elkander sprekend, dicht
bij eenige laveiende Nijlpaarden langs gingen, door een dezer dieren,
dat hen plotseling overviel, met eenige beten zoo hevig gewond, dat
zij kort daarna stierven." Niet overal echter worden de Nijlpaarden
beschouwd als dieren, die buitengewoon te duchten zijn, en altijd
geneigd zijn om onheil te stichten; in sommige gewesten vreest
men ze op het land niet, maar wel in het water. Groote vaartuigen
loopen zelden gevaar; lichte schuiten worden echter dikwijls, hetzij
toevallig of opzettelijk, leelijk toegetakeld. "Luitenant Vidal,"
bericht Owen, "had in een lichte boot juist zijn vaart op de rivier
Tembi in Zuidwest-Afrika aangevangen, toen plotseling een buitengewoon
hevige schok van onderen tegen het vaartuig den achtersteven bijna
boven het water ophief en den stuurman overboord slingerde. In het
volgende oogenblik kwam een kolossaal Nijlpaard boven water, zwom met
geopenden muil woest en dreigend op de boot af, greep haar met zijne
vreeselijke kaken en rukte zeven planken te gelijk los; hierop verdween
het, maar kwam terug om zijn aanval te hernieuwen, die men evenwel
kon keeren, door het dier in 't aangezicht te schieten. De boot, die
onmiddellijk vol water liep, was gelukkig zoo dicht bij den oever,
dat men dezen nog kon bereiken, vóór zij zonk. Waarschijnlijk had het
vaartuig den rug aangeraakt van het dier, dat, hierdoor vertoornd,
zich door den aanval op de boot had willen wreken."
Dergelijke verhalen, op velerlei wijzen opgesierd en vermenigvuldigd,
zijn in omloop in vele, hoewel niet in alle gewesten, die door onze
Dikhuidigen bewoond worden. Zij zouden den hoorder tot het denkbeeld
kunnen brengen, dat zulke ongevallen zeer alledaagsch zijn. Deze
meening is echter even onjuist als de voorstelling, dat ongelukken bij
de spoorwegdienst tot de zeer gewone gebeurtenissen behooren. Daar waar
Nijlpaarden aangetroffen worden, komen zij vaak in betrekkelijk groot
aantal voor; indien de Nijlpaarden werkelijk zoo gevaarlijk waren,
zou het verkeer op rivieren, die zoo bevolkt zijn, ten slotte geheel
moeten ophouden, of althans veel belemmering ondervinden. Hiervan
is echter niets te bespeuren. Tallooze malen varen booten, die uit
één uitgeholden boomstam vervaardigd zijn en gemakkelijk omkantelen,
langs de reusachtige dieren en tusschen hen door, zonder van hen last
te ondervinden. Indien echter een Nijlpaard, misschien toevallig bij
het bovenkomen, een schuit aanraakt of omwerpt of zelfs beschadigt,
omdat het geschrokken is en aangevallen meent te zijn, dan wordt van
zulk een voorval--zoo is nu eenmaal de aard van den mensch--zooveel
ophef gemaakt, dat de zeer zeldzame uitzondering ten slotte als regel
wordt beschouwd.
Het gevaarlijkst is het Nijlpaard, als het een jong heeft te
beschermen. Over de voortplanting, de geboorte der jongen en den
duur van den draagtijd, heeft men in den laatsten tijd waarnemingen
gedaan bij gevangen exemplaren; daar het reeds eenige malen is
voorgekomen, dat Nijlpaarden in een dierentuin het eerste levenslicht
aanschouwden. Van de voortplanting van het in vrijheid levende dier
weet men alleen, dat het wijfje ongeveer in het eerste derde gedeelte
van het regenseizoen één jong werpt; in dezen tijd is het meeste en het
saprijkste voedsel te vinden; de maand waarin de jongen geboren worden,
is dus voor vele landen van Afrika verschillend, in verband met het
tijdstip, waarop hier de lente der keerkringsgewesten aanvangt. De
moeder, bezield met teedere zorg voor haar kind, ziet reeds in de
onbeduidenste verschijnselen gevaar; misschien houdt ook de vader een
wakend oog op zijn spruit. De moeder is gemakkelijk te herkennen: zij
houdt haar kind voortdurend in 't oog en let met moederlijke trots
en liefderijke bekommering op al zijne bewegingen. Soms stoeit het
onbehouwen dier vroolijk met zijn lieveling: beide duiken spelend
onder, komen weer boven en onderhouden zich met elkander door
gebaren. Met zekerheid weet men, dat het jong in het water gezoogd
wordt. Volgens Von Heuglin gebeurt het echter ook wel, dat het wijfje
haar jong ter wereld brengt in een zoo goed mogelijk verborgen leger
op het land of in een moeras; zij neemt het niet altijd onmiddellijk
mede naar de rivier, maar verbergt het soms in een kuil, dien het jong,
zonder de hulp van het volwassen dier niet verlaten kan. In het water
draagt de moeder haar kind gewoonlijk op den nek; zij licht het, om
het te laten ademen, vaker boven den waterspiegel op, dan zij zelf
de neusgaten er boven verheft.
De blinde woede van een vertoornd Nijlpaard toont duidelijk genoeg,
dat de jacht op dit dier vuurwapenen vereischt, waarmede zeer zware
ladingen geschoten kunnen worden; zij is dus voor zondagsjagers geen
geschikte uitspanning. Lichte bukskogels hebben, zelfs wanneer zij
van nabij afgeschoten worden, zoogoed als geen uitwerking. "Met één
van de Nijlpaarden, dat wij doodden," verhaalt Rüppell, "streden
wij gedurende vier uren. Er scheelde maar weinig aan, of het logge
beest had onze groote schuit en met haar ons allen vernield. De
25 geweerkogels, waarmede wij op een afstand van ongeveer 2 M. den
kop van het monster troffen, hadden slechts de huid en de beenderen
van den neus doorboord. Alle andere kogels waren in de dikke huid
blijven zitten. Telkens als het ademhaalde, spoot het dier flinke
stralen bloed op de schuit. Eindelijk maakten wij gebruik van een
draaibas, wat wij aanvankelijk wegens den geringen afstand onnoodig
hadden geoordeeld. Maar eerst nadat wij hieruit vijf kogels op een
afstand van weinige meters hadden geschoten, waardoor een vreeselijke
vernieling in den kop en in den romp van den reus was teweeggebracht,
gaf deze den geest. De duisterheid van den nacht vermeerderde nog de
afgrijselijkheid van dezen strijd."
Reeds sinds den overouden tijd trouwens gaat men het monster te lijf
met werpspiesen en lansen; deze jacht had en heeft plaats zoo goed
en zoo kwaad, als zij met zulke wapens kan geschieden. In hoofdzaak
deed en doet men dit nog steeds op de wijze van de oude Egyptenaren,
wier jacht op Nijlpaarden wij door de afbeeldingen op gedenkteekenen
en door de berichten van eenige oude schrijvers kennen. De lans en een
bepaaldelijk voor dit doel bestemde werpspies met lijn en drijver,
zijn ook nog in dezen tijd de eenige wapenen, die de bewoners
van de gewesten aan den Boven-Nijl bij de jacht op het Nijlpaard
gebruiken. Omstreeks middernacht sluipt de spieswerper langs den oever
tot aan een plaats, waar de waterreuzen den stroom verlaten, verschuilt
zich hier in struiken onder den wind, en wacht, totdat een van zijn
weideplaats terugkeerend dier ongeveer met de helft van 't lichaam
te water is gegaan. Op dit oogenblik slingert de jager met al zijn
kracht het Nijlpaard den harpoen in 't lijf en vlucht, in de hoop,
dat het door den aanval verschrikte dier zich onmiddellijk te water
zal begeven. Dit gebeurt dan ook gewoonlijk, terwijl daarentegen het
monster, wanneer het de rivier verlaat om aan land te komen, in den
regel zijn tegenstander aanvalt. Onmiddellijk na dezen worp of den
volgenden morgen begeeft de jager zich met zijne helpers in een der
hiervoor gereedliggende booten, en zoekt het gewonde dier op, of liever
in de eerste plaats het drijvende uiteinde van den speerschacht of het
als drijver dienende blok hout. Zoodra zij deze merkteekens gevonden
hebben, roeien zij hoogst voorzichtig met gereed gehouden werpspiesen
en lansen nader en palmen de lijn in. Bij de geringste trekking aan
de lijn komt het Nijlpaard in razende woede aan de oppervlakte van 't
water, en stormt op de boot toe, waar het met een hagelbui van lansen
en spiesen ontvangen wordt, die het dikwijls nopen den terugtocht te
aanvaarden. Het komt echter niet zelden voor, dat het dier de schuit
bereikt en met zijne kolossale tanden vernielt. In het gunstigste geval
echter bestookt men het met alle wapens zoolang, totdat het sneuvelt.
Het voordeel dat deze jacht oplevert, is niet onbelangrijk. Het
vleesch van het monster wordt op prijs gesteld en evenals het spek
overal gegeten. In den goeden ouden tijd kenden de kolonisten van het
Kaapland bijna geen grooter feest dan de jacht op Nijlpaarden. Op
de plaats waar de strijd beslecht werd, sneed men het vleesch en
het spek van den gedooden reus af en nam het bij wagenvrachten mede
naar huis. Naar gezegd wordt, is het vleesch van de jonge dieren
zeer smakelijk en wordt aan het spek van de oude dieren de voorkeur
gegeven boven dat van het varken; de tong wordt, versch of gerookt,
als een lekkernij beschouwd. Dit laatste wordt door bijna alle jagers
bevestigd, over de waarde van het vleesch zijn velen echter van
een andere meening, daar zij het sponsachtig en smakeloos vinden. In
Oost-Afrika wordt nijlpaardenvet als de beste zalf voor het haar en het
lichaam beschouwd. Van de dikke huid vervaardigt men voortreffelijke
rijzweepen, stokken en schilden. De tanden zijn, volgens Westendorp,
voor vele fijn draaiersartikelen uitmuntend geschikt, daar de specie,
waaruit zij bestaan, door fijnheid, hardheid en witheid het eigenlijke
ivoor nog overtreft. Tegenwoordig worden de kromme tanden met f 2.40
à f 3.90, de rechte met f 3.60 à f 3.90 per KG. betaald.
De vangst van het ondier geschiedt op dezelfde wijze als de jacht. Hoe
de Romeinen het aanlegden om Nijlpaarden te vangen en te vervoeren,
weten wij niet; volgens de mededeelingen der oude schrijvers brachten
zij niet alleen jonge en onvolwassene, maar ook oude dieren naar
de hoofdstad van hun wereldrijk, om met hen hunne kampspelen en
triomftochten op te luisteren. Die, welke wij thans in Europa kunnen
zien, werden bijna zonder uitzondering jong gevangen. Het spreekt
van zelf, dat de moeder gedood moet worden, voordat men er aan
denken kan op het jonge dier jacht te maken. De blinde gehechtheid
van het kleine, plompe dier aan zijn moeder maakt echter de vangst
gemakkelijk. Het jong volgt de geharpoeneerde moeder overal na en
verlaat zelfs haar lijk niet. Men vangt het in een net, of werpt
het een harpoen in het lichaam op een plaats, waar dit wapen geen
gevaarlijke wonde veroorzaakt, en tracht het aan land te trekken. In
den beginne doet het zijn best zich los te rukken, laat een gillend,
doordringend geschreeuw hooren, evenals een Zwijn, dat gekeeld zal
worden, en geeft den jagers volop werk; het geraakt echter spoedig
aan den mensch gewoon en volgt hem na.
De ervaring heeft geleerd, dat het Nijlpaard het leven in de
gevangenschap, zelfs in Europa, gemakkelijk en gedurende langen tijd
verdragen kan. Als men een paar van deze dieren een verblijfplaats
verschaft, die naar hun aard is ingericht, d. w. z. waar zij zich
nu eens in 't water, dan weer op 't droge kunnen begeven, bestaat
er groote kans, dat zij nakomelingen zullen verkrijgen. Zij nemen
den kost voor lief, dien men gewoonlijk aan het Varken geeft. Het
eerste gevangen Nijlpaard, dat sedert den ouden tijd naar Europa werd
gebracht, en in 1850 in de Londensche diergaarde werd opgenomen, heb
ik te Kaïro gezien. Het had zich aan zijn verzorger zoozeer gehecht,
dat het hem als een Hond naliep en zich gemakkelijk liet regeeren.
Later kwamen twee Nijlpaarden te Parijs. In het jaar 1859 kreeg men
voor 't eerst twee jonge dieren van deze soort in Duitschland te zien
(een mannetje en een wijfje, het eigendom van den dierenhandelaar
Casanova, wiens echtgenoote er mede rondreisde). Deze zelfde
exemplaren werden in 1860 voor f 12.960 voor den Amsterdamschen
dierentuin aangekocht. In 1862 werd van dit paar een jong geboren,
dat echter van zijn moeder van den beginne af een ruwe en harde
behandeling ondervond; zij liet het niet zuigen, wierp het heen
en weer en toonde zich zeer opgewonden, toen zij van het mannetje
gescheiden werd. In weerwil van alle pogingen om het kunstmatig te
voeden, stierf het reeds twee dagen na de geboorte.
Westerman, de directeur van den Amsterdamschen dierentuin, heeft mij
later mondeling medegedeeld, dat hetzelfde wijfje nog andere jongen
ter wereld bracht, en wel steeds zeven à acht maanden na de paring;
de meeste van deze jongen werden door de moeder slecht behandeld. De
vader scheen steeds ijverzuchtig te zijn op zijn spruit; hij ging als
een dolleman te keer, bracht hierdoor ook het wijfje van streek en gaf
op deze wijze indirect aanleiding tot de verwijdering van het jong,
dat in de drie eerste gevallen niet lang leefde. Wel trachtte men het
diertje met koemelk groot te brengen, die in groote zuigflesschen werd
toegediend; ook kon men het er aan gewennen dit voedsel te gebruiken;
in het gunstigste geval echter bleef het hierdoor slechts twee à drie
weken op een armoedige wijze in 't leven. Eerst met het vierde jong,
dat in Augustus 1865 geboren werd, was men gelukkiger. Wel werd ook
nu gedurende de eerste weken de zuigflesch gebruikt, weldra echter
leerde men een eenvoudiger middel kennen om de zuigeling te voeden,
n.l. door de lauw-warme melk eenvoudig in een nap te gieten, het jonge
Nijlpaard er bij te lokken, de hand in de melk te steken en het dier
zijn voedsel te laten opleppen, terwijl het aan de vingers zoog. Op
deze wijze ledigde het den eenen nap na den anderen en groeide als
kool. Zeer dikwijls zorgde Westerman zelf voor deze voedering, die om
de drie of vier uur, 's nachts zoowel als over dag, herhaald moest
worden; dank zij deze toewijding gelukte het den jongen kolossus
groot te brengen. Na de tweede levensmaand begon het dier reeds nu
en dan salade, gras en ander plantaardig voedsel te gebruiken; toen
het zes maanden oud was, gedroeg het zich als een volwassene. Het
werd toen verkocht voor f 12.000, en op reis naar zijn toekomstige
woonplaats, New-York, eenigen tijd in het Kristallen Paleis te Sydenham
tentoongesteld. Dit geschiedde kort vóór den brand, die dit gebouw
vernielde, bij welke gelegenheid het dier om 't leven kwam. Een ander
jong werd in 1877 voor f 9.600 verkocht en heeft jaren lang in den
Londenschen dierentuin geleefd. In 't geheel werden van 1862 tot
1876 van dit paar 14 jongen geboren. Een van de beide Amsterdamsche
Nijlpaarden ontsnapte eenigen tijd later aan een groot gevaar. Bij
een bezoek van de weeskinderen aan Artis, had een der jongens de
aardigheid het wijfje een ledige flesch in den bek te werpen. Deze
werd verbrijzeld en ingeslikt, maar bracht geen nadeelige gevolgen
te weeg. Het mannetje stierf in 1884 aan verval van krachten; het
wijfje, dat sedert dien tijd het bassin alleen bewoonde, bezweek in
't begin van Oct. 1896.--Herhaaldelijk zijn ook in andere diergaarden
jonge Nijlpaarden geboren en groot gebracht.
Behalve den mensch ontmoet Behemot zelden een vijand, die voor hem
gevaarlijk kan worden. Daar waar de mensch niet komt, zal het Nijlpaard
waarschijnlijk een hoogen leeftijd bereiken. Hoewel het betrekkelijk
snel groeit, verloopen er toch vele jaren, voordat het zijn volle
grootte heeft bereikt. Vermoedelijk is het reeds in het tweede,
stellig in het derde levensjaar voor de voortplanting geschikt. Aan
gevangen exemplaren heeft men duidelijk kunnen waarnemen, dat het dier,
ook nog nadat het jongen heeft voortgebracht, gedurende verscheidene
jaren in grootte toeneemt. Als het later geheel volwassen is, groeien
zijne tanden nog steeds aan. Op welken leeftijd het verval van krachten
begint en hoe oud het dier kan worden, is nog niet uitgemaakt.
De tweede, nog levende vertegenwoordiger van de familie der
Nijlpaarden--het _Liberische Rivierpaard_ of, zooals men het ook zou
kunnen noemen, het _Dwergrivierpaard_ (_Hippopotamus liberiensis_)
is zeer veel kleiner dan de zooeven beschreven soort, en, naar het
schijnt, tot een klein verbreidingsgebied in Opper-Guinea beperkt. Van
zijn reusachtigen verwant onderscheidt het zich behalve door zijn
veel geringere grootte, ook door het ontbreken van één snijtand in
elke onderkaakshelft. Büttikofer, die versch gedoode dieren zag,
verzekert, dat hun rug leikleurig zwart, de buik vuil grijsachtig
wit, de zijden groenachtig leikleurig zijn. Een volwassen wijfje,
dat hij kreeg, woog volgens zijn schatting niet meer dan 400 KG. en
had bij een schouderhoogte van 76 cM. een totale lengte van 185 cM.,
waarvan 17 cM. op den staart komen.