voorkomen, bewonen de Borsteldieren bijna alle landen van de overige
werelddeelen. In groote, moerassige wouden van bergachtige of vlakke
gewesten, in vochtige wildernissen of andere ruig begroeide plaatsen,
op met lang gras bedekte, drassige vlakten en op akkers houden zij
verblijf. Alle zijn zeer gesteld op de nabijheid van water; zij zoeken
moerassen, poelen en de oevers van rivieren en meren op; hier maken
zij door in de modder te wroeten een leger, waarin zij gedurende
hun rusttijd dikwijls half in 't water liggen; enkele soorten vinden
ook wel een schuilplaats in groote gaten onder boomwortels. Voor 't
meerendeel zijn deze dieren gezellig van aard; de door hen gevormde
troepen zijn echter zelden zeer talrijk. Zij hebben een nachtelijke
levenswijze, want ook op plaatsen, waar zij geen gevaar behoeven te
vreezen, beginnen zij hunne werkzaamheden eerst, als de schemering
aanvangt. Zij zijn volstrekt niet zoo plomp en onbeholpen, als zij er
uitzien; integendeel, hunne bewegingen zijn betrekkelijk vlug. Hun
gang is tamelijk snel, zij draven flink, hun galop bestaat uit
een opeenvolging van eigenaardige sprongen, die alle gepaard gaan
met een veel beteekenend geknor. Alle zwemmen voortreffelijk; zij
trekken zelfs zeearmen over, om van het eene eiland op het andere
te komen. Ook de zintuigen van de Zwijnen, vooral de reuk en het
gehoor, zijn goed ontwikkeld; zij speuren en hooren uitmuntend. Naar
het schijnt, ziet het kleine en flauwe oog niet bijzonder scherp, en
zijn ook de smaak en het gevoel weinig ontwikkeld. Hoewel zij ieder
gevaar in den regel voorzichtig en schuw ontvlieden, zullen zij toch,
in 't nauw gebracht, zich dapper te weer stellen en dikwijls zelfs
zonder eenige aarzeling hunne tegenstanders aanvallen. Zij trachten
deze dan omver te loopen en met hunne scherpe hoektanden of "houwers"
te wonden; zij weten deze vreeselijke wapens werkelijk met zoo veel
behendigheid en met zoo groote kracht te gebruiken, dat zij zeer
gevaarlijk kunnen worden. De mannetjes (beren) verdedigen hunne wijfjes
(zeugen) en deze hare jongen (biggen) met veel zelfopoffering. De
zwijnen zijn onleerzaam en koppig en, naar het schijnt, voor geen
hoogeren graad van ontwikkeling vatbaar; over 't geheel genomen kan
men hunne eigenschappen niet bepaald innemend noemen. Hun stem is
een merkwaardig geknor, dat veel welbehagen en tevredenheid verraadt,
en dus van een blijmoedige levensopvatting getuigt. Van oude "beren"
hoort men ook wel een zwaar gebrom.
De Zwijnen zijn alleseters in de ruimste beteekenis van het woord. Alle
eetbare voorwerpen, die zij vinden, zijn van hun gading. Weinige
soorten voeden zich uitsluitend met plantaardige stoffen: wortels,
kruiden, veld- en boomvruchten, bollen, paddestoelen enz.; de overige
verslinden bovendien ook nog Insecten en hunne larven, Slakken,
Wormen, Kikvorschen, Muizen, ja zelfs Visschen, en bijzonder gaarne
krengen. Hun vraatzucht is zoo algemeen bekend, dat het niet noodig
is hierover uit te wijden; deze eigenschap beheerscht eigenlijk
alle overige, met uitzondering alleen van de voorbeeldelooze
onzindelijkheid, die hun de verachting van den mensch op den hals
heeft gehaald.
Slechts bij zeer weinige soorten werpt de zeug een gering aantal jongen
(of slechts één); de overige brengen vele jongen ter wereld, soms wel
24: dus meer dan eenig ander Zoogdier. De biggen zijn alleraardigste,
vroolijke, vlugge schepsels, waarin iedereen behagen zou scheppen,
indien zij niet van den eersten levensdag af de onzindelijkheid van
hunne ouders lieten blijken. Zij groeien merkwaardig snel en zijn
reeds op éénjarigen leeftijd voor de voortplanting geschikt; in alle
landen waar het leven hen vroolijk tegenlacht, krioelt het dan ook
van deze dieren; zelfs daar, waar men ze volstrekt niet ontziet,
kunnen zij hoogst moeielijk uitgeroeid worden.
Door hun buitengewoon sterk voortplantingsvermogen en hun
onverschilligheid voor gewijzigde omstandigheden zijn zij uitnemend
geschikt voor huisdieren. Weinige dieren laten zich zoo gemakkelijk
temmen, weinige verwilderen echter ook weer zoo licht als zij. Een
jong Wild Zwijn geraakt meestal spoedig aan de gevangenschap, aan het
leven in den smerigsten stal, gewoon; een als huisdier geboren Zwijn
wordt reeds, nadat hij weinige jaren in vrijheid heeft doorgebracht,
een wild en boosaardig dier, dat ternauwernood nog van zijne wilde
voorouders verschilt, en in den regel reeds bij den eersten worp
jongen voortbrengt, die volkomen op de echte Wilde Zwijnen gelijken.
Alle Wilde Zwijnen voegen den landbouwer zooveel schade toe, dat
zij niet geduld kunnen worden in gewesten waar de bodem bebouwd
wordt. Overal waar de mensch zich voor goed gevestigd heeft, worden
zij daarom zoo ijverig mogelijk vervolgd. De jacht op deze dieren wordt
als een der edelste jachtbedrijven aangemerkt, en heeft werkelijk zeer
veel aantrekkelijks, daar zij wezens betreft, die hun leven soms zeer
duur weten te verkoopen.
Alleen in de noordelijkste gewesten trouwens is de mensch de ergste
vijand van de in 't wild levende Zwijnen. De soorten, die in de
keerkringslanden wonen, worden aanhoudend vervolgd door de groote
leden van de familie der Katten en Honden, die soms een groote
slachting onder de zwijnenkudden aanrichten. Vossen, kleine Katten en
Roofvogels durven alleen biggen aanvallen; zij doen dit steeds met
groote voorzichtigheid, daar de zeug haar kroost krachtdadig weet
te verdedigen.
Alle soorten van Zwijnen gelijken op elkander, wat lichaamsbouw en aard
betreft. Het geringe verschil, dat tusschen hen bestaat, berust op
de meerdere of mindere slankheid van het lichaam, het aantal teenen
en tanden en de ontwikkeling der slagtanden. 44 tanden, 4 teenen
aan iederen voet en meestal 10 (minstens 8) tepels aan den buik van
't wijfje, eivormige, behaarde ooren en een middelmatig langen, aan de
spits ruig behaarden staart kenmerken de _Zwijnen_ in de meest beperkte
beteekenis van het woord (_Sus_), waarvan het Europeesche _Wilde Zwijn_
(de _Ever_, _sus scrofa_) een waardige vertegenwoordiger is. Dit sterk,
forsch en weerbaar dier bereikt een totale lengte van ruim 2 M. (1.8
M. zonder den 25 cM. langen staart), een schouderhoogte van 95 cM. en
een gewicht van 150 à 200 KG.; de grootte en het gewicht verschillen
evenwel aanmerkelijk naar de verblijfplaats, het jaargetijde en het
voedsel. De Wilde Zwijnen, die in moerassige streken leven, zijn
altijd grooter dan die, welke in droge wouden voorkomen; die, welke
op de eilanden van de Middellandsche Zee thuis behooren, staan altijd
achter bij die van het vasteland. Door zijn gestalte gelijkt het Wilde
Zwijn op zijn getemde afstammeling; zijn romp is echter korter en meer
gedrongen; de pooten zijn steviger, de kop iets langer en slanker,
de ooren staan meer overeind en zijn een weinig langer en spitser;
bovendien worden de slagtanden grooter en scherper bij het Wilde
dan bij het Tamme Zwijn. De kleur is verschillend, over 't algemeen
rechtvaardigt zij echter den jagersterm "Zwartwild"; want grijze,
roestkleurige, witte en gevlekte Wilde Zwijnen zijn zeldzaam. De
jongen hebben op grijs roodachtigen grond geelachtige strepen, die
tamelijk recht van voren naar achteren loopen, maar reeds in de eerste
levensmaanden verdwijnen. Het haarkleed bestaat uit stijve, lange en
spitse, aan den top dikwijls gespleten borstels; daartusschen staan
korte, fijne wolharen, die, in verband met het jaargetijde, meer of
minder overvloedig zijn. Aan den onderhals en den achterbuik zijn
de borstels naar voren, aan de overige lichaamsdeelen naar achteren
gericht; op den rug vormen zij een soort van kam of manen. Zwart
of roetkleurig bruin is hun gewone kleur, de spitsen zijn echter
geelachtig, grijs en roodachtig, hierdoor wordt de algemeene tint
iets lichter. De ooren zijn zwartbruin, de snuit en de onderste
helft van de pooten en klauwen zwart; aan het voorste gedeelte
van het aangezicht is het borstelkleed gewoonlijk gesprenkeld. De
roestkleurige en witgevlekte of half-zwarte en half-witte Zwijnen,
die op sommige plaatsen voorkomen, houdt men voor afstammelingen van
verwilderde Huiszwijnen, die indertijd losgelaten zijn om deze soort
van wild te vermeerderen.
Vroeger was het Wilde Zwijn over geheel Europa verbreid; in het midden
en in het zuiden van dit werelddeel kwam het overal veelvuldig voor. In
Nederland trof men het vooral aan in de bosschen van het oostelijke
gedeelte (o. a. in 't Groesbeeksche en 't Soerensche bosch); in sommige
was het zelfs tot in het begin dezer eeuw vrij talrijk; sedert ruim 50
jaar is het van hier verdwenen; het exemplaar dat in November 1861 te
Wehl, nabij 's Heerenberg, in de heerlijkheid van den graaf Van Golst
geschoten werd, kan men als een overlooper uit de naburige Pruisische
Rijnprovincie aanmerken. Ook in verscheidene andere Europeesche landen
en gewesten is het tot vreugde van allen, die in land- en boschbouw
belangstellen, en tot verdriet van alle jagers geheel uitgeroeid,
of leeft het nog maar alleen in wildparken. Zijn verbreidingsgebied
reikt niet verder dan tot 55° N.B. In Duitschland komt het in een
staat van volslagen wildheid steeds nog talrijker voor, dan den boer
lief is. Zoo vindt men het in den Elzas en in de Rijnlanden, in Hessen,
Nassau, Hannover, Pommeren, Oost- en West-Pruisen, ook hier en daar in
Brandenburg en Opper Silezië, Anhalt, Saksen en Thuringen; het is dus
eigenlijk alleen in de vlakten, die arm aan bosschen zijn en in eenige
kleine Duitsche Middelgebergten geheel verdelgd. Veelvuldiger nog
dan in Duitschland treft men het aan in enkele wouden van de Fransche
en Belgische gebergten, alsook in Polen, Galicië, Hongarije, de lage
landen van het Donau-gebied, Zuid-Rusland, het Balkan-Schiereiland,
Spanje en Portugal. In Azië wordt het gevonden van den Kaukasus tot
den Amoer en van 55° N.B. tot aan de noordelijke helling van den
Himalaja; in Afrika bewoont het alle voor zijn levenswijze geschikte
oorden van den geheelen noordelijken rand van dit werelddeel. Eerst
aan de overzijde van de hier aangeduide verbreidingsgrenzen wordt
het door andere soorten vervangen. Deze zijn gedeeltelijk nog niet
voldoende onderzocht en kunnen dus nog niet met zekerheid als goed
omschreven soorten aangenomen worden. Op het vasteland van Indië
heeft men het _Manenzwijn_ (_Sus cristatus_), op de Andamanen het
_Andamanische Zwijn_ (_Sus andamanensis_), op Borneo het _Baardzwijn_
(_Sus barbatus_), het _Gestreepte Zwijn_ (_Sus vittatus_) en het
Wrattenzwijn (_Sus verrucosus_); het Baardzwijn komt ook op Java en
Ceram voor; op Celebes leeft het _Celebes_-_zwijn_ (_Sus celebensis_),
op Timor het _Timor_-_zwijn_ (_Sus timorensis_), op Nieuw-Guinea het
_Papoea_-_Zwijn_ (_Sus papuensis_) en het _Zwarte Zwijn_ (_Sus niger_),
in Japan en op Formosa het _Witbaardzwijn_ (_Sus leucomystax_), in
het binnenland van Noordoost-Afrika eindelijk het _Sennaar_-_zwijn_
(_Sus sennarensis_). De sterke Indische Ever schuwt den strijd met
den Tijger in 't geheel niet en komt niet zelden als overwinnaar van
de kampplaats; trouwens alleen een zeer onervaren Tijger durft een
strijd met zulk een oud gediende aan te binden.
Vochtige en moerassige gewesten verschaffen op vele plaatsen aan Wilde
Zwijnen een verblijfplaats, om 't even of hier uitgestrekte bosschen
groeien, of dat de streek niet anders dan moerasplanten aanbiedt;
een groote voorliefde toonen zij echter voor uitgestrekte, jonge en
dichte naaldhoutbosschen. In vele streken van Egypte houden de Wilde
Zwijnen jaar in jaar uit in de suikerrietplantages verblijf, zonder
deze ooit te verlaten; zij vreten de riethalmen op, baden zich in
het water, dat over de velden wordt geleid en gevoelen zich hier zoo
goed thuis, dat geen pogingen om hen te verdrijven baten. Ook in Azië
verlaten zij op sommige plaatsen de wouden om althans tijdelijk zich te
vestigen in het hooge gras aan de oevers van stroomend en stilstaand
water. Om uit te rusten wroet het Zwijn een uitholling in den grond,
die juist groot genoeg is om zijn lichaam te bevatten; in dit leger
dat, als hiertoe een goede gelegenheid bestaat, bekleed wordt met
mos, droog gras en bladen, vleit het zich op zijn gemak neder. De
tot een troep vereenigde Zwijnen maken op dergelijke plaatsen een
gemeenschappelijk leger, waarin alle leden van het gezelschap zich
zóó neerleggen, dat de koppen naar het middenpunt gekeerd zijn.
De Wilde Zwijnen zijn zeer gezellige dieren, die gewoonlijk zich tot
troepen vereenigen: de zeugen leven in gezelschap van de biggen van
beneden het jaar, van de 1 à 1 1/2 jaar oude, voor de voortplanting
geschikte "overloopers" en van de jonge mannetjes, die minder dan 4
jaar oud zijn; oudere mannetjes vormen niet zelden een afzonderlijken
troep van "grove" zwijnen; de "beren" die een leeftijd van minstens
zeven jaar hebben, leven eenzaam en voegen zich eerst in den paartijd
bij den troep. Over dag liggen zij stil en lui in hun leger, tegen den
avond staan zij op om voedsel te zoeken. Hiertoe begeven zij zich naar
het bosch of naar een weiland, waar zij met den snuit in den grond
wroeten. Soms echter is hun eerste werk het opzoeken van een plas,
waarin zij zich een halfuurtje rondwentelen. Zulk een opfrissching
hebben zij, naar het schijnt, volstrekt noodig, dikwijls getroosten zij
zich een wandeling van eenige mijlen om een bad te kunnen nemen. Zij
wachten tot alles rustig is, voordat zij zich naar het bouwland
begeven; van de akkers, waarin zij eens doorgedrongen zijn, laten zij
zich zoo licht niet verdrijven. Als het graan begint vrucht te zetten,
is het zeer moeielijk ze er van af te houden en vernieling van den
oogst te voorkomen. Zij vreten veel minder dan zij verwoesten, vooral
hierdoor worden zij zoo buitengewoon schadelijk. In het woud en op de
weide zoekt het "Zwarte Wild" Wormen, truffels, larven van Insecten en
andere lagere dieren, in den herfst en in den winter echter afgevallen
eikels, beukels, hazelnoten, kastanjes in het bosch, aardappels, rapen,
graan en allerlei peulvruchten op den akker. Het Wild Zwijn vreet
trouwens behalve allerlei plantaardige ook verscheidene dierlijke
stoffen, o.a. gestorven vee, het op de jacht gedoode wild en zelfs
lijken van zijne soortgenooten. In sommige omstandigheden gedraagt
het zich als een Roofdier; het valt wildkalveren aan; ook vervolgt en
doodt het Reeën, Damherten en Edelherten, die aangeschoten of door
onvoldoende voeding verzwakt zijn; ingeval van nood vreet het zijn
eigen jongen op. Door voedselgebrek wordt het, vooral in strenge
winters, gedwongen tijdelijk een andere standplaats op te zoeken;
soms moet het hiervoor tamelijk groote reizen doen.
Door zijne eigenschappen gelijkt het Huiszwijn in vele opzichten nog
op zijn voorvader; men kan derhalve licht uit het eene dier afleiden,
hoe het andere is. Het spreekt van zelf, dat het Wilde Zwijn een veel
volkomener en moediger wezen is dan ons door de slavernij bedorven
staldier. Alle bewegingen van het Wilde Zwijn zijn, hoewel eenigszins
plomp en onbehouwen, toch snel en onstuimig. Het loopt tamelijk
vlug en bij voorkeur rechtuit; vooral de beer houdt er niet van
plotselinge wendingen te maken. Op verbazingwekkende wijze breken
de Wilde Zwijnen door wildernissen heen, die voor andere dieren
volkomen ondoordringbaar zijn. Zij zwemmen uitmuntend, soms zelfs
over zeer breede watervlakten, en door de zee van het eene eiland
naar het andere; men heeft opgemerkt, dat Zwijnen een afstand van 6
à 7 KM. met gemak doorzwemmen.
Alle Wilde Zwijnen zijn voorzichtig en bedachtzaam, maar eigenlijk
niet schuw, omdat zij op hun eigen kracht en hunne wapens kunnen
vertrouwen. Over 't algemeen zien zij bijzonder slecht, maar hooren en
ruiken zeer scherp. Hun reukzin behoeft niet onder te doen voor dien
van het Edelhert: op een afstand van 500 à 600 schreden kunnen zij
van een mensch de lucht krijgen; hun waakzaamheid neemt toe, zoodra
zij een versch spoor van een mensch ontmoeten. Hun inborst is een
zonderling mengelmoes van welgevallige rust, argelooze goedaardigheid,
uitgelatenheid en ongewone prikkelbaarheid. Zelfs het krachtigste
Zwijn zal, als het niet vertoornd is, den mensch geen kwaad doen;
alleen jegens den Hond is het altijd vijandig gezind; steeds tracht
het hem te wonden. Een Wild Zwijn, vooral een oude beer, verdraagt
echter geen beleediging; het duldt zelfs geen plagerij. Om een mensch,
die bedaard zijn weg vervolgt, bekommert het Wild Zwijn zich niet;
het gaat zelfs voor hem uit den weg; wanneer het dier echter geplaagd
wordt, gebeurt het niet zelden, dat het een man, al is deze gewapend,
onmiddellijk aanvalt. Dietrich aus dem Winckell verhaalt, dat hij
eens als onervaren jongeling een Zwijn, dat overigens geen spoor
van boosaardigheid toonde, in 't voorbijrijden met de zweep een
slag gaf, maar daarna zoo hard mogelijk moest rijden, om aan het
woedende dier te ontkomen. "Voor gewonde Wilde Zwijnen," zegt hij,
"heeft zelfs de jager reden om op zijn hoede te zijn. Ongeloofelijk
snel komt het Zwijn aanrennen, wanneer het een mensch of een
dier gaat aanvallen. Met zijne slagtanden brengt het krachtige,
gevaarlijke slagen toe; zelden echter houdt het zich onderweg op en
nog zeldzamer keert het weer terug. Het is zaak in zulke gevallen de
tegenwoordigheid van geest niet te verliezen, maar het Zwijn tot op
korten afstand te laten naderen, en nu schielijk achter een boom,
of, indien dit niet mogelijk is, eenvoudig ter zijde te springen;
het woedende dier, dat niet behendig van richting kan veranderen, zal
dan voorbijrennen. Hem, die voor deze middelen tot redding geen tijd
of gelegenheid heeft, zij het geraden op den grond te gaan liggen,
want de vechtende beer kan niet anders dan naar boven, nooit echter
naar onderen slaan." De zeug wordt niet zoo licht toornig als de beer,
maar is ongeveer even moedig. Hoewel zij met hare slagtanden geen
gevaarlijke wonden kan slaan, is zij vooral niet minder te vreezen
dan de beer, daar zij bij het dier, dat haar woedend heeft gemaakt,
staan blijft, het met de hoeven vertrapt en het groote stukken vleesch
uit het lichaam bijt. Ook jongere Zwijnen en zelfs biggen vallen den
mensch aan; de jongen worden met onwankelbaren moed door de oudere
dieren verdedigd. De zeugen, welker biggen nog klein zijn, geven de
vervolging van den roover van een harer kinderen niet spoedig op.
Als men de slagtanden van een goed ontwikkeld Zwijn beschouwt, begrijpt
men, dat deze wapens een vreeselijke werking kunnen uitoefenen. Zoowel
die van de onderkaak als die van de bovenkaak zijn wit en glanzig,
buitengewoon scherp en puntig; worden mettertijd door voortdurende
schuring tegen elkander steeds scherper en spitser. Hoe ouder het
Zwijn wordt, des te sterker krommen zich alle slagtanden, in verband
met hunne steeds toenemende lengte en dikte; de slagen die het dier
er mede kan toebrengen, zijn in de hoogste mate gevaarlijk en kunnen
doodelijke gevolgen hebben.--De stem van het Wilde Zwijn komt in alle
opzichten met die van ons tamme Zwijn overeen.
Tegen het einde van November begint de paartijd van de Wilde Zwijnen;
deze duurt ongeveer 4 of 5, misschien wel 6 weken; 18 à 20 weken na
de paring werpt of "bigt" de zeug; als zij jong is, bedraagt het
aantal biggen 4 à 6, bij oudere dieren 11 of 12. Vooraf heeft zij
zich in een eenzaam, dicht begroeid deel van het woud een met mos,
dennenaalden of bladen bekleed leger gereedgemaakt; het kroost,
waarvoor zij zooveel liefde gevoelt, houdt zij gedurende de eerste
14 dagen zorgvuldig in het leger verborgen; zij verlaat het slechts
zelden en voor korten tijd om voedsel te zoeken.
Een troep van deze jonge, fraai geteekende diertjes, levert een
alleraardigst schouwspel op: in hun prille jeugd zijn de biggen
allerliefste, bijzonder potsierlijke schepsels. Hun kleed staat hun
voortreffelijk; de vroolijkheid en moedwilligheid van de jonge Zwijnen
vormen een volledige tegenstelling met de traagheid en onhandelbaarheid
van hunne ouders. Vol ernst gaat de zeug voor hare biggen uit; deze
loopen schreeuwend en knorrend door elkander heen, gaan onophoudelijk
van elkaar af en komen weer terug, blijven een tijdlang ergens staan,
om in den grond te wroeten of om een plompe grap uit te halen;
daarna verdringen zij elkander weer om bij de moeder te komen, die
zij omringen en tot stilstaan dwingen, als zij verlangen te zuigen,
waarna zij vroolijk hun weg vervolgen; zoo gaat het gedurende den
geheelen nacht; zelfs over dag kan dit onrustige gezelschap zich
in het leger niet stil houden: de biggen krioelen onophoudelijk
dooreen.--De leeftijd dien het Wilde Zwijn bereiken kan, wordt 20
à 30 jaar geschat. Een tam Zwijn zou nooit zoo oud worden, zelfs
indien het door den mensch gespaard werd; het gemis van de vrijheid
en van het voor hem dienstige voedsel verkorten zijn leven. De Wilde
Zwijnen zijn waarschijnlijk slechts aan weinige ziekten onderhevig,
maar hebben vele vijanden, waarvan de Wolf en de Los in Midden-Europa
de voornaamste zijn; ook de sluwe Vos zal zich soms aan een bigje
vergrijpen; in zuidelijker gewesten maken de groote Katten, vooral
de Tijger, met ijver jacht op dit vette wild. De grootste vijand van
dit dier is echter altijd en overal de mensch. De wilde zwijnenjacht
werd van oudsher als een ridderlijk vermaak beschouwd en hoog geacht;
tegenwoordig is zij bij onze naburen trouwens veeleer een spel dan
een strijd tusschen de jagers en hun wild. In den ouden tijd was
het anders gesteld, vooral toen nog de kruisboog en de speer of het
"vangijzer" de gebruikelijke jachtwapens waren.
Tegen de Honden verdedigt het Wilde Zwijn zich met volhardenden
moed. In vroegeren tijd gebruikte men op de wildezwijnenjacht
behalve Hitshonden ook nog zoogenaamde "Zwijnenvinders", moedige,
sterke en vlugge dieren, die in half wilden toestand gehouden werden
en alleen voor de jacht op "Zwartwild" dienden. De "Zwijnenvinders"
moesten het wild zoeken, de Hitshonden hielden het vast. Eer deze
in de gelegenheid waren het aan te pakken en in bedwang te houden
door het bij de ooren te grijpen, werd menigen Hond door zijn vijand
den buik opengereten of een andere wonde toegebracht. Zoo werd de
Ever vastgehouden, totdat de jager naderkwam om het "af te vangen"
(met het jachtmes of met den "spriet" te dooden).
Het vleesch van het Wilde Zwijn wordt terecht zeer geschat, omdat het
behalve den smaak van het varkensvleesch een echten wildsmaak heeft. De
huid wordt eveneens gebruikt en de borstels zijn zeer gezocht. Maar
hoe groot het nut van deze dieren ook moge zijn, tegen de schade,
die zij aanrichten, weegt het bij lange na niet op.
Niet alleen het Europeesche Wilde Zwijn, maar ook verscheidene
van zijne verwanten uit Voor- en Achter-Indië en andere Aziatische
landen zijn naar het schijnt, reeds sedert overouden tijd huisdieren
geworden. Volgens Julien fokte men reeds omstreeks 4900 jaar vóór den
aanvang onzer tijdrekening Tamme Zwijnen in het Hemelsche Rijk; volgens
Rütimeijer's onderzoekingen waren in den tijd toen de paalwoningen
in Zwitserland bewoond werden, hier reeds twee verschillende rassen
van het nuttige huisdier.
"Door de oude Egyptenaars," schrijft Dümichen, "werd het Zwijn als
huisdier gehouden. De opschriften op de gedenkteekenen maken melding
van dit dier: zoowel afzonderlijke Zwijnen als geheele kudden zijn
hier afgebeeld. Naar het schijnt, werd het echter alleen gefokt om
op sommige jaarlijks wederkeerende feesten geofferd te worden." In
den Bijbel wordt dit dier dikwijls genoemd; ook in de Odyssee staat
het als een algemeen bekende beschermeling van den mensch vermeld.
Tallooze rassen zijn sedert dien overouden tijd ontstaan en
tenietgegaan; ook thans nog komen er telkens nieuwe bij, terwijl de
oudere deels onder den invloed van de eischen der praktijk, deels
bij toeval of door een gril verdwijnen. Fitzinger zoowel als Von
Nathustus zijn van oordeel, dat alle thans bestaande rassen van twee
verschillende vormen of soorten afgeleid kunnen worden, n.l. van ons
Europeesch Wild Zwijn en van het Zuid-Aziatische Manenzwijn (_Sus
cristatus_). Dit wil echter niet zeggen, dat geen andere Indische,
Maleische of Chineesche soorten tot de vorming van de rassen van het
Tamme Zwijn kunnen hebben bijgedragen. Hoe groot de verscheidenheid
van deze rassen ook moge zijn: steeds is hun ontstaan en weer
tenietgaan--en dat van alle andere vormen, die onder den invloed
van den mensch op het wereldtooneel verschenen--te verklaren door
de vrijwillige of gedwongen toepassing van de teeltkeus en door
de zoo zeer verschillende omstandigheden, waarin de Tamme Zwijnen
leven. Kunstproducten, door den mensch voortgebracht, zijn alle
rassen, die tegenwoordig gezocht en bewonderd worden; het gespierde
_Berkshire_-, zoowel als het buitengewoon vette _Harrison_- of het
massieve _Dwergzwijn_; een kunstproduct is ook het _Maskerzwijn_,
waarin een gril van Japansche fokkers belichaamd werd. Wij laten
het aan anderen over deze en alle overige rassen te beschrijven en
werpen nog een vluchtigen blik op de levenswijze en de eigenschappen
van het dier.