afgelegen deel van het woud een stil plekje op, en brengt daar hare
jongen ter wereld. Jonge wijfjes krijgen maar één enkel kalf, oudere
twee, bij uitzondering zelfs drie kalveren. De moeder verbergt haar
kroost zorgvuldig voor iederen naderenden vijand, en waarschuwt het
bij den geringsten zweem van gevaar, door met een poot op den grond te
stampen of door een kort, sjirpend geluid. In hun vroegste jeugd gaan
de kalveren onmiddellijk liggen, zoodra zij deze signalen hooren; later
nemen zij met hun moeder de vlucht. Gedurende de eerste levensdagen
van de kalveren, zoolang deze nog te hulpbehoevend zijn om zich op
de genoemde wijze te redden, tracht de reegeit den vijand om den
tuin te leiden en hem van het spoor harer jongen af te brengen. Als
haar een jong ontroofd wordt, zonder dat zij het verhinderen kan,
ijlt zij den roover, ook den mensch, langen tijd na, en geeft aan
haar bekommernis lucht door angstig heen en weer te loopen en door
geschreeuw. "Meer dan eens," zegt Dietrich aus dem Winckell, "hebben
deze bewijzen van moederliefde mij genoopt om het kalf, dat ik reeds
medegenomen had, weder in vrijheid te stellen; de moeder beloonde mij
hiervoor ruimschoots door de zorg waarmede zij onderzocht, of haar
kind al of niet een ongeluk was overkomen. Vroolijk sprong zij om
het jong heen, zoodra zij dit onbeschadigd had bevonden, en scheen
het met liefkoozingen te overstelpen, terwijl zij het te gelijker
tijd de uiers aanbood om het te laten zuigen." Omstreeks 8 dagen na
hun geboorte worden de kalveren door de reegeit medegenomen naar de
weideplaats, na 10 à 12 dagen zijn zij sterk genoeg om haar snel te
volgen. Nu keert zij met hen naar haar vorige verblijfplaats terug,
als 't ware met het doel om den vader zijn kroost te toonen.
Reeds tegen het einde van de vierde maand komt er een verhevenheid op
het voorhoofdsbeen van den jongen bok; in de volgende weken ontstaan er
kleine, voortdurend hooger wordende knobbels, en in de wintermaanden
komen de eerste, 8 à 10 cM. lange "spiesen" te voorschijn. In Maart
"veegt" de jonge bok, in de volgende Decembermaand werpt hij de
"spiesen" af. Voordat er drie maanden verloopen zijn, is het tweede
gewei gevormd. Dit wordt iets vroeger dan in den vorigen herfst
afgeworpen en door het derde gewei vervangen.
De jacht op de Ree geschiedt nagenoeg op dezelfde wijze als die
op ander groot wild, hoewel men haar tegenwoordig in districten,
die niet volgens de jagers-regels behandeld worden, meer met hagel
dan met kogels schiet. Behalve door den mensch wordt de Ree vervolgd
door Lossen, Wolven, Wilde Katten en Vossen; de drie eerstgenoemde
roofdiersoorten maken jacht op de oude dieren zoowel als op de jonge;
de laatste tracht vooral de kalveren buit te maken; deze worden, naar
men zegt, soms ook door de kleine, maar bloedgierige Wezel omgebracht.
Het nut, dat de Ree den mensch aanbrengt, is niet onbelangrijk;
de schade die zij aanricht, betrekkelijk gering, hoewel altijd nog
grooter dan het nut. Vooral jonge aanplantingen worden soms erg door
haar beschadigd; in weinige dagen verijdelt zij den jarenlangen,
moeitevollen arbeid van den houtteler. Als wildbraad wordt de Ree
hoog geschat: bovendien maakt men gebruik van haar huid, hetzij als
leder of als bont, en van haar gewei.
In het wildpark zoowel als in de diergaarde of in een andere beperkte
ruimte gedijt de Ree minder goed dan andere Herten, omdat haar
vrijheidlievende aard haar van iederen dwang afkeerig maakt. Zij is
veeleischend, prikkelbaar en moeielijk te bevredigen, bovendien biedt
zij weinig weerstand aan ongunstige omstandigheden; zij plant zich
daarom volstrekt niet geregeld voort in den gevangen staat en bezwijkt
niet zelden tengevolge van onbeduidende bezwaren. Jong gevangen Reeën
kunnen gemakkelijk getemd worden en zijn dan vriendschappelijk gezind
jegens menschen en dieren: zij gedragen zich als echte huisdieren
en loonen de aan haar bestede moeite. Op den duur beleeft men
echter alleen van de geit en niet van den bok genoegen; wijl deze
langzamerhand zijn waren aard laat zien, m. a. w. driest, lastig en
onbeschaamd wordt, terwijl de geit in den regel zachtzinnig blijft.
Tot besluit moeten wij nog een blik werpen op het geslacht der
_Muntsjakherten_ (_Cervulus_), die zich door geringe grootte, door de
korte en onvolkomen geweien, de in 't oogloopend lange hoektanden,
de diepere en breede traangroeven en het gemis van den haarlok aan
de achtervoeten onderscheiden. De soorten van dit geslacht bewonen
van Zuid-China af de zuidelijke en zuidoostelijke gedeelten van het
vasteland van Azië, benevens de naastbijgelegen eilanden.
De _Muntsjak_ of _Kiedang_, de _Rippface_ ("skeletgelaat") der
Engelschen (_Cervulus muntjac_), de bekendste soort van zijn geslacht,
is een weinig kleiner dan onze Ree; zijn lengte bedraagt 115 à 124
cM. (waarvan 15 à 18 cM. op den staart komen), zijn schouderhoogte
65 à 70 cM. De beharing is kort, glad en dicht; de kleur van de
bovendeelen is verzadigd geelbruin of donkerder, tot kastanjebruin;
de achterbuik, de binnenzijde van de pooten, het achtervlak en het
onderste deel van den staart zijn wit, het voorste deel van den buik
en de borst geelachtiger. De stangen rusten op zeer lange rozestokken,
zijn schuin naar achteren gericht, bij den oorsprong een weinig naar
buiten en voren gebogen en daarna plotseling in de nabijheid van den
top haakvormig naar achteren en binnen gekromd. Zeer eigenaardig zijn
de rozestokken, die van onderen tamelijk dicht bijeengeplaatst zijn,
weldra echter uiteenwijken en zich 8 à 10 cM. hoog verheffen; tot aan
den rozenkrans zijn zij bekleed met een dichtbehaarde huid, welker
haren langs den bovenrand in bosjes bijeengroeien; de rozenkrans zelf
is zeer smal en bestaat uit één enkele kring van groote paarlen. Het
wijfje draagt op de plaats van het gewei kuifvormige haarbosjes.
Sumatra, Java, Borneo, Banka en Hainan benevens het Maleische
Schiereiland, Birma en Engelsch-Indië vormen het vaderland van den
Muntsjak. Niet al te hoog gelegen gewesten, waar heuvels met dalen
afwisselen, en in nog meerdere mate landstreken, die aan den voet
van hooge gebergten grenzen, of in de nabijheid van groote wouden
gelegen zijn, bevredigen, naar het schijnt, alle door dit wild
aan zijn woonplaats gestelde eischen. Hier treft men den Kiedang
afzonderlijk of bij paren aan. Op plaatsen, die bovendien waterrijk
en onbewoond of schaars bevolkt zijn, gedijt dit Hert het best;
hij kruipt of sluipt met omlaaggehouden kop als een Wezel door
dicht begroeide, verwarde wildernissen heen en tusschen neergestorte
boomen door; behendig weet hij zelfs door zeer kleine ruimten heen
te dringen. Over dag zoowel als 's nachts wordt zijn stem gehoord,
die uit een rauw, schel, luidklinkend geschreeuw of geblaf bestaat,
en in vele streken aanleiding gegeven heeft tot den naam, waarmede hij
daar wordt aangeduid. De Muntsjak is een zeer moedig dier, dat zijn
klein gewei en zijne hoektanden krachtig en op doeltreffende wijze weet
te gebruiken. Vele Honden ondervinden dit; wanneer zij hem aanvallen,
krijgen zij soms aan den nek en de borst of aan het onderlijf wonden,
die hun het leven kunnen kosten.
De gevangenschap verdraagt de Kiedang in zijn vaderland zonder
eenig bezwaar en ook in Europa tamelijk goed. Dikwijls treft men
hem getemd in het bezit van Europeanen en inboorlingen aan. Over
't algemeen gezellig en gehecht aan zijne verzorgers, is hij toch,
evenals de meeste Herten, zeer prikkelbaar en in dit geval boosaardig.
Naar men zegt, smaakt het wildbraad van dit dier goed, hoewel het
mager is. De huid wordt niet gebruikt.
Door sommige dierkundigen worden eenige kleine, zeer sierlijk gebouwde
Herkauwers, die volgens onze meening twee afzonderlijke familiën--de
Muscusdieren en de Dwergmuscusdieren--behooren uit te maken, bij
de familie der Herten gevoegd; wij zullen ze op deze laten volgen;
zij bevatten onder andere ook de kleinste vertegenwoordigers der
geheele orde.
De _Muscusdieren_ (_Moschidae_) hebben geen gewei, geen traangroeven,
geen op een borstel gelijkende haarbekleeding aan de achtervoeten
(zooals bij de meeste Herten voorkomt) en een zeer onbeduidenden
staart. De mannetjes van deze en van de volgende groep onderscheiden
zich van alle overige Herkauwers door het bezit van lange, buiten den
bek uitstekende, benedenwaarts gerichte hoektanden in de bovenkaak. De
hooge gebergten van China en Tibet zijn het vaderland van deze
dieren. Daar bewonen zij meestal rotsachtige gewesten, zelden dalen,
waarheen zij zich eigenlijk alleen dan begeven, wanneer de strenge
winter hen van hunne hoogten verdrijft en voedselgebrek hen dwingt
om naar meer begunstigde oorden de wijk te nemen.
De familie omvat slechts één geslacht, dat uit slechts één soort
beslaat, n.l. het _Muscusdier_ (_Moschus moschiferus_). Het is
een sierlijke Herkauwer van 90 à 100 cM. lichaamslengte en 50 à 55
cM. schouderhoogte, gedrongen gebouwd, van achteren hooger dan van
voren, met slanke pooten, korten hals, langwerpigen, aan den snuit
stomp afgeronden kop, waaraan middelmatig groote, door lange wimpers
overschaduwde oogen met zeer bewegelijke pupil, en eivormige ooren,
half zoo lang als de kop, voorkomen. Tamelijk kleine, lange en spits
toeloopende hoeven beschutten de teenen; deze kunnen, omdat zij door
een huidplooi vereenigd zijn, ver van elkander verwijderd worden;
geholpen door de tot op den bodem reikende bijhoeven, maken zij het
loopen op sneeuwvelden en gletschers veilig en gemakkelijk. De kleur
kan zeer verschillend zijn; sommige exemplaren zijn van boven zeer
donker, van onderen echter vuil wit, andere roodbruin, weer andere
van boven geelachtig bruin, van onderen wit, nog andere hebben een
overlangsche reeks van lichte vlekken op den rug. De hoektanden steken
bij het mannetje 5 à 7 cM. ver buiten den bek uit en zijn eerst flauw
buitenwaarts, daarna sikkelvormig naar achteren gebogen. Het wijfje
heeft eveneens hoektanden, doch deze blijven binnen den mond verborgen.
De muscuszak, waaraan deze dieren hun naam ontleenen, komt alleen
bij het mannetje voor; hij ligt aan den achterbuik en vertoont zich
bij uitwendig onderzoek als een afgeronde verhevenheid van ongeveer
6 cM. lengte, 3 cM. breedte en 4 à 5 cM. hoogte. Aan beide zijden
is hij begroeid met stijf aanliggende haren met uitzondering van een
onbehaarde kringvormige plek in het midden. Hier liggen achter elkander
twee kleine openingen, die door korte buizen met de holte in den zak
verbonden zijn; de voorste is halvemaanvormig, van buiten met grovere,
van binnen met fijne, lange, verwarde haren bezet; de achterste is
omgeven door een bundel van lange borstels. Kleine klieren binnen in
den zak scheiden de muscus af; door de eerstgenoemde buis wordt de zak
geledigd, wanneer hij te vol is. Eerst bij het volwassen Muscusdier
heeft deze zak zijn volle grootte bereikt en is de muscusafscheiding
het sterkst. Gemiddeld kan men aannemen, dat de zak 30 gram van
deze kostbare stof bevat; bij sommige dieren heeft men echter meer
dan het dubbele van deze hoeveelheid gevonden. Jonge bokken leveren
ongeveer het achtste deel er van. In verschen toestand is de muscus
week als zalf; gedroogd is zij een korrelige of poedervormige massa,
die aanvankelijk een roodbruine kleur heeft, maar mettertijd donkerder
en eindelijk koolzwart wordt.
Zoomin de Grieken als de Romeinen kenden het Muscusdier, hoewel zij
groote liefhebbers waren van welriekende zalven en deze meestal uit
Arabië en Indië ontvingen. De Chineezen daarentegen maken reeds sinds
eeuwen van muscus gebruik. De eerste berichten over het Muscusdier
zijn door tusschenkomst van de Arabieren tot ons gekomen.
Het verbreidingsgebied van het Muscusdier strekt zich uit van
den Amoer tot aan de Kaspische Zee en van 60° N. B. tot China en
Achter-Indië. Het veelvuldigst komt het voor in de omstreken van het
Baikal-meer en in de gebergten van Mongolië als ook in den Himalaja,
waar het, naar men bericht, in den zomer zelden beneden de hoogte
van 2500 M. afdaalt; in sommige van deze gewesten is het nog zoo
talrijk vertegenwoordigd, dat beroepsjagers in één winter verscheidene
honderden exemplaren kunnen dooden. Steile berghellingen en bosschen
vormen de eigenlijke woonplaatsen van dit beroemde dier; het leeft er
eenzaam of hoogstens bij paren. Zijn levenswijze wordt door Kinnloch
met die van den Haas vergeleken, omdat het zich op dezelfde wijze een
leger maakt, waarin het over dag nagenoeg voortdurend blijft. Bij
het zoeken van voedsel geeft het de voorkeur aan hellingen, waarop
grasrijke weideplaatsen met kleine kreupelboschjes afwisselen; eerst
in de schemering of in de morgenuren komt het op weidegronden die vrij
zijn van struiken. Zijne bewegingen zijn vlug en vast. Het loopt met
de snelheid van een Antilope, springt even behendig als een Steenbok
en klimt met de stoutmoedigheid van een Gems. Over sneeuwvelden,
waar iedere Hond inzinkt en een mensch zich bijna niet bewegen kan,
draaft het Muscusdier nog gemakkelijk heen, bijna zonder een zichtbaar
spoor achter te laten. Als het vervolgd wordt, springt het, zonder
zich te beschadigen, van een aanzienlijke hoogte naar beneden en
loopt het langs wanden, die bijna geen gelegenheid bieden om vasten
voet te vatten; in geval van nood zwemt het zonder aarzeling over
breede stroomen.
De zintuigen van dit dier zijn voortreffelijk, zijne geestesvermogens
echter gering. Het Muscusdier is schuw, maar mist schranderheid en
overleg. Als het door een ramp overvallen wordt, ziet het dikwijls
in 't geheel geen kans om zich te redden, en rent als zinneloos in
't rond. Op dezelfde wijze gedraagt zich het dier, dat pas gevangen is.
Zes maanden na de paring werpt het wijfje één of twee jongen, die
aanvankelijk bont gevlekt zijn. De moeder behoudt ze met trouwe liefde
bij zich tot aan den volgenden paartijd, maar drijft ze dan weg. Aan
het einde van het derde jaar zijn de jongen volwassen.
De jacht op dit zoo belangrijke en winstgevende wild levert,
althans in Siberië, vele bezwaren op. Wegens zijn buitengewone
schuwheid komt het den jager zelden op behoorlijken afstand voor 't
geweer. Gewoonlijk plaats men, om den gewenschten buit te behalen,
strikken op de "wissels" van het dier. Dikwijls verhinderen de
Veelvraat, de Siberische Wezel en de Raven deze wijze van vangst. De
behaarde Roofdieren gaan het spoor van het Muscusdier na, en vreten
het op, als het in den strik is vastgeraakt. De Baardgier en de Arend
maken bovendien jacht op het jonge, de Panther en de Gepard op het
volwassen dier. In den Himalaja wordt dit wild door Engelsche jagers
"op den zoek" en gedurende drijfjachten gedood.
Het vleesch van het Muscusdier wordt zelfs door de Europeanen in Indië
lekker gevonden; de muscuszak heeft een waarde van 6 à 18 gulden. De
meeste muscus komt uit China in Engeland ter markt; men krijgt haar
echter slechts zelden zuiver; van oudsher maken de sluwe bewoners
van het Hemelsche Rijk zich schuldig aan het vervalschen van dit
kostbare artikel. De reizigers uit vroegere eeuwen doen zonderlinge
verhalen over de hevigheid van den muscusreuk. Tavernier en Chardin
berichten, dat de jagers vóór het afsnijden van den muscus-zak zich
den mond en den neus moesten dichtstoppen, omdat het onvoorzichtig
inademen van de uitwaseming aanleiding zou geven tot doodelijke
bloedingen. Chardin verzekert, dat hij nooit in staat geweest is om
zelf de muscushandelaars te bezoeken, maar de inkoop van dit artikel
steeds aan zijne handelsvrienden moest overlaten. De reuk is, naar
hij verzekert, onverdraaglijk en voor Europeanen, die er niet aan
gewoon zijn, zelfs gevaarlijk.
Over de levenswijze van het gevangen dier ontbreken tot dusver
uitvoerige berichten. In het jaar 1772 kwam een Muscusdier, nadat
het drie jaar lang onderweg was geweest, levend te Parijs aan en
bleef hier nog drie jaar in leven. Het stierf aan een haarbal, die
ontstaan was uit de haren, die het door zich te lekken in de maag
had gekregen en die het spijskanaal in de nabijheid van de portier
(waar de maag met den dunnen darm verbonden is) verstopt had. Vóór
dien tijd was het altijd zóó gezond en flink geweest, dat het volgens
het oordeel van de Fransche dierkundigen, op de hooge gebergten van
Europa geacclimatiseerd zou kunnen worden.
De laatste familie van de Herkauwers omvat de _Dwergmuscusdieren_
(_Tragulidae_), waardoor de genoemde onderorde met die van de
Niet-herkauwende Evenvingerigen (en meer bepaaldelijk met de
familie van de Zwijnen) verbonden is. De hiertoe behoorende dieren
bewonen West-Afrika en Zuid-Azië en zijn buitengewoon lieftallige
schepsels. Men stelle zich een sierlijk, op een Ree gelijkend diertje
voor, met tamelijk dikken romp, slanken, goed gevormden kop, fraaie,
heldere oogen, pooten, die weinig dikker zijn dan een potlood en in
zeer bevallige hoeven eindigen, een klein, aardig staartstompje, een
zacht, tegen de huid aanliggend haarkleed van aangename kleur, zoo
heeft men een denkbeeld van een Dwergmuscusdier. Van de Muscusdieren
verschilt het, doordat de maag slechts uit drie afdeelingen bestaat;
de boekmaag is van de lebmaag niet te onderscheiden; ook mist dit dier
den muscuszak; de middelvoet is met een onbehaarden, eeltachtigen rand
voorzien; het staartje is tamelijk lang behaard. Evenals in de vorige
familie onderscheiden de mannetjes zich door het bezit van lange,
buiten den bek uitstekende, benedenwaarts gerichte hoektanden in de
bovenkaak. Die van de onderkaak blijven, evenals die van beide kaken
bij de wijfjes, binnen de mondholte verborgen.
De _Kantsjil_ (_Tragulus kanchil_ of _Tragulus pygmaeus_) is ongeveer
45 cM. lang, waarvan slechts 4 cM. op den staart komen; de schofthoogte
bedraagt 20, de kruishoogte 22 cM. Het tamelijk fijne haar is aan
den kop roodachtig vaal, aan de zijden lichter, op de kruin donker,
bijna zwart, aan de bovenzijde van het lichaam roodachtig geelbruin,
langs den rug sterk met zwart gemengd, naar de zijden lichter, aan de
bovenzijde van den hals wit gesprenkeld en aan de onderzijde wit. De
volwassen mannetjes hebben in de bovenkaak sterk gekromde hoektanden,
die ongeveer 3 cM. buiten het tandvleesch uitsteken. De kleine,
fijne hoeven zijn lichtbruinachtig hoornkleurig. De jonge dieren
hebben dezelfde kleur als de volwassene.
Java, Singapoer en het Maleische Schiereiland zijn het vaderland
van dit bekoorlijke dier; op Sumatra, Borneo en Ceylon wordt het,
evenals in Indië, van de zuidspits tot aan den Himalaja op hoogten
van hoogstens 600 M., door verwante soorten vervangen. Op Java vindt
men het meer in het gebergte dan in de vlakte, aan den benedenrand
van de oerwouden, die alle gebergten bedekken, meer bepaaldelijk in
het daaraan grenzende kreupelhout, vanwaar het de met gras begroeide
hellingen binnen weinige minuten bereiken kan. Nooit treft men het in
troepen aan: het leeft eenzaam en hoogstens gedurende den bronstijd
bij paren. Over dag rust en herkauwt het, verborgen tusschen dicht
struikgewas; met het aanbreken van de schemering gaat het fourageeren
en gebruikt dan allerlei bladen, kruiden en bessen als voedsel. Water
is voor zijn welzijn onontbeerlijk.
Alle bewegingen van dit vlugge en lenige dier geschieden op,
een buitengewoon sierlijke en lichte wijze. Het kan betrekkelijk
groote sprongen doen en weet behendig alle moeielijkheden, die het
op zijn weg ontmoet, te overwinnen. Daar de fijne ledematen echter
weldra den dienst weigeren, zou het allicht een buit worden van
zijne vijanden, als het hun niet door een eigenaardige list wist
te ontkomen. Gewoonlijk tracht het zich bij dreigend gevaar in het
struikgewas te verbergen; zoodra het echter gevoelt, dat het niet
verder kan komen, gaat het rustig op den grond liggen en houdt zich
dood, evenals de Opossum in dergelijke omstandigheden doet. De vijand
nadert en meent met een greep zijn doel te zullen bereiken, maar op
eens, nog voordat hij bij het diertje is gekomen maakt dit één of
twee sprongen en rent bliksemsnel weg.
In den laatsten tijd worden exemplaren van deze of andere soorten
van Dwergmuscusdieren dikwijls naar Europa overgebracht, en hier
gedurende geruimen tijd in 't leven gehouden. De eigenaars van
rondreizende menagerieën zijn reeds overal geweest met den eenen
of anderen vertegenwoordiger van deze diergroep, en hebben hem aan
't publiek vertoond. Het dier trekt de aandacht door zijn lief en
aardig voorkomen; het is zeer zindelijk; het poetst en likt zich
aanhoudend. De groote, fraaie oogen zouden doen vermoeden, dat het
ook door de ontwikkeling zijner geestvermogens zeer hoog staat, wat
echter niet het geval is; het geeft op geenerlei wijze blijken van een
groot verstand, maar is veeleer rustig, stil en vervelend. Het kent
geen ander gebruik van den dag dan eten, herkauwen en slapen. Zelden
hoort men zijn fijn, zacht stemmetje: een geluid, dat met een zwak
geblaas vergeleken kan worden.
De Javanen maken, naar men zegt, ijverig jacht op dit dier en houden
veel van zijn zacht en zoetachtig vleesch. Ook worden de fijne pootjes
op sommige plaatsen met een gouden of zilveren beslag voorzien en
daarna bij 't stoppen van tabakspijpen gebruikt.
De tweede onderorde van de _Evenvingerigen_ omvat de
_Niet_-_herkauwers_, die over twee familiën worden verdeeld: de
_Zwijnen_ en de _Nijlpaarden_.
Bij de _Borsteldieren_ of _Zwijnen_ (_Suidae_) eindigt de zijdelings
samengedrukte romp in een dunnen, langen en gekrulden staart; de
nagenoeg kegelvormige, van voren afgeknotte kop loopt uit in een
langwerpigen snuit, die van voren verbreed is tot een wroetschijf,
waarin de neusgaten geplaatst zijn; de ooren zijn middelmatig groot en
staan gewoonlijk rechtop; de oogspleten hebben een scheeve richting en
laten betrekkelijk kleine oogen zien; de pooten zijn slank en dun, de
teenen bij paren gegroepeerd; de 2 middelste, die het lichaam dragen,
zijn aanmerkelijk grooter dan de 2 buitenste. De huid is bedekt met
een meer of minder dicht borstelkleed. De talrijke op 2 reeksen
geplaatste melktepels van 't wijfje komen aan den buik voor. Het
geraamte is licht gebouwd en sierlijk van vorm. Bij alle Zwijnen
zijn in de boven- zoowel als in de onderkaak alle drie soorten van
tanden aanwezig. Het aantal snijtanden wisselt af van 1 tot 2 in elke
bovenkaakshelft, en van 2 tot 3 in elke onderkaakshelft; niet zelden
vallen deze tanden echter op lateren leeftijd uit. De hoektanden,
die altijd voorhanden zijn, hebben een zeer eigenaardige gedaante:
driekantig, sterk gekromd en bovenwaarts gebogen. De kiezen, welker
aantal verschilt, zijn deels zijdelings samengedrukt, deels breed
en met vele knobbels bezet. Van de spieren verdienen vermelding die,
welke de lippen bewegen; vooral de spieren van de bovenlip zijn zeer
forsch ontwikkeld, en verleenen den snuit voor 't wroeten de noodige
kracht. Bij overvloedige voeding vormt zich onder de huid een speklaag,
die een dikte van verscheidene centimeters kan bereiken.