In Noord-Amerika en in het noorden van Zuid-Amerika wonen de

_Mazama_-_herten_ (_Cariacus_), sierlijke, lieftallige dieren, die

zich zoowel door hun lichaamsbouw als door de _geweien der mannetjes_

onderscheiden. Hun gestalte is zeer slank; de hals en de kop zijn lang,

de pooten middelmatig hoog, maar zwak; de staart is tamelijk lang. De

geweien zijn gaffelvormig verdeeld, of krommen zich boogvormig van

achteren naar buiten en voren; elke stang heeft 3 à 7 spitsen,

die alle binnenwaarts gebogen zijn; de oogspits is aanwezig, de

ijsspits en de middelspits ontbreken. Het haarkleed bestaat uit dicht

bijeengeplaatste, zachte haren van een levendige kleur; zij verlengen

zich tot manen bij het mannetje en bovendien tot een staartkwast bij

beide geslachten.

Een der meest bekende soort van deze groep, het _Virginia_-_hert_

(_Cariacus virginianus_), gelijkt in sommige opzichten op ons Damhert,

waarmede het ook in grootte ongeveer overeenkomt; het kan er echter

onmiddellijk van onderscheiden worden door zijn sierlijken bouw en

vooral door den langwerpigen, fijnen kop, die misschien de schoonste

van alle hertekoppen genoemd mag worden. Volgens de verzekering van

den _Prins_ Von Wied wordt het Virginische Hert dikwijls aanmerkelijk

grooter dan ons Damhert en staat niet ver achter bij het Edelhert. De

kleur wisselt af overeenkomstig de jaargetijden. In het zomerkleed

is een fraai, gelijkmatig geelrood, dat op den rug donkerder, naar de

zijden lichter wordt, de heerschende kleur; de buik en de binnenzijde

van de pooten zijn bleeker. De lengte van een middelmatig groot,

mannelijk Hert bedraagt 1.8 M., de lengte van den staart 30 cM., de

hoogte van het gewei 30 cM. en de lengte van elke hoofdstang, volgens

de kromming gemeten, ongeveer 50 cM. In de schoft is zulk een Hert 1

M. hoog. Het aanmerkelijk kleinere wijfje wordt slechts 1.3 M. lang

en niet meer dan 80 cM. hoog. Het kalf is op donkerbruinen grond

zeer sierlijk wit of geelachtig wit gevlekt, maar gelijkt overigens

op zijne ouders.

Volgens de mededeelingen der Amerikaansche dierkundigen bewoont dit

fraaie Hert alle bosschen van Noord-Amerika, met uitzondering van

die, welke het verst noordwaarts gelegen zijn. Naar gezegd wordt,

komt het in de pelterijdistricten niet voor, maar wel in Canada. Zijn

verbreidingsgebied strekt zich uit van de oostkust van Noord-Amerika

tot aan het Rotsgebergte en zuidwaarts tot in Mexico. Vroeger moet

het overal in zeer grooten getale geleefd hebben; tegenwoordig is

het uit de sterk bevolkte gewesten reeds bijna geheel verdrongen,

of heeft althans naar de groote wouden van het gebergte de wijk

moeten nemen. Over 't algemeen gelijkt zijn levenswijze op die van

ons Edelhert.

"Dit wild," zegt Audubon, "is zeer gehecht aan de eens gekozen

woonplaats en keert na vervolgingen altijd weer derwaarts terug. Wel

is waar rust het niet iederen dag op hetzelfde leger, maar toch wordt

het steeds in dezelfde streek gevonden, dikwijls geen 50 schreden

verwijderd van de plaats waar het vroeger opgejaagd werd. Zijne

lievelingsplaatsen zijn voormalige akkers, die gedeeltelijk weer

met kreupelhout overwoekerd zijn en dit dier derhalve beschutting

verschaffen. In de zuidelijke staten bezoekt het, vooral in den

zomer, als het minder vervolgd wordt, dikwijls de hagen, die de

plantages omringen, en staat hier gedurende den dag in een donkere

wildernis tusschen riet, wilde wijnstokken en doornstruiken, in

allen gevalle zoo dicht mogelijk bij zijn weideveld. De voorliefde

voor zulke plaatsen is echter geen algemeen verschijnsel: dikwijls

treft men talrijke sporen van deze Herten aan in velden, die slechts

van veraf bezocht kunnen worden. In de bergstreken bespeurt men er

nu en dan een, dat zich op soortgelijke wijze als een Steenbok of

een Gems op een uitstekende rotspunt heeft neergevleid. Gewoonlijk

echter verbergt dit wild zich tusschen allerlei lage struiken, naast

omgevallen boomen en op dergelijke plaatsen. In het koude jaargetijde

houdt het zich het liefst in beschutte en droge oorden op; het staat

dan onder den wind en koestert zich in de zonnestralen. In den zomer

trekt het zich gedurende den dag in de schaduwrijke gedeelten van het

woud terug en kiest dan een verblijfplaats in de nabijheid van kleine

rivieren of koele stroomen. Om de kwelling der Muggen te ontgaan,

zoekt het dikwijls een toevlucht in een rivier of in een vijver en

ligt hier tot aan den neus onder water.

"De wijze waarop dit Hert zich voedt, verschilt al naar den tijd

van 't jaar. In den winter eet het de twijgen en bladen van het

kreupelhout; in de lente en in den zomer zoekt het, en wel met zeer

groote kieskeurigheid, het meest malsche gras uit, en komt dikwijls,

door de jonge maïs- en andere graanplanten gelokt, op de akkers. Het

houdt bijzonder veel van allerlei soorten van bessen, noten en

dergelijke vruchten. Bij een zoo rijke keuze van voedsel zou men kunnen

verwachten, dat dit Hert voortdurend een goed wildbraad zal opleveren;

dit is echter niet het geval, want met uitzondering van een gedeelte

van het jaar zijn deze dieren zeer slecht gevleescht. Van Augustus tot

November zijn de mannetjes vet. Eigenhandig hebben wij er geschoten,

die nagenoeg 80 KG. zwaar waren; men verhaalt, dat enkele een gewicht

van meer dan 90 KG. bereiken. De bronst begint, in Carolina althans,

in November, dikwijls trouwens iets vroeger.

"De wijfjes zijn het vetst van November tot Januari, vallen hierna

af, en wel des te meer, naarmate de werptijd nadert, om weder toe te

nemen, terwijl zij de kalveren zoogen. Deze worden in Carolina in April

geboren; de wijfjes, die voor de eerste maal jongen werpen, doen dit

echter gewoonlijk eerst in Mei of Juni. Als de kalveren nog slechts

eenige dagen oud zijn, slapen zij dikwijls zoo vast, dat zij gevangen

kunnen worden, voordat zij de komst van een mensch opmerken. Zij

laten zich zeer spoedig temmen, en gaan reeds na verloop van weinige

uren vertrouwelijk met hunne vangers om. Een vriend van ons bezat een

wijfjeskalf, dat, toen het gevangen werd, bij een geit gebracht en

door deze gezoogd werd; wij hebben andere van deze hert-kalvers door

koeien zien grootbrengen. In de gevangenschap gedijen zij goed; het

is ons echter gebleken, dat zij lastige huisgenooten zijn. Een paar,

dat wij verscheidene jaren gehad hebben, had zich aangewend, onze

studeerkamer door het open venster te bezoeken, en deed dit ook nog,

zonder zich om de glasruiten te bekommeren, als de vensters gesloten

waren. Over 't algemeen schenen deze dieren vernielzuchtig te zijn;

zij likten en knabbelden aan de omslagen van de boeken en brachten

dikwijls een groote verwarring in onze papieren. Geen struik in

den tuin, hoe kostbaar ook, was veilig voor hen; zij knaagden zelfs

aan onze paardentuigen, en vielen ten slotte ook de jonge Eenden en

Hoenderen aan, beten hun den kop en de pooten af, en lieten daarna

het verminkte lichaam liggen.

"Dit wild is smakelijker dan eenige diersoort, waarvan wij het

vleesch geproefd hebben. Het is fijner dan dat van den Wapiti of van

de Europeesche soorten van Herten; het smakelijkst was het echter in

de hierboven genoemde maanden, waarin de dieren vet zijn.

"De Indianen hadden al hun list en hun geduld noodig om dit wild buit

te maken, voordat hun jachtveld betreden werd door den blanke, met zijn

geweer, zijn Paard en zijne Honden. De wilde bestreed dezen buit aan

den Wolf en den Poema, en paste zeer verschillende jachtwijzen toe. De

meest gebruikelijke list was het nabootsen van het geroep van het kalf

of van het geschreeuw van den bok. Soms kleedde de wilde zich met het

vel van een Hert, wiens gewei hij aan zijn hoofd had vastgebonden

en deed trouw den gang en alle overige bewegingen van het dier na;

op deze wijze gelukte het hem te midden van een kudde te sluipen,

waar hij verscheidene Herten achtereenvolgens met den boog kon dooden

voordat het wild zich uit de voeten maakte. Nadat de vuurwapenen hun

bekend geworden zijn, hebben echter de meeste stammen het gebruik

van pijl en boog laten varen en het geweer als wapen aangenomen."

De Mazama-herten, die ik onder mijn hoede had, naderden vol

vertrouwen de personen die hun bekend waren, en namen niet alleen

de hun geboden lekkernijen vriendelijk aan, maar lekten den gever

bovendien dankbaar de hand. Ongelukkig is er een bezwaar tegen het

houden van deze Herten in een beperkte ruimte: dikwijls breken zij

hunne fijne pooten; gewoonlijk geschiedt dit op zulk een ongelukkige

wijze, dat de genezing moeielijk of zelfs onmogelijk is. Zulk een

verwonding kan het gevolg zijn van een onhandigen sprong in den stal.

Bij de in Zuid-Amerika inheemsche _Spruitherten_ (_Blastocerus_),

die het Virginiahert en zijne verwanten het meest nabij komen, zijn

de rechtopstaande geweien gaffelvormig vertakt; de voorste hoofdtak,

die zich steeds zwakker ontwikkelt dan de achterste, is somtijds,

de achterste altijd gegaffeld.

De meest bekende soort van dit geslacht--het _Pampas-hert_, de

_Goeazoeï_ (_Blastocerus campestris_)--is in vergelijking met de

andere leden der familie middelmatig groot: zijn lichaamslengte

bedraagt 1.1 à 1.3 M., waarbij 10 cM. voor den staart; de schoft is

70, het kruis 75 cM. hoog. Door gestalte en kleur gelijkt het op ons

Edelhert; zijn gewei herinnert aan dat van onze Ree, maar is slanker

en heeft langere spitsen.

Paraguay, Uruguay en Noord-Argentinië zijn het vaderland van dit overal

veelvuldig voorkomend Hert. Volgens Rengger wordt het hoofdzakelijk

op open en droge velden in de weinig bevolkte gewesten gevonden; het

vermijdt, zelfs wanneer het hevig vervolgd wordt, de nabuurschap van

moerassen en de wouden. Het leeft paarsgewijs en in kleine troepen;

de oude bok zondert zich af. Over dag rust dit Hert in 't hooge gras

en houdt zich zoo stil, dat men dicht bij het dier langs kan rijden,

zonder dat het zich beweegt. Na zonsondergang gaat het voedsel zoeken

en zwerft dan den geheelen nacht rond. Het wijfje brengt slechts één

jong ter wereld; dit geschiedt in de lente of in den herfst.

Jong gevangen Pampas-herten worden buitengewoon tam. Het dier leert

alle bewoners van het huis onderscheiden, volgt hen overal, komt, als

zij het roepen, speelt met hen en likt hun de handen en het gelaat;

met de Huishonden en Paarden leeft het in goede verstandhouding,

zelfs zoo, dat het ze soms met zijn gewei plaagt; het gaat echter

voor vreemde personen en vreemde Honden uit den weg. Men kan het met

allerlei rauwe en gekookte planten voeden; evenals zijne verwanten

houdt het zeer veel van zout. Als het weder gunstig is, vermaakt het

zich in de vrije natuur; in de middaguren herkauwt het; als het regent

zoekt het onder dak een schuilplaats.

De _Ree_ vertegenwoordigt een afzonderlijk geslacht (_Capreolus_), dat

gekenmerkt is door het rolronde, weinig (en dan gaffelvormig vertakte)

gewei, dat een oneffen oppervlakte heeft en geen oogspits bezit.

De _Ree_ (_Capreolus capraea_) wordt 1.3 M. lang en in het kruis

op zijn meest 75 cM. hoog; het staartstompje is ternauwernood 2

cM. lang. Haar gewicht bedraagt 20 à 25, in zeldzame gevallen zelfs

30 KG.; het wijfje is kleiner. In vergelijking met het Edelhert

heeft de Ree een gedrongen lichaamsbouw; haar kop is kort en

afgeknot. Haar gewei onderscheidt zich door breede rozenkransen en

door betrekkelijk dikke, met ver uitstekende knobbeltjes of parels

bezette stangen. Gewoonlijk krijgt de hoofdstang slechts twee spitsen;

hiermede is de ontwikkeling van het gewei echter nog niet afgeloopen,

"Het bepalen van het aantal spitsen van het gewei, zooals dit door de

jagers geschiedt," zegt Blasius, "is niet voldoende voor het leeren

kennen van de natuurwet, volgens welke de geweivorming plaats vindt. Om

deze wet te formuleeren, heeft men niet in de eerste plaats op het

aantal spitsen, maar vooral op den algemeenen vorm van het gewei te

letten; in verband hiermede is het aantal spitsen van beteekenis.--In

den eersten winter krijgt de "smalbok" onverdeelde, slanke spitsen,

met een onduidelijken rozenkrans aan den wortel van de stang.--Bij

den "gaffelbok" is de stang ongeveer in het midden vertakt. De

hoofdstang vormt dan een hoek, en neemt op de vertakkingsplaats een

achterwaartsche richting aan, terwijl de zijspruit naar voren gericht

is. Deze knievormige buiging van de hoofdstang is een veel belangrijker

feit dan de aanwezigheid van de voorste zijspruit: men moet den bok,

wat zijn leeftijd betreft, voor een "gaffelaar" houden, zelfs wanneer

de zijspruit ontbreekt, indien slechts de buiging aanwezig is.--Bij

den "zes-ender" verdeelt de naar achteren gebogen hoofdstang zich

ten tweeden male, en is na de vertakking weder naar voren gericht,

terwijl de tweede of hoogste zijspruit naar achteren wijst. De tweede

knievormige buiging kenmerkt den zes-ender: men kan den bok volgens

zijn leeftijd en gewei als een zes-ender beschouwen, als hij een

hoofdstang met twee knievormige buigingen heeft, al zouden de beide

zijspruiten ontbreken. Gewoonlijk is de ontwikkeling van het gewei

hiermede afgeloopen; daar de reebok bij latere wisselingen van het

gewei in den regel hetzelfde aantal spitsen behoudt. Soms komt het

echter voor, dat het gewei voortgaat met zich volgens denzelfden regel

te ontwikkelen.--Bij den "acht-ender" heeft de spits, die boven de

tweede knievormige buiging naar boven of naar achteren gericht is,

zich verdeeld en een zijspruit gekregen.--De "tien-ender" vertoont

den hoogsten, mij bekenden trap van regelmatige ontwikkeling van het

gewei der Ree. Hier zijn de beide bovenste spitsen van den "zes-ender"

gaffelvormig vertakt; het gewei bestaat dan uit een naar voren wijzende

middelspits, een naar boven gerichte eindgaffel en een naar achteren

gekeerde bijgaffel. Geweien van dezen vorm zijn mij slechts uit het

Slavonische graafschap Syrmië en uit Kroatië bekend.--Dikwijls merkt

men bij de ree-geweien een neiging op, om aan iedere hoofdstang, en

wel aan haar binnenzijde, onder de naar voren gerichte middelspits,

een in 't oog vallend lange parel te vormen. Deze parel wordt soms

wel 25 cM. lang, en kan dan volgens de regels van de jacht als een

spits medegeteld worden."

Buitengewoon veelvuldig komen bij het ree-gewei allerlei misvormingen

voor. In de verzamelingen ziet men stangen van de zonderlingste

gedaante: sommige hebben een geheele reeks van spitsen, andere

zijn schopvormig verbreed en langs den rand met spitsen bezet. Men

treft reebokken met drie stangen en drie rozestokken, andere met

een enkelen rozenkrans en een enkele stang aan; voorts bestaan

er zoogenaamde "pruikengeweien" enz. Radde kreeg er een uit het

Sajanische gebergte (op de Chineesch-Siberische grens), dat bij een

wijfjes-ree midden op het voorhoofd groeide. Er waren vier lange, uit

één voetstuk ontsprongen spitsen, aan op te merken, die in afwijkende

richting groeiden. Een ander dergelijk geval wordt mij door Block

medegedeeld. Het betreft een Ree met een gewei, dat uit twee, omstreeks

5 cM. lange stangen bestond. Zelfs een oude, ervaren jager werd er

door op het denkbeeld gebracht, dat hij een reebok voor zich had. Toch

bleek het dier later, toen het geschoten werd, een wijfje te zijn.

Het dichte haarkleed van de Ree verandert al naar het jaargetijde. De

bovendeelen en de buitenzijde van de ledematen zijn in den zomer

roestrood, in den winter bruingrijs; de onderdeelen van 't lichaam

en de binnenzijde van de ledematen zijn lichter van kleur. In

sommige gewesten komen kleurafwijkingen voor, die door verscheidene

geslachten heen overerven: men ontmoet er zwarte, witte, gevlekte en

zilverkleurige Reeën.

In de jagerstaal heet de mannelijke Ree in het eerste levensjaar

"bokkalf" of "kitsbok," in het tweede jaar "spitsbok" of "smalrug,"

als het tweede jaar is afgeloopen, "gaffelbok", van het derde jaar

af echter "bok"; de vrouwelijke Ree draagt achtereenvolgens in

de hierboven genoemde levenstijdperken de namen "rekkekalf", of

"kitskalf", daarna "smalree", eindelijk "rekke", "hille", of "reegeit".

De Ree is, met uitzondering van de noordelijkste landen, over geheel

Europa en het grootste deel van Azië verbreid. In Nederland kwam de Ree

vroeger, evenals het Hert, zeer veelvuldig voor; ongemeen talrijk was

zij (volgens H. Junius, "Batavia") tusschen 's-Gravenhage en Egmond;

thans wordt zij niet anders dan op de Veluwe aangetroffen, evenwel

niet uitsluitend op de Hooge Veluwe, maar ook op de Neder-Veluwe

en de Veluwe-zoom. Zij bewoont voorts België, Duitschland, Italië,

Spanje, Portugal, Frankrijk, Engeland en Schotland, Hongarije,

Galacië, Zevenburgen, de Donau-laaglanden, het zuiden van Zweden,

Polen, Littauen en de Oostzee-provinciën; zij is zeldzaam in Turkije

en Griekenland, ontbreekt in het Noorden en midden van Rusland, maar

komt in Ukraine en de Krim weer voor. Zij leeft verder in Kaukasië,

Armenië, Klein-Azië, Palestina en Perzië, zoo ook in het midden en

het zuiden van Siberië, voorzoover hier wouden zijn, oostwaarts tot

aan de landstreken om de monding van den Amoer, zuidwaarts tot aan

de Indisch-Mandsjoersche hooge gebergten; in de kale, niet met bosch

begroeide, hooge steppen komt zij echter slechts zelden en in zeer

kleinen getale voor.

Over het algemeen kan men zeggen, dat de Ree binnen haar

verbreidingsgebied zoowel jonge boomaanplantingen, woudzoomen

en kreupelbosschen als grootere wouden tot verblijfplaats kiest,

indien de bosschen slechts rijk zijn aan kreupelhout; het is haar

onverschillig of het houtgewas in het gebergte of in het vlakke land

groeit, uit naaldboomen of uit loofboomen bestaat. Naar het schijnt,

vestigt de Ree zich bijzonder graag in bosschen van breedgebladerde

boomen, vooral in moerassige gewesten. In den winter begeeft zij zich

van hoogere naar lager gelegen plaatsen, in den zomer volgt zij de

omgekeerde richting. Hier te lande houdt zij zich bij voorkeur op in

laagstammige bosschen, ook in zulke, die slechts los verbonden zijn

met gesloten wouden, niet zelden ook in groote bebouwde vlakten;

in den voorzomer vestigt zij zich voor goed op het bouwland en gaat

over dag in het hooge graan liggen. Alleen van oorden waar zij zich

volkomen veilig gevoelt, is zij een vaste bewoner; ook hier echter

onderneemt zij gaarne lange zwerftochten, hetzij om het een of ander

voedsel of om andere dieren van haar soort op te zoeken. Meer dan

het Hert en veel meer dan het Damhert houdt de Ree er van, in alle

opzichten vrij te zijn; zij verlangt daarom afwisseling van woonplaats,

van voedsel en zelfs van gezelschap. Zij is niet alleen kieskeurig,

maar zelfs echt wispelturig; heden bevalt het haar hier, morgen daar;

soms getroost zij zich allerlei storingen, terwijl zij ze in andere

gevallen zoo onaangenaam vindt, dat zij daarom niet zelden een streek

voorgoed verlaat.

De bewegingen van de Ree zijn behendig en lieftallig. Zij kan verbazend

groote, boogvormige sprongen doen en op deze wijze breede slooten,

hooge heggen en struiken zonder merkbare inspanning overschrijden; ook

zwemt en klimt zij goed. Zij hoort, ruikt en ziet voortreffelijk, is

listig en voorzichtig, maar toch tevens zachtmoedig. "Vriendelijkheid

en gezelligheid," zegt Dietrich aus dem Winckell, "zien haar de

oogen uit; toch kan zij alleen getemd worden, wanneer zij sinds

haar vroegste jeugd door den mensch kunstmatig is opgevoed; in 't

tegenovergestelde geval behoudt zij zelfs bij de meest zorgvuldige

behandeling de schuwheid en de vrees voor menschen en dieren, die

haar in den wilden toestand eigen zijn. Dit gaat zoo ver, dat zij,

wanneer zij verrast wordt, niet alleen door een kort geschreeuw haar

schrik laat blijken, maar ook de poging om zich door de vlucht te

redden dikwijls opgeven moet, daar zij licht haar tegenwoordigheid

van geest verliest, en dan in een kleine ruimte, terwijl de angst aan

hare bewegingen alle vastheid ontneemt, niet zelden een slachtoffer

wordt van gemeene, volstrekt niet vlugge boeren-honden of wel van

Roofdieren. Alleen in perken waar zij zeer weinig beschoten worden

of altijd rust hebben, leggen zij haar vrees voor den mensch in zoo

ver af, dat zij zich door iemand, die haar op een afstand van 20 of

30 schreden voorbijgaat, niet in 't grazen laten storen."

Van de "vriendelijkheid en gezelligheid", die Winckell zoo roemt,

bespeurt men bij nadere kennismaking met de Ree meestal maar zeer

weinig. Zoolang zij jong is, maakt zij wel is waar een zeer aangenamen

indruk, op meer gevorderden leeftijd echter toont zij zich zeer

eigenzinnig, weerspannig en boosaardig. Zelfs de oude reegeit is

niet vrij van zulke kuren, hoewel haar lichaamskracht niet groot

genoeg is om hare booze bedoelingen duidelijk te doen uitkomen; de

reebok echter is een onverdraagzame, kwaadaardige, eigenlievende en

heerschzuchtige klant, die zwakkere dieren van zijn slag en niet zelden

ook de reegeit afschuwelijk behandelt; onmeedoogend mishandelt hij zijn

kroost, zoodra hij meent, dat het hem in den weg zou kunnen staan bij

't streven naar bevrediging zijner begeerten; alle wezens, die hij

niet behoeft te vreezen, of uit gewoonte niet meer vreest, bedreigt

hij met zijn gewei, dat hoogst gevaarlijke wonden kan veroorzaken.

De Reeën vormen nooit zulke talrijke troepen als de Herten. Gedurende

het grootste gedeelte van het jaar zijn zij vereenigd tot familiën,

die meestal uit één bok, één geit en hare jongen bestaat; zeldzamer

bevat een troep 2 of 3 geiten; alleen daar waar te weinig bokken

zijn, treft men troepen van 12 à 15 individuën aan. In den winter

komt het soms voor, dat verscheidene familiën zich bijeenvoegen

en gedurende geruimen tijd samenleven. De kalveren blijven tot den

volgenden bronsttijd bij de volwassen dieren, maar worden dan door

deze verdreven, en vormen dikwijls afzonderlijke troepen. Over dag

houdt de Ree verblijf op een rustig en met schuilplaatsen voorzien

plekje van het tijdelijk door haar bewoonde gebied. Tegen den avond,

in veilige oorden ook wel in de late middaguren, begeeft zij zich naar

jonge boomaanplantingen, naar weidegronden in en buiten het woud, of

naar akkers om er voedsel te zoeken; tegen den morgen keert zij naar

het dicht begroeide deel van het bosch of naar het hooge koren terug,

slaat met de voorpooten de laag mos of zoden weg, en maakt zich op deze

wijze een bed of leger, waar zij kan rusten. Gaarne, maar niet altijd

geregeld, volgt zij bepaalde paden. Zij gebruikt nagenoeg hetzelfde

voedsel als het Hert: de Ree is evenwel kieskeuriger, en zoekt bij

voorkeur de meest malsche planten op. Bladen en jonge uitspruitsels

van allerlei breedgebladerde boomen, knoppen van naaldboomen, groene

graangewassen en andere kruiden vormen de hoofdbestanddeelen van

haar maal. Zeer gaarne lekt zij zout; zuiver water is voor haar een

behoefte; als het regent of sterk dauwt, is zij echter tevreden met

de droppels, die op de bladen liggen. Hier en daar komt zij soms ook

wel in de tuinen, welker lekkere groenten haar behagen; zij springt

daartoe koen en behendig over tamelijk hooge afschuttingen.

Opmerkelijk is het, dat men de voortplanting van de Ree eerst in den

laatsten tijd behoorlijk heeft leeren kennen. Jaren lang heeft er

verschil van meening bestaan over den juisten tijd, waarin de bronst

van de Ree inviel. Er was sprake van een "waren" en een "valschen"

bronst; de eerste zou in Augustus, de laatste in November plaats

vinden. Nauwkeurige onderzoekingen hebben echter tot de uitkomst

geleid, dat de Reeën alleen in Augustus paren. Evenwel doet zich

hierbij het merkwaardig verschijnsel voor, dat de ontwikkeling van

het jonge dier eerst na November merkbare vorderingen maakt, en dat

de geheele draagtijd 40 weken duurt, hetgeen voor een dier van deze

grootte buitengewoon lang mag heeten.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen · 第 23 / 28 段