van de allernoordelijkste landstreken; na verwante soorten bewonen een
groot deel van Azië. In Europa reikt de noordelijke grens van zijn
verbreidingsgebied tot 65, in Azië tot 55° N.B.; zuidwaarts reikt
het tot aan Kaukasus en tot aan de gebergten van Mandsjoerije. In
alle dicht bevolkte landen is het aantal Herten zeer verminderd of
zijn zij geheel uitgeroeid, b.v. in Zwitserland en in vele deelen van
Duitschland en Nederland. Volgens Van Bemmelen waren zij "vroeger in
vele deelen van ons land menigvuldig, bijv. in de dicht begroeide
duinstreken; onder anderen kwamen zij in zeer groote menigte voor
tusschen 's Gravenhage en Egmond, waar men er nu sedert een eeuw geen
enkel meer vindt; tegenwoordig zijn zij bijna geheel beperkt tot één
streek, namelijk de lange rij van bosschen, die zich van Sonsbeek
af tot aan de Soerensche wouden uitstrekt; nu en dan loopen evenwel
enkele naar de naburige bosschen over."--"In vroegere tijden schijnt
ook de Eland ons land bewoond te hebben, hoogst onwaarschijnlijk is
dit van het Rendier."
Het veelvuldigst komt het Hert nog voor in Polen, Galicië, Bohemen,
Moravië, Hongarije, Zevenburgen, Karinthië, Stiermarken en Tirol;
veel algemeener dan in, deze landen treft men het echter aan
in Azië, vooral in den Kaukasus en in het boschrijke zuiden van
Siberië. Het Edelwild houdt meer van bergachtige dan van vlakke
gewesten; het geeft de voorkeur aan groote, samenhangende wouden,
vooral aan wouden van loofboomen. Hier vereenigen de Herten zich tot
meer of minder groote troepen, waarin zij naar ouderdom en geslacht
gesorteerd zijn: de "oude dieren", kalveren, spitsers, gaffelers en
smaldieren blijven gewoonlijk met elkander vereenigd; de forschere
"herten" vormen kleine afzonderlijke troepen; de grootste mannetjes
("kapitale herten") leven tot aan den bronsttijd meestal eenzaam. In
den winter keert het Hert van de bergen naar lagere landstreken terug,
in den zomer stijgt het tot de hoogste toppen van de Middelgebergten;
over 't algemeen echter blijft het, zoolang het ongestoord leven kan,
aan zijn woonplaats getrouw; alleen in den bronsttijd of bij het
"opzetten" van de nieuwe geweien of eindelijk bij gebrek aan voedsel
verlaat het vrijwillig zijn oorspronkelijk gebied.
Alle bewegingen van het Hert zijn licht en sierlijk, maar tevens
fier en waardig; vooral het mannetje onderscheidt zich door zijn
edele houding. Reeds bij het begin van de vlucht beweegt het zich
zeer snel; als de nood dringt, verplaatst het zich echter met bijna
ongeloofelijken spoed. Verbazend groote sprongen doet het met gemak
als 't ware spelenderwijs; hindernissen van allerlei aard komt het
zonder oponthoud te boven, in tijden van gevaar zwemt het zonder
aarzeling over breede stroomen, ja zelfs (in Noorwegen niet zelden)
over zeearmen. Reeds in den ouden tijd heeft men alle verschijnselen,
die ons het Hert doen kennen, nauwkeurig waargenomen. De ervaren
jager kan na een kortstondig onderzoek van het spoor van het Hert
met onfeilbare gewisheid zeggen, of het van een mannetje, dan wel van
een wijfje afkomstig is, en bepaalt hiernaar zelfs tamelijk juist den
leeftijd. De kenteekenen van het spoor worden "deugdelijk" genoemd,
als zij tot geen vergissing aanleiding kunnen geven; naar hen regelt
de jager zijne handelingen. Onze voorouders kenden 72 zulke teekens;
Dietrich aus dem Winckell is echter van oordeel, dat men ze tot 27 zou
kunnen verminderen. Voor den ongeoefende is het geen gemakkelijke zaak
om de sporen van het mannetje en van het oude wijfje, zelfs wanneer
hij ze kort te voren naast elkander heeft gezien, een paar schreden
verder weder te onderscheiden.
Onder de zintuigen van het Edelhert zijn het gehoor, de reuk en het
gezicht uitmuntend ontwikkeld. Tot op een afstand van 600 schreden
krijgt het de lucht van een mensch. Ook het gehoor is buitengewoon
scherp; niet het geringste gedruisch dat in het woud voorkomt, ontsnapt
er aan. Over den aard en de geestvermogens van het Edelhert loopen de
meeningen tamelijk ver uiteen. Volgens de waarnemingen uit den laatsten
tijd is dit dier niet schranderder of beminnelijker dan andere in
't wild levende Herkauwers. Het is zeer angstig en schuw, maar niet
loos en verstandig. Zijn geheugen schijnt zwak, zijn bevattingsvermogen
gering te zijn. Langzamerhand doet ook dit dier ervaringen op en maakt
er geen ongeschikt gebruik van; als zijne hartstochten opgewekt zijn,
vergeet het dikwijls de zorg voor zijn veiligheid, die in andere
gevallen altijd in de eerste plaats zijn aandacht in beslag neemt.
Het lijdt geen twijfel, dat de vreesachtigheid van het Hert een
gevolg is van de ervaring, dat de mensch zijn gevaarlijkste vijand
en in hooge mate te vreezen is. Op plaatsen waar het Hert zich
volkomen veilig kan achten, wordt het zeer mak. In het Prater bij
Weenen stonden vroeger groote troepen van deze statige dieren, die
volkomen gewend waren geraakt aan het gewemel der wandelaars, en die,
naar ik op grond van persoonlijke ervaring verzekeren kan, een man
tot op afstand van 30 schreden lieten naderen. Een van deze herten
was langzamerhand zoo stoutmoedig geworden, dat het onbeschroomd
naar de uitspanningsplaatsen ging, tusschen de tafeltjes doorliep
en aan de dames de hand likte, waarmede het te kennen wilde geven,
dat het bereid was de klontjes suiker of de koekjes in ontvangst te
nemen, waarop de bezoekers het dier gewoonlijk tracteerden. Bij de
voederplaatsen worden de Edelherten dikwijls merkwaardig tam.
Anders is het gesteld, wanneer het Hert in een nauwe ruimte opgesloten
wordt, of wanneer de bronsttijd aangevangen is. In deze beide
omstandigheden wordt het dier dikwijls door de geringste kleinigheid
tot toorn vervoerd en valt ook de menschen aan. In oude en nieuwere
jachthoeken worden vele gevallen vermeld van Herten, die menschen,
dikwijls zonder dat deze er eenige aanleiding toe gaven, te lijf
gingen en hen wondden of doodden.
"De bronsttijd van het Hert," zegt _Dietrich aus dem Winckell_, "begint
in den aanvang van September en duurt tot aan het midden van October.
"'s Avonds en 's morgens weergalmt in het woud het geschreeuw
("burlen") der bronstige mannetjes, die zich ternauwernood den
tijd gunnen om het noodige voedsel te gebruiken en slechts nu en
dan zich verfrisschen in een naburigen plas of vijver, waarheen
de wijfjes hen vergezellen. Andere, minder gelukkige mededingers
beantwoorden vol nijd dit geschreeuw en naderen met het voornemen
alles te wagen om door dapperheid of list de ook door hen begeerde
plaats te veroveren. Nauwelijks heeft de bij de wijfjes staande
bok zijn tegenstander in 't oog gekregen, of hij gaat hem gloeiend
van ijverzucht te gemoet. Thans begint een strijd, die dikwijls
aan één der strijders, soms aan beide het leven kost. Woedend gaan
zij met benedenwaarts gerichten kop op elkander af; ieder tracht met
bewonderenswaardige behendigheid zijn tegenstander te wonden en diens
stooten te pareeren. Tot in het woud weerklinkt het geluid van de tegen
elkander botsende geweien; wee den strijder, die door ouderdomszwakte
of door een toeval zich bloot geeft! Zijn tegenpartij zal stellig
gebruik maken van de gelegenheid om hem de scherpe oogspitsen in 't
lijf te booren. Het is wel eens gebeurd, dat de geweien bij den strijd
zoo onwrikbaar in elkander verward geraakten, dat de beide dieren
niet meer los konden komen en ellendig om 't leven kwamen. Ook na
hun dood was geen menschelijke kracht in staat om de stangen, zonder
beschadiging van de takken van een te scheiden. Dikwijls blijft de
strijd uren onbeslist en eindigt eerst als een der partijen, geheel
uitgeput door vermoeienis, zich overwonnen geeft en het veld ruimt."
"Het wijfje draagt 40 of 41 weken. Tegen het einde van Mei of in Juni
brengt het één kalf ter wereld, zelden twee. Als de werptijd nadert,
zoekt het eenzaamheid en rust in het dichtst van het woud. De kalveren
zijn gedurende de drie eerste levensdagen zoo hulpbehoevend, dat zij
hun plaats niet verlaten. Men kan ze zelfs met de hand opnemen. Slechts
zelden en gedurende korten tijd verlaat de moeder hare jongen, terwijl
deze haar hulp zoozeer behoeven. Zelfs wanneer zij van 't leger
verjaagd wordt, verwijdert zij zich slechts zoover, als noodig is om
door een voorgewende vlucht het werkelijke of denkbeeldige gevaar af te
wenden. Zoodra het kalf een week oud geworden is, zou het vergeefsche
moeite zijn het zonder net te willen vangen. Het volgt nu de moeder
overal heen en "drukt zich" onmiddellijk in het hooge gras, zoodra
deze "gewag maakt," d.w.z. een kreet van schrik laat hooren of met
de voorpooten snel en krachtig op den grond stampt. Het kalf zuigt
tot aan den volgende bronsttijd en wordt van zijn jeugd af door de
moeder onderricht in de keuze van het voor hen geschikte voedsel."
Nu vangt het aan afwisseling zoo rijke leven van het Edelhert aan. Het
"hindekalf" is reeds in het derde levensjaar volwassen. Voordat het
"hertkalf" alle rechten op de alleenheerschappij kan doen gelden,
moeten er een reeks van jaren verloopen. Als het zeven maanden oud
geworden is, neemt de vorming van het eerste gewei een aanvang; na dien
tijd wisselt het ieder jaar zijn kopsieraad. De hoofdstang heeft in
den beginne slechts één enkele, gelijkmatige en zwakke kromming. Bij
den zes-ender heeft zij een knievormige bocht naar achteren gekregen
tegenover de plaats, waar de middelspits ontspringt. Een tweede
knievormige bocht krijgt zij bij den twaalf-ender aan den voet
van de hier driespitsige kroon. (Deze heeft het reeds bij den
acht-ender aanwezige gaffelvormig eindstuk van het gewei van den
tien-ender vervangen). Een derde knievormige bocht ontstaat bij den
veertien-ender, een vierde bij den twintig-ender, telkens in hoogere
gedeelten van de kroon. Bij al deze veranderingen blijft de spits
van de hoofdstang steeds naar binnen gericht. Ieder van de genoemde
krommingen behoudt gedurende alle volgende ontwikkelingstijdperken
van het gewei denzelfden stand ten opzichte van de spitsen, maar neemt
telkens in duidelijkheid toe.--Intusschen ondergaat de oogspits eenige
niet minder opmerkelijke veranderingen. In 't eerst staat zij tamelijk
hoog aan de hoofdstang, bij latere geweien komt zij steeds nader
bij den "rozenkrans" (het verdikte onderste gedeelte van het gewei,
dat als 't ware uit een krans van knobbeltjes bestaat). De hoek,
dien de oogspits met de hoofdstang maakt, is aanvankelijk scherp,
maar neemt allengs in grootte toe; bij den tien-ender is hij reeds
stomp geworden. Soortgelijke veranderingen ondergaan de middelspits,
de ijsspits en de kroon. Van een kroon is, zooals hierboven gezegd is,
voor 't eerst sprake bij den twaalf-ender; haar binnenste spits (de top
van de hoofdstang dus) groeit in 't volgende gewei tot een gaffel uit;
de kroon van den veertien-ender bestaat derhalve uit twee gaffels; de
bovenste van deze is bij den zestien-ender door drie spitsen vervangen;
nu bestaat de kroon dus uit een gaffel en een driespitsige vork;
de buitenste spits van deze is bij den achttien-ender weder tot een
gaffel uitgegroeid; dit gewei heeft dus een uit drie boven elkander
geplaatste gaffels samengestelde kroon; bij den twintig-ender eindelijk
is in de plaats van den laatstgevormden gaffel een driespitsige vork
gekomen. Meer dan twintig op normale wijze ontwikkelde spitsen komen
aan een gewei vermoedelijk zeer zelden voor; achtien-enders ziet men
reeds in iedere matig groote verzameling; onder de levende Herten
zijn zestien-enders ook thans nog geen zeldzaamheid. Bij overvloedige
voeding kan het gebeuren, dat bij de vorming van een nieuw gewei den
toestand van zes-ender en van tien-ender overgesprongen wordt; nog
veelvuldiger echter komt het voor, dat in een nieuw gewei het vorige
aantal spitsen herhaald wordt, en even dikwijls keert het terug tot
een geringer aantal. In dit opzicht vormt de toestand van tien-ender
een opmerkelijk keerpunt in 't leven van een Hert: als het eens een
"kroon" gedragen heeft, zal het nooit meer een gewei krijgen met
minder dan tien spitsen.
De vijanden van het Edelhert zijn de Wolf, de Los en de Veelvraat,
zeldzamer de Beer. Van deze zijn de Wolf en de Los wel de
gevaarlijkste. Benden Wolven vervolgen het Edelhert als er veel sneeuw
ligt, jagen het na en maken het af; de Los springt van boven af op den
hals van het niets kwaads duchtende dier, wanneer het de schuilplaats
van den in hinderlaag liggenden roover voorbijgaat. De ergste vijand
van het Edelhert is en blijft echter in alle omstandigheden de mensch,
ofschoon deze het tegenwoordig niet meer op even gruwelijke wijze
vervolgt en doodt als vroeger. Ik acht het wenschelijk niet verder
over de hertenjacht uit te wijden, omdat een nauwkeurige beschrijving
ons te ver zou voeren en belangstellenden hierover andere boeken kunnen
raadplegen. Tegenwoordig is de gelegenheid voor dit edele vermaak reeds
zeer schaarsch geworden; de meeste der thans bestaande beroepsjagers
hebben nog nooit een Hert geschoten: dit wild blijft voor voornamere
heeren bewaard. Dat de veel omslag vereischende "parforce-jachten"
en andere dergelijke wijzen van hertenvangst van vreemden oorsprong
zijn, kan ieder onmiddellijk afleiden uit hun met onzen volksaard
zoo weinig overeenkomende inrichting. Onze voorvaders gebruikten voor
het dooden van het Hert eenvoudig de buks.
Evenals andere Herkauwers, heeft ook het Edelhert veel te lijden van
eenige soorten van Horzels (_Hypoderma Diana_ en _H. Actacon_). Deze
leelijke Insecten leggen bij deze en andere soorten van Herten
(Rendier, Ree enz.) hunne eieren op de huid, vooral van den rug;
de pootlooze larven of maden, die uit deze eieren komen, boren
zich door de huid heen en vatten post in het onderhuidsbindweefsel;
hierdoor ontstaan ten slotte groote, uitwendig zichtbare etterbuilen;
ongeveer een jaar na haar geboorte verlaat de Horzel-larve haar
woonplaats, om in den poptoestand over te gaan, hetwelk in den grond
geschiedt. Bovendien wordt ons wild nog hevig geplaagd door een soort
van luis, die zich tusschen de haren nestelt, en door verschillende
Muggen en Vliegen, o.a. door de Bremzen (_Tabanus_).
Ongelukkig is de schade, die het Hert aanricht, veel grooter dan het
nut, dat het oplevert. Vooral om deze reden is het in vele gewesten
van Europa uitgeroeid. Hoewel het vleesch, de huid en het gewei duur
betaald worden, en men het genoegen, dat de jacht oplevert, ook op
hoogen prijs moet stellen: de door het wild veroorzaakte schade wordt
hierdoor niet opgewogen. De wenschen van den jager zijn nu eenmaal
niet in overeenstemming te brengen met de belangen van den landbouwer.
In het noordwesten van Afrika leeft een Hert, dat men onder den naam
_Cervus barbarus_ van het Edelhert onderscheiden heeft, maar dat niet
algemeen als een afzonderlijke soort wordt erkend, maar veeleer als
een verscheidenheid van ons Hert. Van de overige soorten van het
ondergeslacht verdient nog vermelding de in Noord-Amerika levende
_Wapiti_ (_Cervus canadensis_), daar hij de grootste soort is van
het geheele geslacht: hij bereikt een lichaamslengte van 2.6 en een
schouderhoogte van 1.6 M.
Onder de Indische Herten verdient in de eerste plaats het
_Axis_-_Hert_, het _Dappled Deer_ (= Gestippeld Hert) der Engelschen
(_Axis axis_), onze aandacht. Het vertegenwoordigt een afzonderlijk
ondergeslacht en bereikt bij een lichaamslengte van 135 à 150 cM. een
schouderhoogte van slechts 90 à 95 cM. Wat zijn kleur betreft, mag
het beschouwd worden als een der fraaiste, zoo niet als het fraaiste
van alle Herten. De grondkleur, grijsroodachtig bruin, maakt een
aangenamen indruk; de rugstreep steekt er zeer donker bij af, op
de schoft is zij nagenoeg zwart; de keel, de gorgel, de buik en de
binnenzijde der pooten zijn geelachtig wit, de buitenzijde der pooten
is geelachtig bruin. Zeven reeksen van witte, tamelijk onregelmatig
gerangschikte vlekken op elke zijde vormen de teekening van het dier.
Het verbreidingsgebied van den Axis omvat geheel Indië en Ceylon, met
uitzondering van Pandsjab, en de landen oostwaarts van hier tot aan
Cosjin-China. Hij bewoont zoowel vlakke als heuvelachtige gewesten,
komt voor in de bergreeksen, die aan den Himalaja voorafgaan en in de
Sandarbands, in het echte hoogstammige woud zoowel als in de dsjungels,
gewoonlijk echter in de nabijheid van het water. Waar de omgeving hem
aanstaat, is hij zeer menigvuldig en vormt groote troepen, die tot
aan den morgen op de open plaatsen van het woud grazen, gedurende den
dag echter gewoonlijk beschaduwde oorden van het woud opzoeken. De
inboorlingen en de Engelschen maken ijverig jacht op den Axis;
waarschijnlijk is het een gevolg van deze veelvuldige vervolgingen,
dat hij daar, waar hij vervolgingen heeft te vreezen, minstens even
schuw is, als onze Herten. Dit neemt niet weg, dat de gevangen Axis
spoedig volslagen tam wordt. Reeds vóór jaren heeft men hem naar
Engeland overgebracht en de ervaring opgedaan, dat hij in dit zachte
klimaat uitmuntend gedijt, en zich er ook voortplant; van Engeland
is hij naar andere Europeesche landen verzonden, o. a. ook naar
Duitschland. In een park bij Ludwigsburg houdt men hem sinds 50 jaren.
De meeste overige Herten van Indië hebben een eigenaardig uiterlijk,
waardoor zij zich zeer onderscheiden van hunne, in Europa of in
Amerika levende verwanten, maar dat moeielijk te omschrijven is. Over
't algemeen kan men zeggen, dat de bedoelde dieren [die gezamenlijk het
ondergeslacht _Roesa_ (_Rusa_) vormen, welks naam aan het Maleisch
ontleend is en "Hert" beteekent] meer of minder klein gebouwd
zijn, krachtige ledematen, een korten hals en korten kop, maar een
betrekkelijk langen staart hebben; hun vacht bestaat uit grove, brooze,
dun geplaatste haren; het gewei, dat _alleen de mannetjes_ versiert,
heeft in den regel niet meer dan zes spitsen (drie aan elke stang).
Het _Groote_, _Sumatraansche_ of _Maleische Waterhert_, de _Samboer_
van de bewoners van het Indische vasteland (_Rusa Aristotelis_,
_Rusa equina_) werd reeds door Aristoteles duidelijk beschreven onder
den naam "_Paardhert_" ("_Hippelaphus_") van welken naam men gebruik
heeft gemaakt voor het aanduiden van de op Java voorkomende, verwante
soort. Mijns inziens is de Samboer het statigste en edelste lid
van zijn geslacht. Hij bereikt minstens de grootte van het Edelhert;
Duvaucel beweert zelfs, dat enkele exemplaren, die hij op Sumatra heeft
gezien, voor het grootste Paard niet onderdeden. Indië, de kusten van
Malabar en Koromandel, Sylhet, Nepal, Malaka en Sumatra, misschien ook
Borneo, vormen het vaderland van dit in Indië veelvuldig voorkomende
en tegenwoordig ook in onze diergaarden niet zeldzame Hert, dat wegens
zijn zeer donkere kleur ook wel het _Zwarte Hert_ wordt genoemd.
Het _Javaansche Waterhert_ of _Manenhert_ (_Rusa hippelaphus_) staat
niet veel in grootte achter bij het Edelhert en wordt in geheel Indië
waarschijnlijk alleen door den Samboer overtroffen [in de gebergten
van 't zuidwesten van Azië ook nog door het _Perzische Manenhert_
(_Cervus Wallichi_)]. De lichaamslengte van het volwassen mannetje
bedraagt ruim 2 M., waarbij 30 cM. voor den staart, de schofthoogte
ongeveer 1 M. Het wijfje is aanmerkelijk kleiner en mist de lange
manen aan den hals en de kin, die het mannetje kenmerken. Beide zijn
vaal grijsachtig bruin met een donkere, overlangsche streep op het
midden van den rug. De jongen hebben geheel dezelfde kleur als de
ouders, hetgeen zeer opmerkelijk is, daar zij bij andere geslachten
van Herten aanvankelijk gevlekt zijn.
Voor zoover men weet, is Java het oorspronkelijk vaderland van dit
Hert; van hier is het door jachtliefhebbers overgebracht naar Borneo,
waar het bekend is onder den naam _Mindjangan Djawa_ ("het Javaansche
Hert"); vermoedelijk geldt deze verklaring ook voor de aanwezigheid
van deze diersoort op de Molukken en Timor. Dit zeer gezochte wild komt
voor in zeer talrijke troepen, die aan de opene, op steppen gelijkende
vlakten de voorkeur geven boven de bosschen. Gedurende het heetste
gedeelte van den dag ligt het verborgen tusschen gras en riet of in
het struikgewas; vóór zonsondergang begeeft het zich naar de plassen,
waarin het zich verfrischt; met het vallen van den avond begint het
voedsel te zoeken. Deze Herten houden zeer veel van het water: dit
kan men ook waarnemen aan gevangen exemplaren, die men geen grooter
genoegen kan doen, dan door hen in staat te stellen een modderbad
te nemen.
De bewegingen van het Manenhert verdienen in 't kort besproken
te worden. Geen der mij bekende Herten stapt zoo waardig, zoo
fier langs den weg als deze soort. Zijn gang gelijkt volkomen op
een aangeleerden pas, op den zoogenaamden Spaanschen stap van een
schoolpaard. Iedere beweging van dit Hert komt overeen met die, welke
een Paard in de genoemde omstandigheden maakt. Men zou kunnen meenen,
dat het doordrongen is van de fierheid, die het aan den dag schijnt
te leggen. Het licht den poot omzichtig op, steekt hem naar voren uit
geheel op dezelfde wijze als het circus-paard en zet hem sierlijk weder
op den grond; elke stap gaat gepaard met een passende beweging van den
kop. Het is echter niet goed uit te maken, of deze gebaren fierheid of
toorn moeten te kennen geven; want deze waardige gang gaat geregeld
vergezeld van een verdacht omkrullen van de bovenlip, hetgeen bij
alle soorten van Herten een teeken van groote opgewondenheid is. Nog
wil ik doen opmerken, dat men, vooral gedurende deze bewegingswijze,
bij het Manenhert een sterk geknetter hoort, evenals bij de Rendieren.
Wanneer het geoorloofd is uit de levenswijze van gevangen exemplaren
een besluit te trekken dat geldig is voor de in 't wild levende,
moeten de wintermaanden aangemerkt worden, als die, waarin deze Herten
bronstig zijn. In de diergaarden werpen zij in Mei hun gewei af en
"vegen" in September.
Bij de op groote schaal uitgevoerde drijfjachten van de Maleische
vorsten worden dikwijls vele honderden Manenherten gedood, hoewel
men geen vuurwapen, maar alleen zwaarden en speren gebruikt om ze te
vellen, of strikken bezigt om ze levend te vangen. Volgens Junghuhn
wordt dit Hert uitsluitend om zijn vleesch gejaagd; dit wordt in
dunne schijven gesneden, met zout ingewreven en in de zon gedroogd;
het heet dan "Djendeng" en wordt de meest gewilde toespijs geacht bij
de rijstgerechten, die aan den disch der Javaansche hoofden nimmer
ontbreken; ook op de Europeesche tafel wordt het als een uitmuntende
spijs beschouwd. Het vel wordt niet gebruikt.
Het _Zwijnshert_ der Engelschen (_Rusa porcinus_) is een der meest
algemeene Indische soorten en behoort tot de plompste vormen van
de geheele familie; het heeft een tamelijk loggen lichaamsbouw,
een dikken romp, korte pooten, een korten hals en een korten kop. In
den regel is de algemeene kleur fraai koffie-bruin, bij het mannetje
ook wel donkerder soms zelfs zwartbruin, bij 't wijfje vaak lichter,
zelfs lederbruin. Het gewei van het mannetje heeft in den regel zes
spitsen; de stangen zijn dun, staan op tamelijk hooge rozenstokken
en bereiken een lengte van 35 à 40 cM.
Het Zwijnshert is in het grootste gedeelte van Britsch Indië en van
Birma inheemsch. Het algemeenst is het in de oeverlanden van den
Ganges, zeldzamer in Centraal-Indië. Gewoonlijk leven deze dieren
eenzaam, nu en dan worden zij echter ook ten getale van twee of drie
bijeen gevonden. Zij houden zich liever op in gewesten, die met gras
en verspreide heesterboschjes begroeid zijn, dan in de dsjungels of in
het echte woud, hoewel zij ook hier van tijd tot tijd op groote open
plekken aangetroffen worden. Over dag liggen zij verborgen in hunne
schuilplaatsen, 's nachts gaan zij voedsel zoeken; als zij opgejaagd
worden, vluchten zij met omlaag gehouden kop op de eigenaardige,
tamelijk onbeholpen wijze waaraan zij hun naam te danken hebben.
De meeste Zwijnsherten, die in onze diergaarden leven, komen uit
Bengalen. Zij verdragen ons klimaat zeer goed, maar verlangen een
beschutte plaats om hierin bij ruw weder een toevlucht te zoeken;
zij planten zich gemakkelijk voort en vermenigvuldigen zich sterk,
zelfs in een beperkte ruimte.